Met gevaar voor eigen stem

Binnen twee dagen doen twee van de allergrootste tenoren Amsterdam aan. Wat is zo bijzonder aan Plácido Domingo en Rolando Villazón? En wat maakt een tenorstem zo uniek en kwetsbaar?

De liefhebber van operatenoren komt deze week aan zijn trekken. Twee publiekshelden van verschillende generaties doen Amsterdam aan. Rolando Villazón (1972) werd een paar jaar geleden gevloerd door stemproblemen maar na een operatie laat hij zich weer horen in het Concertgebouw. Plácido Domingo (1941) lijkt onverwoestbaar. Zijn vorige concert in Nederland is ruim veertig jaar geleden. Hij zingt in de Ziggo Dome. Fans willen dolgraag weten wat er over is van de meest artistieke van de Drie Tenoren (Domingo, José Carreras en Luciano Pavarotti) al laat Domingo in stadions van dit formaat zijn stem versterken en is hij na zijn 70ste afgedaald naar de baritonligging.


Met de stem van de Frans-Mexicaanse tenor Rolando Villazón was niks mis toen hij in de jaren negentig actief was in de Parijse barokscene. Integendeel. Hij werd opgemerkt door de dirigent Marc Minkowski, breidde zijn terrein uit naar de Franse en Italiaanse opera en was in 1999 een van de gelauwerden op het concours Operalia. Daarvan is Plácido Domingo oprichter, organisator en enig jurylid; hij selecteert persoonlijk de deelnemers. Alleen al door die steun van Domingo waren alle ogen gericht op de Mexicaanse krullenbol. Was hij de nieuwe Domingo? Misschien heeft hij wel té goed geluisterd naar de oude meester. Zijn stem kleurde steeds meer naar die van Domingo en ook in de keuze van zijn repertoire volgde hij zijn voorbeeld.


Villazóns internationale doorbraak kwam in 2004 in Londen, met Les contes d' Hoffmann, van Offenbach. Door zijn manier van acteren straalde hij een enorme energie uit die in de theaters tot de laatste rijen voelbaar was. De euforie tijdens de première was enorm. Maar toen al hoorden kenners dat hij te snel ging. Mauricio Fernández, casting director van de ZaterdagMatinee, was erbij in Londen: 'Ik had hem in barokrepertoire gehoord en dacht toen: wow, ongelooflijk. Maar in Covent Garden hoorde ik dat het gevaarlijk is wat hij doet. Hij gebruikt te veel kracht. Hij is een geweldige acteur en sleept je mee in zijn kunst om een karakter neer te zetten. Dan wordt hij zo in beslag genomen door het acteren dat hij zijn vocale techniek vergeet.'


Ook impresario Pieter Alferink hoorde al vroeg dat Villazón op het randje balanceerde van wat goed was voor zijn stem. Hij was in diezelfde periode voorzitter van de jury van een vakprijs die Villazón won: 'Ik vond dat hij op kracht zong, niet op techniek. Dat houd je maar een bepaalde periode vol. Ik wilde hem de tweede prijs geven maar de andere vijf juryleden zagen alleen dat gigantische talent.'


In Nederland maakten we in 2004 kennis met Villazón. Bij de Nederlandse Opera zong hij Don Carlo, van Verdi. Het werd een van de indrukwekkendste voorstellingen uit de geschiedenis van het gebouw aan het Waterlooplein. Een jaar later vormde hij in Salzburg, in een nieuwe productie van La traviata, het 'Traumpaar des Jahres' met de filmsterachtige schoonheid Anna Netrebko. Hij leek onvermoeibaar, vloog in een roes van operahuis naar operahuis. En hij wilde meer, veel meer. Wagners Lohengrin zingen, bijvoorbeeld. Zover is het niet gekomen.


Zijn stem kon geen gelijke tred houden met zijn enthousiasme en hield ermee op. Na ten minste één operatie aan zijn stembanden en een lange rustperiode is hij nu voorzichtig weer aan het zingen, onder strenge begeleiding van een stemcoach, met een licht dieet van Mozartaria's. Maar in Amsterdam staat alweer een rijtje veeleisende aria's van Verdi te wachten. Al geeft het orkest hem ruimschoots de tijd om tussen de aria's op adem te komen, om de hoge noten kan hij niet heen.


Plácido Domingo ging een rustigere weg. Hij werd geboren in de sferen van de lichte Spaanse opera (zarzuela), en was oorspronkelijk bariton. Stap voor stap veroverde hij telkens een hogere noot van het tenorregister. In de jaren zestig werkte hij in Israël in de luwte aan zijn stem. Daarna kon hij alles aan: Otello maar ook nieuwe composities en grapjes tussendoor zoals Perhaps love met John Denver in de jaren tachtig.


Zijn voorstellingen, premières en nieuwe producties houdt hij bij in notitieboekjes. Hij komt tot meer dan 130 verschillende rollen. De afgelopen jaren is hij teruggegaan naar het baritonregister waarmee hij begon, maar vier jaar geleden was hij op de Bayreuther Festspiele nog te horen als Siegmund, de grote tenorrol in Die Walküre van Wagner.


De vrouw bepaalt


Pieter Alferink: 'Toen ik voor het eerst Pavarotti naar Nederland bracht, in april 1981, was de zaal niet vol. De entree was 95 gulden - dat vond men een schandalig hoog bedrag - en ik moest tweeduizend kaarten verkopen om uit de kosten te komen. Er kwamen achttienhonderd mensen. Pavarotti vroeg destijds een gage van 90 duizend gulden. Daar kwam een witte limousine bij waarin hij door Amsterdam gereden wilde worden en een suite in het Amstel Hotel.


Degene die flink aan dat concert verdiend heeft, is Willy Alberti. Hij had een goed lopende grammofoonplatenwinkel in Amsterdam-West en vroeg aan het Concertgebouw of hij daar cd's en lp's mocht verkopen. Na het concert liep het storm, ook doordat Pavarotti de platen kwam signeren. De volgende dag stuurde hij me een slagroomtaart en een vriendelijk briefje. Ik ben hem persoonlijk gaan bedanken, en hij vertelde me: 'Pieter, denk eraan dat je mannen op het programma zet, nooit vrouwen. Al die Italiaanse tenoren worden gekocht door vrouwen. Zij zijn degenen die het uitgaansleven bepalen. Hij had gelijk.'


Wie zou dat zijn?


Mauricio Fernández: 'Er is een tendens om te denken dat vroeger alles beter was. Dat klopt natuurlijk niet. Wel wist je na twee noten: dat is Domingo, of Di Stefano, of Corelli, of Bergonzi. Tegenwoordig hoor je een tenor en denk je: wie zou dat in godsnaam zijn? Hij heeft iets weg van Domingo, maar hij is het niet. Omdat er nog maar zo weinig grote tenoren actief zijn, krijgen jongeren de neiging hen te imiteren. Zo heeft Villazón in het begin van zijn carrière te veel naar Domingo geluisterd. Imitatie kan goed zijn maar naäpen is fataal. Iedere zanger is anders: qua fysiek, uithoudingsvermogen en mentaliteit, maar ook door de omgeving waarin hij is opgegroeid. De combinatie van al die factoren bepaalt het unieke karakter van een stem.'


De schaarste, de kwetsbaarheid en de troonopvolgers


Waarom zijn er zo weinig tenoren?

De tenor is van nature een zeldzaam stemtype. De meest voorkomende mannenstem is de bariton. Als hij hoog zingt, in het tenorregister, gebruikt hij zijn falset- of kopstem - de techniek die je meestal hoort bij countertenors. Een componist als Verdi had daar een gruwelijke hekel aan en Rossini schrijft er in zijn brieven zelfs over als 'het geluid van een gecastreerde geit'. Er is maar een enkeling die de overgang van zijn lage naar zijn hoge stem zo natuurlijk kan ontwikkelen dat die overgang niet hoorbaar is. Ook in de hoogste tonen blijft hij zijn borststem gebruiken. Dan ontstaat het rijke, mannelijke geluid van een tenor. Die techniek werd trouwens pas ver na de dood van Verdi en Rossini gecultiveerd. De hoge noten in hun opera's staan meestal niet in de originele partituur. Het zijn vaak toevoegingen van zangers die hun publiek wilden verbluffen.


Waarom zijn ze zo populair?

Pieter Alferink: 'Belangrijk is het repertoire. Heel goede tenoren, zoals Fritz Wunderlich en Nikolai Gedda, die zongen voor uitverkochte zalen en enorme hoeveelheden platen verkochten, hadden niet dat kleine beetje extra wat Domingo en Villazón wel hebben. Ze misten de italianità, het Italiaanse karakter, en konden daardoor minder spectaculaire partijen zingen: wel een Mozartmis, een Ferrando in Cos¿ fan tutte, een Don Ottavio in Don Giovanni maar niet de Hertog in Rigoletto.'


Mauricio Fernández: 'Die populariteit is er altijd geweest. Als je teruggaat in de tijd en de correspondentie leest van Verdi, Bellini of Donizetti over bijvoorbeeld de tenor Rubini, die in de hoogte zijn borstregister liet mee resoneren - die stem moet een bijna erotische aantrekkingskracht hebben gehad. Een goede psycholoog zou eens moeten uitzoeken wat er dan hormonaal gebeurt met het publiek.'


Waarom is zo'n stem zo gemakkelijk kapot te zingen?

Zeker op de hogere stemmen wordt door agenten, operahuizen en platenlabels gejaagd. Je moet als tenor heel sterk in je schoenen staan om niet te zwichten voor de aanbiedingen waarmee ze je over de streep proberen te trekken: zingen met de groten der aarde, in de mooiste huizen ter wereld, in nieuwe producties. Het is een heel circus van pr en marketing. Tussen de voorstellingen door heeft een stem tijd nodig om tot rust te komen en te herstellen van de extreme inspanning die het zingen van een grote rol vraagt. Als die rust er niet is, ontstaan er beschadigingen, meestal poliepen.


Waar komen de nieuwe tenoren vandaan?

Al vanaf de jaren twintig, tot ver na de Tweede Oorlog, komen veel belangrijke tenoren uit Frankrijk. Met als uitschieter Georges Thill (1897-1984). Maar er staan nauwelijks nog nieuwe op. Volgens Mauricio Fernández komen er alleen nog kleine stemmen uit Frankrijk - het einde van een grote traditie. Roberto Alagna (1963, Frans van Siciliaanse afkomst) is voor Fernández nog wel een van de mooiste tenoren: 'Hij heeft een volle, lyrische stem die naar de hoogte gaat zonder te pushen. Dat doen maar weinigen hem na. Hij dreigde, net als Villazón, te snel te gaan maar heeft tijdig op de rem getrapt. Ik heb nooit van Alagna gehouden als hij Italiaans zong. Dat was voor mij een beetje ordinair.'


Hij ziet in Rusland spannende ontwikkelingen. De nieuwe Russische stemmen zijn niet meer zo groot en breed als vroeger. Dat is een van de verdiensten van Valeri Gergjev, niet toevallig een goede vriend van Plácido Domingo. Hij heeft veel Italiaanse en Franse coaches naar het Mariinsky gebracht, juist om de jonge generatie klaar te stomen voor wat men in het Westen verwacht: artisticiteit, wendbaarheid. Tot voor kort spraken ze daar niet anders dan Russisch. Ook dat is veranderd. Onvoorstelbaar: niet alleen in Rusland maar ook in Roemenië en Polen komt er bij wijze van spreken iedere dag een nieuwe naam bij.


Wie zijn de opvolgers van Domingo?

1 Jonas Kaufmann (Duitsland, 1969). Kan de zwaardere Verdi- en Wagnerrollen aan.


2 Piotr Becza¿a (Polen, 1966). Is begonnen met lyrische partijen en zingt de laatste jaren wat zwaarder repertoire: zorgvuldig uitgezochte Verdipartijen als Rigoletto bijvoorbeeld.


3 Johan Botha (Zuid-Afrika, 1965). Zijn probleem: hij is kolossaal en kan daardoor niet naast iedereen op de bühne staan, maar als je hem hoort zingen, vergeet je zijn omvang.


4 John Osborn (VS, 1973). Zong in de ZaterdagMatinee en bij de Nederlandse Opera in Guillaume Tell van Rossini.


5 Riccardo Massi (Italië, 1978). Voormalige stuntman. Maakte indruk in de ZaterdagMatinee als Enzo in La Gioconda van Ponchielli.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden