Met lange slagen naar de einder

Met de kunst van het essay blijft het schaatsen op dun ijs in de Nederlandse literaire bladen. O, men dùrft wel....

WILLEM KUIPERS

Een koene Hollander als Robert Anker laat zich door zulke angsten niet uit het veld slaan. Hij neemt, net als Willem Jan Otten, Tomas Lieske en Gemma Nefkens afscheid van de redactie - ze worden hoffelijk uitgeluid door Wouter van Oorschot - en nu trekt hij nog één keer de stoute schoenen aan voor zo'n adembenemende tocht waarop de Nederlandse essayist het patent heeft: dwars door de ganse kunst.

Geen klûnplaats doet hem versagen. Als een marathonschaatser op natuurijs koerst hij met lange slagen recht naar de einder, hoezeer het zwerk ook, in het zicht van de haven, verdonkert.

Het is, het zal niet verbazen, een heel lang essay dat Robert Anker aan dit nummer van Tirade bijdraagt. Het heet 'Aktuele eeuwigheid' en het gaat over. . . kunst en literatuur en wat dat is in deze postmoderne tijden. Het is ongelooflijk wat Anker allemaal overhoop haalt, maar in tegenstelling tot wat je zou verwachten - dat hij tenminste een páár spijkers op hun kop zou slaan - wordt zijn vertoog, naarmate het vordert, almaar mistiger.

Een citaat als voorbeeld van Ankers manier van beschouwen: 'Onder invloed van velerlei krachten, de Industriële Revolutie bijvoorbeeld, sloeg het bestaande wereldbeeld aan diggelen tegen onze toenemende scepsis en onder anderen kunstenaars kregen de kans, die zij hartstochtelijk grepen, om met behulp van de scherven een beeld te ontwerpen van hun allerindividueelste verhouding tot de werkelijkheid, wat derhalve een allerindividueelste vorm van expressie opleverde, die wezenlijk niet leek op die van anderen. Het nieuwe als uitvloeisel van de uiterste subjectiviteit, het eiland van het Zelf dat als entiteit nog nauwelijks ter discussie stond - ik kom daar nog op terug.'

Zo'n passage, die niet op zichzelf staat, behelst zoveel algemeenheden (en vaagheden) dat je van goeden huize moet zijn om te kunnen begrijpen wat de auteur wil zeggen. Dat hij erop terug komt, is aardig, maar ook dat helpt je niet veel verder.

De moeilijkheid waarvoor Anker zijn lezers plaatst, is dat hij in zevenmijlslaarzen door de geschiedenis, de kunst en de filosofie struikelt. Talloze 'termen' die hij hanteert ('kunst', 'literatuur', 'engagement', 'vorm', 'esthetiek', 'mystiek' zelfs) zijn filosofisch ingewikkelde puzzels (klûnplaatsen als het ware) die je in een betoog dat begrijpelijk wil zijn en vooral: betekenis wil overdragen, met de grootst mogelijke omzichtigheid moet benaderen. En dan nog!

Anker is geen filosoof. Hij schrijft (in Het Parool) nuchtere en verstandige recensies over pas verschenen Nederlandse literaire boeken en je zou zeggen: dat is al moeilijk genoeg. Maar kennelijk kruipt het bloed waar het niet gaan kan en dan krijg je zulke typische tijdschriften-essayistiek, waarover je even goed zou kunnen zwijgen, als ze niet een ernstig gebrek aan gedegen filosofische en historische kennis in neerlandistieke en kunsthistorische kring zou blootleggen.

In hetzelfde nummer van Tirade waagt ook Toine Moerbeek, die met George Moormann en Rogi Wieg de komende afleveringen van Tirade zal gaan maken, zich aan een soortement essay, over 'De Deense glimlach van Johannes Vermeer', maar dit opstel gaat alle (objectieve) perken zover te buiten dat je alleen nog kunt spreken van 'hobbyisme'. Moerbeek deed me heel erg denken aan een verzamelaar die op een overvolle rommelmarkt altijd weer iets van zijn gading vindt en voordat je het weet er zoet mee gaat zitten spelen. Dat heeft ontegenzeggelijk iets charmants, maar veel wijzer word je er niet van. Ik ben benieuwd hoe Tirade er mede door zijn toedoen zal gaan uitzien.

Verder is dit 'oude' nummer, met poëzie van onder anderen Leo Vroman, Elisabeth Eybers en vooral Willem Jan Otten ('Elf wakken'), beslist de moeite waard, zeker als je ook kennis neemt van 'Vier berichten uit het beestenkabinet' van Charlotte Mutsaers en het advies van Gerrit Krol aan de Nederlandse autochtonen om boeken te gaan lezen, hun vrouwen beter te behandelen en hun 'verouderde geloof' wat te 'moderniseren', om het voorzichtig weer te geven. Afschaffen dat geloof, bedoelt Krol vermoedelijk.

In het Hollands Maandblad met zijn recent verjongde redactie komen merkwaardigerwijs vooral ouderen aan het woord: Jan Pen over zijn 'schrijfdrift'; J. J. Peereboom over zijn naderende dood; Gerard van Emmerik over de verwijdering tussen twee oude vrienden en de dichter Jaap Harten. Hugo Brandt Corstius beziet de recensies die over Zionoco van Leon de Winter zijn geschreven en Max Pam haalt zijn gram bij staatssecretaris Nuis, die volgens hem de column doodverklaarde, nadat hij bij NRC Handelsblad als columnist was afgewezen.

De enige 'jongere' in dit gezelschap lijkt me de theoretische natuurkundige F. A. Muller. Hij is van 1962. Met een haast studentikoze opgewektheid breekt hij de status van de onaantastbare Stephen Hawking nagenoeg tot de grond toe af, wat mij de mop van de muis en de olifant te binnen bracht: 'Wat stampen we lekker'

En ja, mag je de zoon van Bolland, over wie Willem Otterspeer in Literatuur schreef, een Nieuwe Gids-auteur noemen (ik maakte er zelfs redacteur van)? Nee, vindt dr. Harry G. M. Prick, kenner van de Tachtigers en De Nieuwe Gids. Dat zeg je alleen als iemand heel lang in zo'n blad schrijft en dat was bij de jonge Bolland en De Nieuwe Gids niet het geval. Dan kun je de voormalige directeur van de BVD, Docters van Leeuwen, schrijft Prick, ook wel een Maatstaf-auteur noemen omdat hij ooit een paar keer aan dat blad bijdroeg.

Willem Kuipers

Tirade, november/december 1995, nr. 361, ¿ 25,-. Hollands Maandblad, 1996, nr. 1, ¿ 9,25.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden