Met verweerd uiterlijk, maar verleidelijk

Fez wordt de spiegel van de Marokkaanse ziel genoemd. Een stad onaangeroerd door de tijd en het westen. Wie geen Marokkaan is, blijft er altijd toeschouwer....

Door Jeroen Junte

Hoeveel verschillende tinten bruin zouden er bestaan? Tien? Vijftig? Honderd misschien? Of zelfs nog meer? Wel duizend?

In de Marokkaanse stad Fez alleen al moeten het er duizenden en duizenden zijn. Elk huis heeft er zijn eigen kleur bruin; soms met een groenige tint, soms iets roder of juist lichter, geel bijna. Ook bruin zijn de modderige straten en de kaftans van de Fassis, de inwoners van Fez. En dan liggen er in de schemerige winkeltjes nog bruine leren tassen, of houten borden en potten van aardewerk. Eigenlijk ligt over alles een vale, bruine gloed; zelfs je eigen nagelranden. Want zonlicht valt er niet in de smalle straatjes van de medina, het meer dan duizend jaar oude stadshart.

Vier Koningssteden heeft Marokko. De grootste en populairste is Marrakech, de levendige stad met haar rode huizen en het vertier op het fameuze plein Djeema El Fna. Het ommuurde Meknes met zijn indrukwekkende paleizen en brede straten ligt dommelend in de zon op het platteland. De elegante hoofdstad Rabat is het uithangbord van het moderne, zelfverzekerde Marokko. En Fez dus, de oude wijze dame met het bruine en verweerde uiterlijk, maar nog even verleidelijk als in haar bruisende jonge jaren.

De spiegel van de Marokkaanse ziel, zo wordt Fez wel genoemd. Een stad onaangeroerd door de tijd en het westen. Schrijvers als William Burroughs en Paul Bowles vestigden zich in Tanger. De hippies bleven in Marrakech hangen. De handelslieden bouwden een bestaan op in Casablanca. Alleen in Fez is de westerling nooit deelnemer geweest aan het openbare leven. Want wie geen Marokkaan is, blijft er altijd toeschouwer.

Maar verleidelijk is ze wel, liggend in die peervormige vallei. Duizendenéén nachten mag een avondwandeling duren door haar donkere straatjes, opgelicht door olielantaarns en ouderwets gloeiende peertjes. Hoor alleen al haar naam uitgesproken in zangerig Arabisch: Fez El-Bali. Een gids is er zo gevonden - nergens in Marokko zijn ze zo opdringerig. Maar veel avontuurlijker is het je te laten meevoeren door je zintuigen.

Balak klinkt het in de medina uit honderden monden. Pas op! Voor pakezels, loopfietsen en kruiers met manden op hun hoofd. Gelijktijdig wurmen ze zich over de bijna tienduizenden trappetjes, doorgangen, bruggetjes, straten en steegjes. Waar ze heen gaan, is onduidelijk. Want wat ligt er achter dat poortje aan het einde van dat doodlopend straatje? En waar leidt dat overdekte steegje van nauwelijks enkele decimeters breed naar toe?

In de identieke, bruine straten is een blinde in het voordeel, zich oriënterend aan het vleugje munt en koriander bij die splitsing of een bloedende schapenkop vlak voor de brug. Elk straatje heeft zijn unieke aroma van bloemen, verf, zweet, gelooid leer, warm brood, urine, kolenvuurtjes, hout, honing, groenten, thee of koffie en af en toe zelfs een sigaret - eigenlijk alles, behalve alcohol dat nergens in de medina wordt geschonken.

Wat ook kan, is je mee laten voeren door geluiden: het getik van de metaalbewerkers, het neuriën van de kleermakers of het geschaaf van de timmerlieden. In werkplaatsen niet groter dan een forse paskamer werken ze in hun eigen wijkje, volgens hun eigen methodes geleerd van hun eigen grootvader. En die weer van hun grootvaders.

Het vinden van bezienswaardigheden is onbelangrijk. Het zoeken, daarin schuilt de magie van Fez. Veel valt er immers niet te zien aan bijvoorbeeld de Karaouinemoskee, gebouwd in 857 en daarmee de oudste moskee van Marokko. De massieve houten poort blijft gesloten voor niet-moslims, evenals de poorten van de overige zestig moskeeën, soms niet meer dan een forse gebedsruimte achter een winkel of woonhuis.

Maar wat moet het adembenemend mooi zijn, dat interieur van de Karaouinemoskee. Tijdens de heerschappij van de Meriniden, die Fez in de 12de en 13de eeuw opbouwden tot een glorieuze stad, is dit het religieuze centrum van Marokko en wijde omstreken.

Wél toegankelijk is de naastgelegen Madrassa de Attarine, een van de zeven studentenhuizen uit de 14de eeuw. Met de Karaouinemoskee is het een hoogtepunt uit de Marokkaanse bouwkunst. Tot zo'n dertig jaar geleden sliepen nog jonge pelgrims in deze madrassa. Hun koranstudie volgden ze aan de Karaouinemoskee. Nu is de Madrassa de Attarine gerestaureerd en als enig religieus gebouw in Fez open voor niet-moslims.

De toegangsdeur met verfijnd, maar weelderig houtsnijwerk heeft honderden gaatjes waardoor het zonlicht in kleine bundels op de binnenplaats valt. In de muren loopt een baan van zwart marmer met in wit steen verzen uit de koran. De pilaren zijn voorzien van arabesken, zo gedetailleerd dat de aanblik je duizelig maakt. De mozaïeken hebben geometrische patronen die samenvloeien in één centraal punt - zoals ook alles begint en eindigt bij Allah.

Gesticht in 809 door de zoon van de Marokkaanse vader des vaderlands, Moulay Idriss, is Fez een van de oudste steden van de Mahgreb, de westelijke punt van Noord-Afrika. En met haar madrassa's en moskeeën, haar imposante stadsmuren en haar kundige ambachtslieden en enorme pakhuizen was Fez eeuwenlang het centrum van de economische, religieuze en militaire macht.

Wás. Want macht en invloed heeft Fez nog amper, al behoren haar inwoners nog steeds tot de bestuurlijke elite van Marokko.

Het verval van Fez begint met het Franse protectoraat in 1912 wanneer de regering naar Rabat verhuist. De eerste gouverneur roept de medina bij het zien ter plekke uit tot monument. Een nieuw, modern Fez moet slechts enkele kilometers verderop verrijzen. Deze Ville Nouvelle heeft brede boulevards en groene lanen. Hier domineert niet het bruin, maar het rood van de lichtreclames en het blauw van de jeugd in jeans.

N

egentig jaar later wordt de medina van Fez weer uitgeroepen tot monument, dit keer door de Unesco, die het op de lijst van Werelderfgoed zet. De 200 duizend inwoners worden veroordeeld te leven in een stad waar de 21ste eeuw niet mag bestaan. De rieten schermen tegen de zon boven de straten zijn bezaaid met halfvolle vuilniszakken en andere troep. Een fatsoenlijke vuilnisdienst is onmogelijk in de smalle straatjes. De elektriciteitsdraden hangen als dorre takken langs de muren, soms levensgevaarlijk met elkaar verbonden. Maar wegwerken in de modderige straten kan niet.

Schrijnend zijn de werkomstandigheden in de leerlooierij, uitgerekend hét toeristische hoogtepunt van Fez. Via een ingenieus irrigatiesysteem stroomt water uit de ramen van de omliggende huizen naar de ruim honderd stenen tonnen. Door mannen met blote benen wordt het daar vermengd met verf of het ammoniak-rijke duivenpoep, dat wordt gebruikt om het leer te looien. Vandaar stroomt het verontreinigde water uiteindelijk naar de Oued Fez, de bruine rivier die als een stinkend open riool door de stad kolkt.

Als kleurige stipjes in de bruine omgeving kijken de toeristen vanaf de huizen naar dit levende Unesco-monument. Met bossen munt voor hun neus tegen de stank zijn ze zelfs geen toeschouwers meer. Ze zijn voyeurs.

Slechts één groep buitenstaanders heeft zich door de eeuwen kunnen handhaven in Fez: de joden. Enerzijds werden ze in bescherming genomen - de joodse wijk of mellah ligt niet voor niets naast het koninklijke paleis. Tijdens de Tweede Wereldoorlog weigerde koning Mohammed V een lijst van alle joden in Marokko te overleggen aan het Franse Vichy-bewind. Maar tegelijkertijd kregen joden ook vernederende restricties opgelegd, zoals het verbod schoenen te dragen buiten de mellah - een verbod dat pas begin 20ste eeuw wordt afgeschaft.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog telt Fez bijna 150 duizend joden, de grootste joodse gemeenschap van de Arabische wereld. Slechts 120 joden zijn er over, en die wonen zonder uitzondering in luxe woonhuizen in de Ville Nouvelle. De meesten trokken weg na de Marokkaanse onafhankelijkheid in 1956. Maar in de mellah staan nog steeds de gele huisjes van hun voorvaderen. Met de rode dakpannen en Franse balkons voor lange ramen met groen sierwerk van gietijzer vallen ze op tussen de sombere, gesloten woonhuizen van de Arabieren.

Zoals op alle plekken waar joden eens zo talrijk waren, hangt een melancholieke sfeer van vergankelijkheid in de mellah. In een doodlopend achterafsteegje ligt de synagoge Aben Danan. Het exacte bouwjaar is niet meer te achterhalen. Voor de deur post een agent. De deur is op slot, de beheerder onvindbaar. Bezoek komt hier zelden.

Pas na twintig minuten komt een kind aangelopen met aan zijn hand een oude Arabische man, de beheerder. Van binnen lijkt het alsof de sjoel gisteren nog werd gebruikt. In een houten kast staat zelfs een Thora-rol, 'driehonderd jaar oud', aldus de beheerder. Brutaal neemt hij de rol uit de kast. Of we de Thora willen vasthouden, vraagt hij, onhandig goochelend met het Heilige Boek van de joden. Voor slechts een kleine bijdrage mag het.

Ooit telde Fez dertig synagogen. Slechts twee zijn er over. Op de joodse begraafplaats staat Em Habanim, inmiddels omgebouwd tot museum. Om een idee te geven hoe het leven was in de mellah, liggen schoolrapportjes, paspoorten, familiefoto's en snuisterijen van voormalige joodse bewoners uitgestald op tafeltjes. Aan de muren hangen foto's. Alles in deze stoffige synagoge ademt de naargeestige sfeer uit van een holocaust-museum.

Buiten, op de meer dan vijfhonderd jaar oude begraafplaats liggen ruim twaalfduizend lichamen. Het is al meer dan een generatie geleden dat de laatste jood hier werd begraven. Uiteindelijk waren ook de joden in Fez slechts toeschouwers.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden