Met de hakbijl aan de hals

Een van de wreedste opera's aller tijden, het 18de-eeuwse Iphigénie, wordt opgevoerd in Amsterdam. 'Ik moet mensen slachten.'

Ritueel slachten, dat is niet ieders werk. Vooral niet als de hals waar het mes in moet de hals is van een medemens. Nog ingewikkelder wordt het, wanneer de mens onder het mes je eigen broer blijkt te zijn.


Voor dat probleem staat Mireille Delunsch, vermaard sopraan uit Frankrijk, wanneer ze onder gonzende strijkersklanken 'het bloed in haar hart' voelt stollen op het hoogtepunt van Iphigénie en Tauride, een opera die bekendstaat als een van de wreedste, misschien daardoor ook een van de meest geïnspireerde uit het oeuvre van de 18de-eeuwse meester Christoph Willibald Gluck.


'Offeren? Zij houdt niet van dat baantje', constateert Mireille Delunsch, altijd bereid zich een rol eigen te maken met de fijnste Franse dictie, en tot in de zenuwvezels van haar personage. 'Als Iphigénie haat ik het oord waar ik zit. Als Iphigénie verafschuw ik mijn priesterlijke taken.'


Maar De Nederlande Opera, Marc Minkowski (gastdirigent), Pierre Audi (regisseur), Gluck (1714-1787) en de verzamelde repetitoren in het Amsterdamse Muziektheater zijn onverbiddelijk. 'Ik moet mensen slachten, elke keer opnieuw', zegt Mireille Delunsch, pauzerend in haar kleedkamer. 'Iphigénies leven is kapot. Zij weet: wij zijn het speelgoed van de goden.'


De centrale godheid in Glucks Iphigénie en Tauride is Diana, godin van de jacht. Zij heeft de arme Iphigénie - dochter van het Griekse koningskoppel Agamemnon en Clytemnestra, en bij ons beter bekend onder de naam Iphigeneia - tot priesteres gebombardeerd en naar Tauris gevoerd, een afgelegen schiereiland dat tegenwoordig de Krim heet. Daar heerst de barbaar Thoas. Hem is voorspeld dat hij ooit zal sterven door de hand van een vreemdeling, een vooruitzicht dat zijn xenofobie niet weinig aanwakkert: elke vreemdeling die zich aandient moet onthalsd, en wel in de tempel, zodat het toch nog op iets eerbaars lijkt. Dat lot wacht ook de allochtoon die weerloos aanspoelt, of hij nu Orestes heet of niet, en of hij nu de broer is van de opperpriesteres of niet.


Dat zag Maria Callas heel goed, de naoorlogse sopraanlegende die haar rol in Glucks Ifigenia -in het Italiaans - tot een persoonlijke glansrol maakte, en de godin die zij diende in hartverscheurend crescendo smeekte haar op staande voet te ontslaan. Speelgoed van het hogere: dat zag ook de 19e-eeuwer Richard Wagner, die als dirigent veel Gluck op zijn repertoire had, en een curieuze, zwaar klinkende bewerking maakte van een andere, eerdere opera van Gluck, Iphigénie en Aulide.


Een kapot leven: dat zag ook de componist Berlioz, Gluck-fan in het algemeen en van Glucks Tauris-opera in het bijzonder. Gruwelijke manipulaties: dat zagen Marie-Antoinette, echtgenote van koning Lodewijk XVI, en de filosoof Jean-Jacques Rousseau, trouwe bezoekers van alles wat de Weense operavernieuwer Gluck in het Parijs van de jaren 1770 presenteerde.


Maar wat zij allemaal niet zagen, zien bezoekers van de Nederlandse Opera tot eind september: een onalledaagse productie waarin Glucks opera Iphigénie en Tauride telkens op één avond wordt voorafgegaan door Glucks opera Iphigénie en Aulide. Die combinatie lijkt niet vergezocht in de hedendaagse, bewerkingslustige theaterpraktijk rond klassieke tragedieschrijvers als Euripides - Glucks voorbeeld en oerbron. Maar in 's werelds operahuizen ligt een tandempresentatie minder voor de hand. Als tweeluik waren de beide Iphigénies van Gluck alleen te zien in de Brusselse Munt, twee jaar geleden, in de door Pierre Audi geregisseerde coproductie die nu in Amsterdam wordt gerepeteerd.


En daar beweegt zich in het Muziektheater een sopraanzingende Iphigenie 'in Aulis', die als koningsdochter dezelfde stamboom heeft als haar sopraanzingende spiegelbeeld 'in Tauris'. Met eenzelfde fijne Franse dictie, tussen dezelfde decortrappen, onder hetzelfde dirigentengezag als in Tauris, gestuurd door dezelfde godin Diana, en op muziek gezet door dezelfde Gluck. Maar met allemaal andere types om haar heen, en verwikkeld in een different ballgame. Aulis en Tauris, het zijn werelden van verschil, ook in de muzikale stilistiek.


Deze Iphigénie 'in Aulis' heeft een lichtelijk ander geluid dan haar alter ego in Tauris. Het is Véronique Gens, vermaard sopraan uit Frankrijk. Ook zij staat op het hoogtepunt van haar opera bij het offerblok. Maar dan geblinddoekt. Haar bestemming als mensenslachteres is toekomstmuziek en speelt in Aulis vooralsnog geen enkele rol. Deze Iphigénie heeft besloten dat haar hals klaar is voor de bijl. Haar vader heeft haar opgetrommeld voor de slacht om de goden gunstig te stemmen en zo de Griekse vloot aan wind te helpen die nodig is om naar Troje te zeilen. Toen hij tot inkeer kwam, kwam het opmerkelijke wicht zelf met het besluit zich te laten slachten.


Dit tot verbijstering van Iphigenie's verloofde Achilles en haar moeder Clytemnestra - die we bij een repetitie van Audi's dubbelproductie zien afdalen in de persoon van Anne Sofie von Otter, vermaard mezzosopraan uit Zweden. Toegerust met perfecte klaag- en woede-expressies, fijne Franse dictie en een T-shirt met Adidas-reclame, maakt ze mensen en goden duidelijk dat zij haar leven wil offeren om zo haar dochter te sparen. Von Otters sportplunje zal wel vervangen worden door het opmerkelijke kostuum dat nu nog aan een knaapje hangt in de gang: een crèmekleurige jurk naar 18de-eeuwse snit, behangen met een 21ste-eeuwse bomgordel naar Midden-Oostenmodel. Of was die van haar dochter?


'Het is duidelijk dat hier sterke vrouwen op het toneel staan', zegt Von Otter tijdens een koffiepauze. 'De ene offert zich op, en de andere wil zich opofferen voor die ene.'


'Het meisje is gehoorzaam, maar ook meer dan dat', analyseert Véronique Gens. 'Ze ziet het grotere belang. Ze vindt het erg voor haar moeder, maar ze blijft kalm en zegt 'Dag dag, ik sterf'.' Von Otter: 'Een hecht stel ouders zie ik hier niet. Naar mijn bescheiden idee is dit geen doorsneegezin met dochter, paps en mams.'


Weinig is doorsnee in deze dubbelGluck van de Nederlandse Opera. Op een tribune in het toneelbeeld zullen bezoekers zitten, als levend decor tussen Gluck-zingende koorzangers. Zij krijgen Marc Minkowski's barokorkest Les Musiciens du Louvre in grote formatie voor hun neus, op het toneel, bijna vijftig man/vrouw sterk en gestemd op lage, oud-Parijse toonhoogte (Audi: 'In Brussel ging het met het orkest van de Munt, maar hier wil ik het publiek de kick geven van het echte Gluck-geluid'). De uitmonstering varieert van een anekdotische politiepet tot royaal geplooide mysteriedracht. De hakbijl is gestileerd en draagt de charme van een laagje chroom.


Maar op het toneel priemen ook kalasjnikov-geweren naar de hemel. En rond de koffieautomaat in de personeelskantine zien we tijdens een pauze figuranten samendrommen in outfits die soms frappante gelijkenis hebben met die van de schietende en demonstrerende opstandelingen anno 2011 in de straten van Tripoli. 'Fanatieke, misschien gemanipuleerde maar ook niet te controleren mensen', in Audi's perceptie.


