Met onbekende herbestemming

De bouwcrisis lijkt een zegen voor oude, leegstaande complexen. Die kunnen worden gered door ze een nieuwe bestemming te geven. Maar de weg ernaartoe is grillig en zonder inzet van een bevlogen enkeling lukt het niet.

Op 13 mei 2008 woedt in Delft een felle brand die de hele faculteitstoren van Bouwkunde verwoest. Een groot verlies, dat echter onmiddellijk wordt verzacht. Want de as is nog niet geruimd of minister Plasterk belooft al dat er iets nog veel mooiers voor in de plaats zal komen. Hij zegt het stoer, in politiek cliché: een icoon voor de Nederlandse architectuur.


Het mocht niet zo zijn. Vier maanden later viel in de Verenigde Staten een bank om. Na dit failliet van Lehman Brothers was niets in de bouwwereld meer als daarvoor. De degelijke nieuwbouwtrein - die trots van bouwend Nederland - kwam plotseling vrijwel tot stilstand. Veel architecten waren in mei 2008 nog zeker van hun veilige bestemmingen vol gouden bergen. Diezelfde herfst stonden ze, uitgerangeerd, in onbekend gebied waar nauwelijks nieuwbouw mogelijk was.


De oplossing die er kwam voor Delft, is tekenend. De oude scheikundefaculteit, uit 1915, stond leeg en een klaarliggend plan om het tot appartementen te verbouwen, werd op de lange baan geschoven. Een team van architectenbureaus, waaronder het beroemde MVRDV, bedacht in razend tempo een verbouwingsplan waarmee dit sombere Rijksmonument voor een tijdelijke faculteit geschikt werd gemaakt. De crisis greep steeds meer om zich heen en al vlug werd besloten dat het beloofde nieuwe 'icoon van de Nederlandse architectuur' nooit gebouwd zou worden. Bouwkunde blijft nu definitief in zijn 'tijdelijke' onderkomen.


De stand van de architectuur in Nederland is sinds 2008 grondig veranderd. Het is overal behelpen geblazen - maar tegelijkertijd gloort er hoop. Overal komen gebouwen leeg te staan en die zouden weleens de kans bij uitstek kunnen bieden de bouwwereld er weer bovenop te helpen.


In de jongste Nota Architectuurbeleid, uit 2009, is 'het bevorderen van herbestemming en herontwikkeling van waardevolle gebouwen en gebieden' het speerpunt. Met grote ijver zet vooral de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort zich hiervoor in. In juni 2010 is vanuit deze dienst het Nationaal Programma Herbestemming opgericht, met als doel iedereen die met herbestemming te maken heeft, te ondersteunen.


De eerste resultaten worden deze maand gepresenteerd. Allereerst is er sinds kort de site herbestemming.nl. Betrokkenen kunnen hier een beroep doen op een vliegende brigade van ervaringsdeskundigen, een quickscan doorlopen voor de Europese regelgeving, allerlei voorbeeldprojecten bestuderen en achterhalen waar wellicht subsidie te halen valt.


De tweede mijlpaal is het boek Herbestemming in Nederland dat op 4 september verscheen. Het is geschreven door Marinke Steenhuis en Paul Meurs, bekende adviseurs op gebied van cultuur- en architectuurhistorie, die 25 succesvolle projecten hebben gebundeld. Met het boek laten ze zien dat het herbestemmen van oude gebouwen een eervolle opdracht is, ook voor ambitieuze architecten.


Daar zijn toppers bij, zoals de Van Nellefabriek (1930) in Rotterdam, die vanaf 2004 door architect Wessel de Jong werd verbouwd tot bruisende werkplaats voor creatievelingen. Maar de auteurs zijn ook afgereisd naar Veenhuizen, Noord-Drenthe, waar het oude heropvoedingsgesticht door Oving Architecten werd omgetoverd tot een succesvol Nationaal Gevangenismuseum. Inspirerend is ook hoe de tientallen bunkers en forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (1815-1885) zijn teruggegeven aan de samenleving - al is het maar door een oude bunker te doorklieven voor een wandelpad.


Al die aandacht voor herbestemming is toe te juichen. Wie de levendigheid in al die opgeknapte gebouwen ziet, begrijpt meteen hoe heilzaam het is als historie in een nieuwe setting voortleeft. Maar de manier waarop herbestemming nu wordt gepromoot, is te optimistisch.


Zeker: leegstaande, verpieterende bouwwerken zijn er juist in crisistijd meer dan voldoende. Zeven miljoen vierkante meter kantoorruimte staat leeg, 40 duizend etages boven winkels worden niet gebruikt. Defensie stoot terreinen en kazernes af, kerken komen massaal leeg te staan en overal in het land verliezen fabrieksterreinen, havengebieden en agrarische bouwwerken hun functie.


Al die leeggekomen gebouwen schreeuwen inderdaad om hergebruik. Maar voor zoiets mogelijk is, moeten telkens grote obstakels worden weggenomen. Veel gebouwen lenen zich simpelweg niet voor herbestemming; neem alleen al de lelijke kantoren en verwaarloosde bedrijfsgebouwen. En dan is er nog algeheel gebrek aan geld. Juist de mooiste projecten in het boek van Steenhuis en Meurs zijn gerealiseerd in betere tijden. Er was royale steun van veel instanties die tegenwoordig noodlijdend zijn, zoals Monumentenzorg.


Trouwens: zelfs in de gloriedagen viel herbestemming vaak niet mee. Tegenover elk gespaard industrieel of kerkelijk monument kun je gemakkelijk een veelvoud vinden aan mooie oude bouwwerken die het niet hebben gehaald. Steevast wisten ontwikkelaars voor te rekenen dat sloop en nieuwbouw goedkoper was dan grondige verbouw. De kansen zijn er sinds 2008 beslist niet beter op geworden.


Wie echt wil begrijpen wat er allemaal komt kijken bij herbestemming kan daarom beter een ander boek lezen dat net is uitgekomen: Creatieve fabrieken, geschreven door Vera Cerutti, die zich al jarenlang als kleine zelfstandige met 'onderzoek, advies en management van ruimtelijke processen' bezighoudt.


Cerutti selecteerde slechts tien fabrieken, waarvan ze het proces van herbestemming uitvoerig heeft beschreven. Dat mondde uit in een betoog waarin Cerutti de waarde toont van herbestemmen, maar ook laat zien dat dit om een grote omslag in het denken vraagt, zowel bij overheden als bij architecten.


Cerutti's doel was niet zozeer om herbestemming te propageren. Ze werkte niet voor een rijksdienst maar voor zichzelf. Dat werk begon, naar eigen zeggen, met een speurtocht naar wat nu toch de essentie zou kunnen zijn van de 'kracht en schoonheid van vervallen fabriekscomplexen'.


Waar het boek van Steenhuis en Meurs vooral fraaie eindresultaten toont, neemt Cerutti de lezer mee langs alle kronkelwegen die leiden naar geslaagde projecten. De taaie worstelingen, de slimme vondsten, de wonderlijke ontdekkingen, de smeuïge verhalen. Anders ook dan Steenhuis en Meurs beweegt Cerutti zich daarbij buiten de landsgrenzen: het Rurhgebied in Duitsland (waar O.M.A. werkte) en kunstdistrict 798 in Peking.


Een goede herbestemming wordt zelden van bovenaf geregeld, aldus Cerutti. Het begint steevast met een paar bevlogen enkelingen, die eindeloos door zo'n verlaten complex lopen om het te ontdekken en te proeven. Pas veel later kan men gaan bedenken wat er eventueel allemaal kan. En dan nog. Vaak wordt een project pas levensvatbaar nadat er eerst allerlei tijdelijke bestemmingen zijn geweest. Met vallen en opstaan, via proberen en ontdekken, kan dan langzaamaan steeds beter zicht ontstaan op wie wat wil en wat er mogelijk is.


En telkens weer zijn er dan bevlogen ideeënmakers nodig, die zorgen voor een breder draagvlak. Mensen die op alle niveaus medestanders weten te winnen, die blaken van passie en bovendien begiftigd zijn met een lange adem.


Eén project komt in beide boeken aan bod: de DRU-fabrieken in het Overijsselse dorpje Ulft (DRU staat voor Diepenbrock en Reigers te Ulft). Het verschil in beschrijving is onthutsend. Steenhuis en Meurs beschrijven kort hoe opdrachtgever BOEi (de Nationale Maatschappij tot Behoud, ontwikkeling en Exploitatie van Industrieel Erfgoed) hier eige-naar en aanjager was van zowel de fraaie restauratie als het zeer succesvolle nieuwe gebruik. De oude fabrieken zijn nu de basis voor het 'DRU Industriepark': een veelzijdig cultureel geheel met poppodium, theater, bibliotheek en allerlei kunstactiviteiten, dat nu al een landelijke trekpleister is.


Bij Cerutti vind je alle verhalen hierachter. Te beginnen met het gegeven waarom die fabrieken voor Ulft zo belangrijk zijn: uit elke familie hebben hier wel telgen gewerkt. Nadat de fabriek in 2003 is gesloten, verzet de dorpsbevolking zich tegen sloop. Maar vooral één wethouder, John Haverdil, maakt werkelijk verschil. Hij wordt 'verliefd' op het industrieel complex en gaat in het Ruhrgebied kijken hoe je zoiets kunt behouden. Dat brengt hem op het idee om, vergelijkbaar aan het Duitse voorbeeld, hier een cultuurpark te maken.


Haverdil groeit uit tot de onvermoeibare 'trekker' van dat plan, die samenwerkingspartners en geldbronnen vindt en morele steun en praktische hulp verzamelt bij alle dorpelingen. Hij vindt ook een ontwikkelaar (Bouwfonds), die er echter uitstapt als de grond blijkt te moeten worden gesaneerd. Pas dan, na zes jaar inspanning, komt BOEi op het toneel - de uiteindelijke redder die bij Steenhuis en Meurs vrijwel als enige wordt genoemd.


Een dergelijk ingewikkeld proces komt bij herbestemming vaak voor. Beter: dit soort opgaven is haast in geen enkel opzicht te vergelijken met nieuwbouw. Maar ze kunnen ook veel extra's bieden, waarop bij nieuwbouw alleen geen kansen zijn. Het geldt niet voor alle leegstaande kantoorkolossen.


Maar oude kazernes, lege kerken, verlaten scholen - die hebben dikwijls kwaliteiten zoals die ook in de fabrieken van Cerutti zichtbaar zijn. Hoge ruimten die vrijheid doen voelen, rijke details die de liefde voor het ambacht terugbrengen, onorthodoxe ruimtes die tot allerlei wonderlijke invullingen uitdagen. Slimme oplossingen die tot grote aandacht leiden voor het maakproces.


Meer nog dan Steenhuis en Meurs toont Cerutti aan dat hergebruik inderdaad een uitkomst kan zijn voor Nederlandse architecten. Maar dan niet zozeer als kans om rap weer aan veel werk te komen. Dit soort projecten biedt hen veeleer een handreiking, een mogelijkheid, om na al de jaren van tomeloze bouwdrift terug te keren naar de kern van het vak.


In rijke tijden hebben architecten zich vaak losgezongen uit de bouwpraktijk. Hun hemelbestormende concepten werden door technici in bouwbare plannen omgezet terwijl zijzelf alweer in het vliegtuig zaten om in verre streken hun concepten aan de man te brengen. Herbestemming is andere koek. Daarvoor moet je terug naar het ambacht, en naar de voeten op het grind. Je moet 'luisteren' naar wat er al staat, én naar de mensen die er toe doen.


Zo bezien kan een nieuwe nadruk op hergebruik inderdaad een uitweg bieden uit de malaise. Verwacht vooral geen snel resultaat en geloof ook niet in financiële wonderen: het vraagt nog altijd investeringen. Wel win je er iets belangrijkers mee. Cultuurbehoud.


Marinke Steenhuis en Paul Meurs: Herbestemming in Nederland, nieuw gebruik van stad en land. NAi Uitgevers, Rotterdam i.s.m. Nationaal Programma Herbestemming, september 2011. ISBN 978 90 5662 8291. € 24,50

Vera Cerutti: Creatieve fabrieken. Waardecreatie met herbestemming van industrieel erfgoed. C2Publishing, Utrecht, september 2011. ISBN 978 90 8176 6302. € 27,40

----------------------------


Weerbarstige praktijk

In Creatieve fabrieken geeft Vera Cerutti een uitvoerige beschrijving van de herbestemming van tien fabrieken in Nederland en het buitenland. Het boek toont de taaie worstelingen, de slimme vondsten, de wonderlijke ontdekkingen, de smeuïge verhalen op weg naar iets ouds nieuws.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden