Met knoeperds van handen en licht last van blozen

DAT WIJ IN een chaotisch universum leven, is misschien jammer, maar een feit. Die wanorde wordt in de eerste plaats veroorzaakt door de weinig systematische werking van ons raadselachtige brein, dat ons miljoenen malen per dag opzadelt met het rare verschijnsel dat associatie heet....

Piet Gerbrandy

Is dat leuk? Dat ligt eraan hoe je tegen de wereld aankijkt. In ieder geval heeft de mens tijdens zijn spectaculaire evolutie allerlei technieken ontwikkeld om de wereld minder onoverzichtelijk te maken. De voornaamste daarvan is ons vermogen informatie te zeven en te ordenen.

Schrijvers kunnen daarmee op twee manieren omgaan. Eeuwenlang is het gebruikelijk geweest in literaire teksten een eenheid na te streven die de werkelijkheid zelf niet bezit. Simplex et unum, zegt Horatius: eenvoudig en één. Pas in de twintigste eeuw werd ontdekt dat het mogelijk is de springerige aard van ons gedachteleven ook op papier na te bootsen. Het bekendste voorbeeld is uiteraard het laatste hoofdstuk van James Joyce's Ulysses. In de naoorlogse poëzie is dit zelfs een van de belangrijkste principes geworden. Eenheid is lange tijd uit geweest, al lijkt ze inmiddels weer in opkomst.

Astrid Lampe, die in 1997 met Rib debuteerde, heeft met haar nieuwe bundel De sok weer aan een sterk staaltje associatieve poëzie afgeleverd. In gedichten die een bladspiegel zonder enige regelmaat vertonen, worden steeds zeer ongelijksoortige mededelingen met elkaar verbonden. Nee, niet met elkaar verbonden, maar plompverloren naast elkaar gezet. Dat gaat bijvoorbeeld zo:

schoon maak je me niks

harde bruis

de nagelbloem verpotten, meer vraag ik je niet

het oomzeggerskind beleren beletten belazeren

chamois trekt onverlet rapalje aan

beschaafd een hand, meer vraag ik niet

de witte zuster genas de paarden al van stalkoorts

alles zijn interval

niks forceren

genadestoot

(primair wat zich opdringt nu):

genadetijd

Waar gaat dit over? Willen we dat eigenlijk wel weten? Is dit een tekst waarvan je opgewonden wordt zonder er iets van te begrijpen? Daarvoor gebeurt er toch te weinig. Wat Lampe doet is vergelijkbaar met de montagetechniek van Tonnus Oosterhoff, met dit verschil dat Oosterhoff geestig is en Lampe niet.

De vraag is hoe je dit soort associatieve poëzie moet lezen. De ene methode bestaat erin dat je je willoos laat meevoeren op een overtuigende stroom klanken en beelden, zonder je af te vragen waar het allemaal over gaat. De andere methode wil dat je ondanks alle chaos een eenheid reconstrueert. Bij Lampe is de kwaliteit van het taalmateriaal vaak niet, maar soms wel van dien aard dat je nauwelijks om betekenis verlegen zit. Dit zijn sterke regels: 'wie zou zo'n zanger met knoeperds van handen en licht last van/ blozen nu niet willen stalken krachtens zijn anklets?!' En dit ook:

werd je ooit als kikvors dan wel

pientere parelvisser het bos in

gestuurd? toch zing je los waar

men bot ving

Lampe zet vreemde, kennelijk moedwillig uit het woordenboek geplukte woorden als 'kalanderen' en 'kolbeitel' naast reclameslogans, populair Engels en kinderliedjes, ze schakelt van bargoens over op wetenschappelijk jargon, en grossiert in clichés van het type 'mooi maar waar laat je het?' Omdat het vaak net niet treffend of geestig genoeg is, is het moeilijk je erdoor te laten meeslepen.

De tweede methode, die uit chaos orde poogt te scheppen, biedt bij een aantal gedichten meer perspectief. Met andere woorden: we moeten toch proberen de gedichten als eenheid te interpreteren. Zo zijn er nogal wat gedichten die het proces van informatie verwerken als thema hebben. 'Ik ben bijvoorbeeld vaak degene/ die een nieuwe techniek uitprobeert/ men moet het aan den lijve ondervinden' , zegt Lampe, 'hoe meer ervaring hoe/ meer mentale ruimte er beschikbaar komt'. En: 'alras vliegt het tafelgesprek alle kanten op'. Ook lijkt de bundel een groot aantal jeugdervaringen te bevatten. Deze strofe verwijst naar een rigoureuze opvoeding waarin een kind leert zijn onschuld te verliezen:

je portie thuis

een mond vol chronisch slaapgebrek beroofd van trek,

ooit heb je leren eten in de lente,

articuleren, onder het happen je niet te verstappen,

letter voor letter je naam te spellen en

af te tellen, uitentreuren, ruitje voor ruitje het raam te lappen

als doorkijk naar de hemel

In dergelijke passages is Lampe op haar best, omdat ze niet het slachtoffer wordt van haar eigen hang naar grappigheid. Bij een flauwiteit als 'ee// ja// Q// leer/ stort die// stem over mij uit!' haalt de lezer zijn schouders op en gaat over tot de orde van de dag. Maar regels als deze draag je enige tijd met je mee:

ik slaap niet

niet eer de attracties ontscheept

weer volle toeren maken

mijn hemel getakeld

mijn man aan de grond

ik slaap niet

Om Lampe zelf te citeren: 'nou hebben we het tenminste ergens over'. En in poëzie die het niet van haar muzikaliteit moet hebben, is betekenis onontbeerlijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden