Met tulpen de indianen tegemoet

Door Peter BrusseHet begon met het lezen van de boeken van Karl May, en eindigde met tweejaarlijkse bezoeken aan de indianen....

Maria van Kints, op 2 april op 94-jarige leeftijd overleden, was de Rotterdamse huisvrouw en moeder van zeven kinderen die op haar 50ste de onstuitbare aandrang kreeg om naar de indianen in Amerika te gaan. Ze verliet het gezin en kwam na twee maanden herboren terug: ze had haar roeping gevonden.

De rest van haar leven zou ze wijden aan het welzijn van de indiaanse mens. Ze richtte de actiegroep, later de stichting NANAI op, schreef brieven, petities en boeken; gaf lezingen en veranderde haar huis in een museum vol vredespijpen, strijdbijlen, foto’s en kralen. Maar zelf weigerde ze de verentooi op te zetten. Ze bleef, zoals zij zei, de gewone Hollandse ‘stamppotindiaan’ met een keurig permanentje.

Ze werd in Rotterdam geboren. Haar vader was zeeman op de grote vaart. Hij stierf jong. Haar moeder, een echte zakenvrouw, dreef een chocolateriewinkel en zorgde voor het gezin van vijf dochters en evenveel pleegkinderen. Maria, de middelste, was al op haar 14de filiaalhoudster van Jamin. Toen ze klaagde over een onaardige winkeljuffrouw, zei haar moeder: ‘Nou dan ontsla je haar toch’. En dat deed ze, 14 jaar oud.

Maria was niet voor een kleintje vervaard. Ze was zelfstandig en trouwde pas na de Tweede Wereldoorlog, op haar 33ste. Haar man was drukker bij het Rotterdams Nieuwsblad. Ze kregen drie kinderen en als vanzelfsprekend nog eens vier pleegkinderen.

Als jong meisje had ze de boeken van Karl May over Winnetou en Old Shatterland verslonden. Pas jaren later ontdekte ze dat indianen echt bestonden, maar haar aandacht verslapte. Toen de kinderen naar de middelbare school gingen, kwam het enthousiasme terug. Ze werd lid van KIVA, de club van Karl May-vrienden, en las de Navajo Times, de krant van de Navajo indianen. Er was geen houden meer aan. Ze zou en moest die kant op.

Om de reis te betalen, nam ze een baan als verkoopster; haar man ging overwerken. Via een advertentie vond ze ‘een dame’ die meewilde. In 1966 vertrokken ze, ze vlogen naar New York en reisden per Greyhoundbus naar de Navajo’s en daarna naar de Sioux in het Pine Ridge reservaat. Ze spraken nauwelijks Engels en werden met argwaan begroet, maar Maria hield vol. Terug in Rotterdam zei Maria: ‘Als er zoiets als reïncarnatie bestaat, ben ik vroeger een indiaan geweest.’

Twee jaar later ging ze weer; met haar zoon Leo, die van cowboys hield, niet van indianen. Ze reden in een auto met wapperende Nederlandse vlag en beplakt met tulpen en boerinnetjes. Indianen bleken gewone, eerlijke mensen te zijn, die in armoe en ellende moesten leven. Dat zou ze in Nederland vertellen.

Tot haar 85ste ging zij ieder jaar haar nieuwe vrienden opzoeken. Zij adopteerde een Mohawk en werd zelf opgenomen door het volk van de Lakota. Ze zamelde geld in voor scholen en klinieken en steunde de indianen die in Wounded Knee in opstand kwamen. De televisie schuwde ze niet, ze kwam bij Sonja, maar wilde niet naar de brutale Paul de Leeuw. Nog in 1999 schreef zij De indiaan bestaat niet, waarin zij vaststelde dat indiaanse volken wél bestaan, en strijden voor een betere toekomst. Volgens indiaans ritueel is zij in Rotterdam begraven. Vanuit een flat in Almere zetten haar zoon Leo en zijn indiaanse vrouw haar werk voort.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.