'Met ons schrijdt de nieuwe tijd'

Stevige wandelingen, schallende liederen, en dansen op de klanken van blokfluit en mandoline. Bij de Arbeiders Jeugd Centrale werd na de Eerste Wereldoorlog de 'nieuwe mens' gevormd....

IN JULI 1922 trekken vijfentwintig jonge socialisten, bepakt met zware rugzakken, naar Vierhouten op de Veluwe om er een weekje te kamperen. Op zich niets bijzonders, zou je zeggen, maar het wordt een historische week. In die week wordt de basis gelegd voor een nieuw type jeugdcultuur dat tot ver in de eeuw zal doorwerken.

De vijfentwintig zijn lid van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), de belangrijkste socialistische jongerenorganisatie, die vier jaar eerder was opgericht. Ze slapen - jongens en meisjes apart - in twee grote, ronde zestien-persoonstenten en gaan, althans de jongens, bij voorkeur gekleed in manchester kledij. Zij brengen de dag door met stevige wandelingen, waarbij de liederen luid door de vrije natuur schallen. Op het kampeerterrein wordt gedanst op de klanken van blokfluit en mandoline. Er wordt niet gerookt en niet gedronken.

'De nieuwe wereld vraagt de nieuwe mens', schrijft AJC-voorzitter Koos Vorrink later in zijn voorwoord van het boekje Onze Paasheuvel, waarin de deelnemers geestdriftig verslag doen van hun belevenissen. Om er direct aan toe te voegen: 'En de nieuwe mens, dat is de gemeenschapsmens.' Het boekje is vormgegeven door een 19-jarige Amsterdamse AJC'ster, Fré Cohen, die een grote toekomst als grafisch ontwerpster voor zich heeft en direct een stijl introduceert die lang karakteristiek blijft voor de AJC.

'Het is merkbaar dat in het boekje jonge mensen aan het woord zijn die zojuist een diep in hun leven ingrijpende ervaring hadden opgedaan', schrijft Jan Meilof in Een wereld licht en vrij - Het culturele werk van de AJC 1918-1959. 'Tijdens een leuk kampeeravontuur op de Paasheuvel ontdekten ze een nieuwe, lichte en vrije wereld. Een cultuurschok.' Op dit kampeerweekje volgen er nog vele in AJC-verband. Het terrein, waar in 1923 het 'makkerhuis' De Paasheuvel wordt gebouwd, wordt een centraal trefpunt voor de socialistische jongerenbeweging.

Over de geschiedenis van de AJC, die in februari 1959 werd opgeheven, is al veel geschreven. Oud-burgemeester van Rotterdam André van der Louw publiceerde in 1974 zijn herinneringen in Rood als je hart. De historici Leo Hartveld, Frits de Jong Edz. en Dries Kuperus presenteerden in 1982 De Arbeiders Jeugd Centrale. In 1985 verscheen De AJC. . . dat waren wij met interviews met oud-AJC'ers, samengesteld door Jan Meilof, Rie Spanjer en Jan de Groot. De onderzoekster Geertje Marianne Naarden publiceerde in 1989 Onze jeugd behoort de morgen. . . over de AJC tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Met het lijvige en overvloedig geïllustreerde Een wereld licht en vrij heeft Meilof, zelf oud-AJC'er, nu een bijzondere studie aan dit rijtje toegevoegd. Hij werkte bijna tien jaar aan zijn onderzoek en sprak met vele oud-AJC'ers. Het resultaat is een breed opgezet overzicht van waar het in de AJC allemaal om draaide: het culturele werk. Het geeft een rijk geschakeerd beeld van het leven in de AJC, 'die merkwaardige vereniging, die een blijvende bindende kracht op haar leden lijkt uit te oefenen - veertig jaar na haar opheffing nog', zoals Meilof in zijn Woord vooraf schrijft.

Meilof brengt in het tweede gedeelte van zijn boek met veel oog voor details het hele culturele werk van de AJC in kaart: zang, dans, toneel, sport en spel, wandelen, kleding, woninginrichting, feesten. Maar zijn studie biedt meer. In een boeiend eerste gedeelte gaat hij diep in op de wortels van de AJC in de negentiende, begin twintigste eeuw. Hij laat op overtuigende wijze zien waar het gedachtegoed vandaan kwam en door wie de voormannen van de AJC zich lieten inspireren.

Over de AJC is door de jaren heen vaak badinerend gedaan. Het beeld van dansende en zingende ('De Wielewaal') jongens en meisjes, vaak met geitenwollen sokken en sandalen, riep bij menigeen de lachlust op. De socialistische jongeren hielden er een heel eigen cultuur op na, die uitnodigde tot spotternijen. Maar achter alle uiterlijkheden ging een heilig geloof schuil. De AJC gaf op eigen wijze vorm aan het idealistische vooruitgangsidee van de nieuwe mens in de nieuwe tijd.

De kiem voor de AJC werd gelegd tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen de westerse wereld werd geconfronteerd met zinloze verschrikkingen. Bevlogen onderwijzers stonden aan de wieg. Zij zagen in de schoolpraktijk van alledag met eigen ogen hoe de maatschappij in elkaar zat. Vooral de Rijkskweekschool in Haarlem was een verzamelplaats van gedreven socialistische jongeren. Theo Thijssen leerde daar het vak, evenals Cor Bruijn, schrijver van Sil, de strandjutter en later hoofd van de idealistische Humanitaire School in Laren, Wim Banning, de latere voorzitter van de Woodbrookers, en vooraanstaande AJC'ers als Piet Tiggers en Koos Vorrink.

De school ging door het leven onder de bijnaam de BAK, eigenlijk de naam van de kwekelingenclub: Blijft Altijd Krachtig. De socialistische onderwijzers in spe verhieven deze woorden tot hun levensmotto. De meesten sloten zich aan bij de Jongelieden Geheelonthouders Bond, die in 1912 in Haarlem werd opgericht. Een voorman verwoordde het ideaal als 'een heilige begeerte (. . .) om wegbereider te worden voor een nieuw tijdperk in het volksbestaan, waarin een nieuw, nuchter, natuurlijk, maar ook overigens sober, ruimdenkend en idealisties volk de plaats in zal gaan nemen van de oude generaties'.

De jonge socialisten gingen op zoek naar de nieuwe mens niet zozeer met behulp van politieke strijdmiddelen als wel met nieuwe cultuurvormen om zich te bevrijden van de heersende burgerlijke cultuur. Vrijheid, optimisme en saamhorigheid waren de kernbegrippen van een beweging die later 'cultuursocialisme' is gaan heten. Culturele vorming van de arbeidersjeugd in de meest brede betekenis kreeg een eigen en gerespecteerde plaats in de emancipatiestrijd van de socialisten.

Een van de drijvende krachten achter de oprichting van de AJC was de Amsterdamse onderwijzer en leraar Duits van Brabantse komaf Piet Voogd. Hij werd niet moe te benadrukken dat goed georganiseerd en goed geleid socialistisch jeugdwerk van levensbelang was voor de moderne arbeidersbeweging. Zijn doel was te komen tot een 'cultuurbeweging'. Toen de AJC in maart 1918 was opgericht, werd hij de uitvoerende 'regelneef' met een vast kantoor aan de Reguliersgracht in Amsterdam.

Voogd haalde zijn inspiratie voor een deel uit de activiteiten van jonge Duitse socialisten, die na de Eerste Wereldoorlog ook de weg van het cultuursocialisme waren ingeslagen: veel zang, veel dans, veel feesten op de speelweide. Na een bezoek aan Duitsland trakteerde hij als rechtgeaard leraar Duits de AJC op enkele vertaalde liederen. 'Dem Morgenrot entgegen' werd bij hem 'Het morgenrood tegemoet', 'Wir sind jung und das ist schön' werd 'Wij zijn jong en dat is schoon', en 'Mit uns zieht die neue Zeit' werd 'Met ons schrijdt de nieuwe tijd'.

De grote man en gangmaker van de AJC werd de charismatische Koos Vorrink. Hij was een 'overstelpend man', zoals Edgar du Perron later in een brief aan Menno ter Braak het zou formuleren, die met grote kracht en bezieling de ene toespraak na de andere hield. Ook zijn teksten klonken vaak als toespraken. Meilof na het citeren van een fragment uit een stuk van Vorrink: 'Iedereen die Koos weleens heeft horen spreken en die hier en daar in bovenstaand fragment het woord kameraden! inlast, hóórt hoe die tekst geklonken moet hebben.'

Vorrink straalde een grote zelfverzekerdheid uit, een eigenschap die hij gemeen had met Wim Banning. Niet iedereen was even gecharmeerd van zijn optreden, dat nogal eens overkwam als hautain en arrogant. Zo zei oud-AJC'ster An Thomassen een keer over Banning: '. . .dan gooide hij zijn kuif in de lucht en dan kwam er een woordenstroom die je platsloeg. Mijn vriendin Anneke van der Goes van Naters-van der Plaats en ik konden wel op hem spugen. Maar ik geef toe, hij was niet zo erg als Koos Vorrink. Die sloeg alles.'

Meilof gaat uitvoerig in op de inspiratiebronnen van de jonge AJC. De belangrijkste wortels liggen uiteraard in de socialistische beweging, en dan in het bijzonder in de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP), 'een jonge, inspirerende partij'. Vooral het optreden van de socialistische leidsman Pieter Jelles Troelstra moet, veronderstelt hij, veel jongeren hebben aangesproken. 'Troelstra had groot respect afgedwongen in de Hogerhuiszaak en was een begenadigd spreker.'

Het socialisme dat Troelstra voorstond, was niet dat van de revolutionaire Karl Marx (hoewel hij in 1918 even van zijn geloof viel en kortstondig de revolutie predikte), maar dat van Eduard Bernstein, die meer koos voor de geleidelijke weg (revisionisme). Onder veel geruzie werd dat de koers van de SDAP, waaruit later de Partij van de Arbeid is voortgekomen. De politieke idealen stonden allemaal in het teken van een streven naar een betere wereld, waarin armoede en uitbuiting waren uitgebannen.

Een tweede inspiratiebron vormde het utopistische gedachtegoed, dat in de negentiende eeuw wortel had geschoten. In Nederland werd de Internationale Broederschap op Tolstojaanse Grondslag, die in 1892 werd opgericht, een belangrijke factor. De beweging was gegrondvest op de ideeën van de Russische schrijver en moraalfilosoof Tolstoj. De aanhangers van deze beweging waren zeer idealistisch. Ze predikten de volledige onbaatzuchtigheid, waren vegetariërs, droegen reformkleding, rookten en dronken niet, en propageerden dienstweigering.

In 1899 werd een op tolstojaanse leest geschoeide kolonie gesticht in Blaricum. De dorpelingen moesten niet veel hebben van die 'rare' kolonisten in hun reformkleding en op hun sandalen of blote voeten, en scholden ze uit voor 'naaktlopers'. Ook op andere plaatsen werden utopistische kolonies gesticht. De Humanitaire School van Cor Bruijn in Laren ging eveneens uit van tolstojaanse beginselen. Walden, gesticht door de schrijver Frederik van Eeden, had een religieus getint socialisme als grondslag. 'De kolonie is een daad van socialisme', was zijn devies. 'Wij brengen de kameraadschap in ons bestaan.'

Schoonheidsbeleving stond in de AJC bij veel activiteiten voorop. De AJC'ers lieten zich daarbij vooral leiden door de ideeën van de Engelse socialist en kunstenaar William Morris, die als een van de grondleggers van het cultuursocialisme kan worden beschouwd. Hij begon in 1861 een winkel met decoratieve kunst: glas- en aardewerk, stoffen, eenvoudige kunstvoorwerpen. Meilof: 'Hij achtte het de taak van de kunstenaar om de mens tot een nieuwe levensstijl op te voeden door hem te omringen met goedgevormde, stijlvolle dingen.'

Ook de Art Nouveau- of Jugendstil-beweging had veel invloed. Meilof: 'Met haar symbolisme, haar subjectieve kleurgebruik, haar vloeiende golfbeweging van bloemranken, rookslierten en vrouwenhaar, haar versierende karakter, vertegenwoordigde de Art Nouveau precies de sfeer rond de eeuwwisseling. Natuurlijk zien we er, door haar weke krullerigheid, de vormgeving in van de kwijnende decadentie van het fin de siècle. Maar daarnaast zijn er de natuurmotieven om aan de harde eisen van de industrialisatie te ontsnappen. En vooral is er het jeugdig elan om zich te bevrijden uit de kluisters der burgerlijkheid.'

Een opmerkelijke inspiratiebron die Meilof ten slotte noemt, is de filosoof Friedrich Nietzsche. Van hem hebben de AJC'ers vooral het antiburgerlijke geërfd. 'Hij vertegenwoordigde het irrationalisme en onvoorspelbare, verwoordde het opkomende verzet tegen de conventie van de burgerij en tegen overwaardering van de rede, daagde zijn lezers uit om rebel te zijn, hun eigen normen en waarden te scheppen, dwars tegen de gangbare moraal van de Verlichting in.'

Het jaar 1900 was de opmaat naar een nieuwe eeuw waarin de socialistische beweging vaste grond onder de voeten zou krijgen, mede dankzij de activiteiten van de AJC. Een paar gebeurtenissen uit dat jaar getuigen daarvan. Op 2 april verscheen voor de eerste keer het Dagblad voor de Arbeiderspartij Het Volk. Een redacteur van de krant vertaalde direct het boek van Bernstein uit 1899, waarin deze zijn revisionistische visie uiteenzette. Henriëtte Roland Holst vertaalde het internationale strijdlied De Internationale uit het Frans. Op kerstavond ging Op hoop van zegen van Herman Heijermans in Amsterdam in première.

Maar voor de latere AJC was misschien nog wel de belangrijkste gebeurtenis van dat jaar: de schepping van het strijdlied Morgenrood door Dirk Troelstra en Otto de Nobel.

Morgenrood, uw heilig gloeien

Heeft ons steeds den dag gebracht;

Breek toch door, o lichtvernieuwer,

In den grooten volk'rennacht.

Laat uw gloren hope geven

Hun die worst'len in den nacht;

Geeft hun moed in 't voorwaarts

streven

Tot hun 't daglicht tegenlacht.

Want zingen, dat deden ze graag bij de AJC. Wie had het daar over Niet Nix?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.