De nu op tv getoonde realiteit van de Libische wapens en shirts kan voor de Amsterdamse Gluckproductie uitpakken als spelbreker of als een onverwacht geschenk, zoals de actualiteit met enige regelmaat in petto heeft voor theatermakers die nieuwe verhoudingen aangaan met thema's en types van Bijbelse en mythologische oorsprong. 'Maar echt, onze enscenering is hetzelfde als in 2009 in Brussel, toen niemand naar Libië of Egypte of Qatar omkeek', zegt Audi, die 54 jaar geleden werd geboren in de Libanese hoofdstad Beiroet. 'Anno nu is een toespraak van een Turkse minister al wereldnieuws.'


Audi's theatrale doelwit lag twee jaar geleden vooral in het opportunistisch misbruik van het geloof in de mythe. 'Het weerkerende gegeven dat religie gebruikt wordt voor politiek, voor oorlog, voor uitsluiting en onderdrukking.' Nu krijgt hij er het spotlight op een ander oerthema gratis en in contrastkleuren bij. Immers, gaat het in mythen, Bijbel en theater niet vaak over intieme belangen die het afleggen tegen staatszaken, over liefdes, over kinderen, Iphigenie's, Don Carlossen, die sneuvelen op het offerblok van het hogere belang? En waren de heren Mubarak en Kadhafi juist geen 'goede' mensen, die voortreffelijk voor hun kinderen en stam hebben gezorgd?


Audi verwijst naar Syrië. 'Het persoonlijke en het politieke zijn rond de Middellandse Zee nog op een ongelooflijke manier verknoopt. Zie president Assad en zijn moeder, de vrouw van de vorige Assad. Niet Assad junior is het grootste probleem. Het monster is zijn moeder, de regisseur van wat in Syrië gebeurt.'


Ach, razende monstermoeders. Clytemnestra, de moeder van Iphigenie die haar man Agamemnon na zijn terugkeer uit Troje vermoordde in bad, werd op haar beurt doodgestoken door haar zoon Orestes. Die vervolgens aan een uitzichtloze zwerftocht begon en op de Krim op een offerblok belandde.


Anne Sofie von Otter (Clytemnestra) zegt zich van geen kwaad bewust te zijn. Haar rol in de Amsterdamse dubbelproductie stopt aan het eind van de eerste opera. Daarna zingt ze geen noot. 'Ik weet echt niet wat ik na mijn optreden allemaal verkeerd doe. Heb ik Orestes vermoord?'


Tussen haakjes: Aulide en Tauride, beide opera's, lopen op het nippertje goed af. Voor dat happy end zorgt Gluck, met hulp van de godin Diana. Marc Minkowski, Glucks belangrijkste vertegenwoordiger op aarde, is ook happy. Coupures die in Brussel werden aangebracht in de muziek, om de lengte van de dubbelproductie in te perken, zijn op Minkowski's verzoek voor een goed deel teruggedraaid.


Nederlandse Opera olv Minkowski en Audi.


Muziektheater Amsterdam, 7 t/m 22 september (18.30, zondag 13.30)


Unieke podiumplaatsen

Bezoekers van de 'twee Iphigenie's' kunnen voor 25 euro een gooi doen naar, wat de Opera noemt, 'unieke podiumplaatsen'. Toeschouwers die zin hebben tussen het koor te zitten op een amfitheater in het toneelbeeld (op onderstaande foto achter in het midden), zien alles vanuit een verrassend en soms onthullend perspectief, maar hebben geen zicht op de boventiteling. Aanmelden via 020-6255455.

De Trojaanse oorlog in opera

De Nederlandse Opera (DNO) grossiert dit seizoen in opera's met een mythologisch onderwerp. Alle hebben direct of zijdelings te maken met de Trojaanse Oorlog. Na de Gluck-productie met de twee Iphigenie's belandt DNO onder regie van Willy Decker in de laatromantische wereld van Richard Strauss, wiens Elektra het wraakzuchtige zusje is van Iphigenie, en broertje Orestes aanzet tot moedermoord. In november is Mozarts Idomeneo aan de beurt. Hier keert men onder regie van Ursel en Karl-Ernst Herrmann huiswaarts van Troje naar Kreta. Orestes staat in december in het zoeklicht in een gloednieuwe opera, Orest, van de Duitse componist Manfred Trojahn (sic). In maart wordt het lachen om Achilles in vrouwenkleren, in Deidamia van Händel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden