Met werklust Cluj trekt multinationals

Iancu, conducteur van de nachttrein A741 Boekarest-Oradea, houdt wel van een grapje. Vlak voor de trein om 3.11 ’s ochtends Cluj aandoet, houdt hij de uitstappende passagiers voor dat ze vanwege vertraging nog een uurtje of twee kunnen indutten. Had een van zijn collega’s niet zijn hart laten spreken, dan waren ze wellicht doorgereden tot in Oradea aan de Hongaarse grens.

Jan Hunin

De kans dat Iancu uit Transsylvanië komt, is daarmee klein, want in dat deel van Roemenië zijn jokken en foppen uit den boze. De bevolking staat er bekend als ernstig, op het saaie af, en ze houdt van stiptheid. Terwijl het in de rest van Roemenië weinig opzien baart een uurtje te laat op een afspraak te verschijnen, houden de Transsylvaniërs het op maximaal een kwartiertje.

Desalniettemin vinden de andere Roemenen ons traag, zegt een inwoner van Cluj. ‘Maar dat kun je ook anders uitleggen: wij bezinnen eer we beginnen.’

De reden van die verschillen moet in het verleden gezocht worden. Terwijl de rest van Roemenië eeuwenlang door de Turken gedomineerd werd, was Transsylvanië tijdens het grootste deel van zijn geschiedenis onderworpen aan zijn westerse buren. ‘Onze hoofdstad lag altijd in Wenen of Boedapest, nooit in Boekarest’, zeggen ze in Cluj, waarmee de inwoners eigenlijk willen aangeven dat hun regio tot Centraal-Europa gerekend dient te worden en niet, zoals de rest van hun land, tot de Balkan. Pas na de Eerste Wereldoorlog werd Transsylvanië verenigd met de rest van Roemenië.

Normaal gesproken zou je mogen verwachten dat uit die aparte geschiedenis een eigen identiteit voortspruit, maar niets is minder waar. Wanneer een Roemeen zegt uit Transsylvanië te komen, bedoelt hij daar niet meer mee dan een Nederlander die zegt uit Drenthe te komen, met dit verschil dat de Drenthenaar tenminste over een eigen provincie beschikt. De Transsylvaniërs kunnen moeilijk een volk worden genoemd.

Maar een probleem maken ze daar niet van in Cluj, de historische hoofdstad van Transsylvanië, integendeel. Een fysicus zou zeggen dat de middelpuntzoekende kracht er sterker is dan de middelpuntvliedende kracht.

De gedachte alleen al aan de oprichting van een eigen bestuur roept weerstand op. Dat is onlosmakelijk verbonden met de aanwezigheid van een sterke Hongaarse minderheid. Voorstanders van regionale samenwerking worden er onmiddellijk van beschuldigd het separatisme in de kaart te spelen.

De kans dat Transsylvanië ooit aansluiting zoekt bij Hongarije is zo goed als nul: de Hongaren maken er amper 20 procent van de bevolking uit. In Cluj, sinds 1974 officieel Cluj-Napoca, naar de Latijnse naam van de stad, is hun percentage zelfs geringer. Maar in een stad waarvan de naam werd aangepast om de Dacische (lees Roemeense) wortels te onderstrepen, hoef je als minderheid geen cadeautjes van de meerderheid te verwachten. Zelfs de standbeelden en kerken moeten er groter en hoger zijn dan de Hongaarse.

Maar vergeleken met de jaren negentig valt het in Cluj tegenwoordig eigenlijk wel mee met het Roemeense nationalisme. Toen liet burgemeester Gheorghe Funar de stad in een Roemeens kleurtje steken. Hele straten werden permanent van vlaggen voorzien. Op het centrale Vrijheidsplein (voor de gelegenheid omgedoopt tot Eenheidsplein om de aansluiting bij Roemenië te herdenken) moesten zelfs de vuilnisbakken eraan geloven: ze werden blauw-geel-rood geverfd. Van de Hongaarse renaissancekoning Matthias Corvinus, die met zijn ruiterstandbeeld het plein domineert, werd en passant een Roemeen gemaakt.

Sinds Funar vijf jaar geleden de verkiezingen verloor, is van dat extremisme nog weinig te merken. Het feit dat de hele stad bevlagd is, heeft volgens de huidige burgemeester Sorin Apostu niets met nationalisme te maken. ‘Gisteren was het de dag van de vlag. De stadsdiensten hebben nog niet de tijd gehad om de stad te ontvlaggen.’

Pas wanneer hij een vraag krijgt voorgeschoteld over Corvinus, valt burgemeester Apostu door de mand. ‘Hongaarse koning?’, vraagt hij verwonderd. ‘Corvinus was een Transsylvaanse prins, dus een Roemeense prins.’ Dat ook hij niet vrij is van het Roemeense nationalisme bewijst een van zijn laatste beslissingen: toeristische attracties krijgen voortaan uitleg in drie talen: in het Roemeens, in het Engels en in het Frans. Niet in het Hongaars, de taal van 17 procent van de inwoners.

Alleen in steden waar ze ten minste 20 procent van de bevolking uitmaken kunnen de Roemeense Hongaren aanspraak maken op tweetalig bestuur. Omdat ze in Cluj die drempel niet halen, blijft het gebruik van hun taal er beperkt tot de prestigieuze Babes-Bolyai universtiteit, waar aan de helft van de faculteiten ook in het Hongaars wordt gedoceerd. Meer zit er blijkbaar niet in in een stad waar zelfs politici die prat gingen op het multiculturele karakter van Cluj, op de Bijbel zweren nooit met de Hongaren te zullen samenwerken. Aldus Emil Boc, die voor hij premier werd van Roemenië burgemeester was van Cluj.

Maar de taalperikelen hebben niet kunnen beletten dat Cluj economisch hoge toppen scheert. De laatste jaren is de driehonderdduizend inwoners tellende stad uitgegroeid tot het belangrijkste IT-centrum van Roemenië. Die prestatie heeft het onder meer te danken aan de komst van Nokia. In 2007 besloot de Finse telefoonreus zijn (winstgevende) fabriek in het Duitse Bochum te sluiten en een nieuwe vestiging te openen in de buurt van Cluj.

Bij Nokia spreken ze niet tegen dat de keuze voor Roemenië met lage lonen te maken heeft, maar waarom werd gekozen voor Cluj? Dat het management van de fabriek die stad leuker vindt dan Boekarest zal wel niet alleen met het beroemde uitgaansleven van deze studentenstad te maken hebben. Misschien even belangrijk was de aanwezigheid van gekwalificeerd personeel. Met zijn elf hogescholen vormt Cluj een intellectuele vijver waarin hoogtechnologische bedrijven als Nokia maar al te graag vissen.

Maar wellicht zal ook de plaatselijke mentaliteit een rol gespeeld hebben. Of de inwoners zich Transsylvaniërs voelen of niet, zal de Finse multinational daarbij weinig uitgemaakt hebben, zolang ze het maar zijn, dat wil zeggen hard werken en op tijd op hun werk verschijnen. En dat was blijkbaar het geval. Bij zijn afscheid eerder dit jaar bekende de Amerikaanse manager van de vestiging in Cluj aangenaam verrast te zijn geweest door de vlijt van zijn personeel. Niet wat je van Roemenen zou verwachten, kon je hem horen denken.

Dat de inwoners van Cluj voor buitenlandse investeerders uit het goede hout gesneden zijn, is ondertussen zelfs tot in het Verre Oosten doorgedrongen. Een dag nadat burgemeester Apostu in zijn bureau de werklust van zijn inwoners heeft geprezen, krijgt zijn stad bezoek van een uitgebreide Zuid-Koreaanse delegatie. Nadat ze in een bijzaaltje van het stadhuis hun hoogtechnologische producten hebben geëtaleerd, laten ze zich maar al te graag bekoren door de plaatselijke eigenschappen.

Een Koreaan zou geen Koreaan zijn als werklust geen indruk op hem zou maken.

Maar zoals hun stiptheid moet ook de vlijt van de inwoners van Transsylvanië in het juiste perspectief geplaatst worden. ‘Hard werken?’, vraagt Ming Jung Ma, een in Cluj wonende tolk, zich verwonderd af, wanneer ze geconfronteerd wordt met een vraag over de werklust van de plaatselijke bevolking. ‘Ik vind helemaal niet dat ze hier hard werken.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden