ReportageChongqing

Menselijke pakezels in Chongqing krijgen eindelijk respect: ‘Wij zijn de laatste generatie die dit werk doet’

Ooit telde Chongqing honderdduizenden bangbang, volgens sommige bronnen zelfs een half miljoen. Beeld Hollandse Hoogte / AFP

Net nu de traditionele drager uit het straatbeeld van de Chinese metropool Chongqing verdwijnt, krijgt de ‘bangbang’ een cultstatus en wordt hij gewaardeerd als symbool van Chinese waarden. ‘Alleen als je de zwaarste ontberingen doorstaat, kun je opklimmen in de samenleving.’

Met zijn grijze pluishaar, zijn licht gekromde rug en zijn magere benen in een iets te wijde broek lijkt Li Zhongming geen 50 jaar, maar eerder 70. Jaren van zware arbeid, van iedere dag meubels, bouwmateriaal en winkelvoorraad sjouwen, hebben zijn lijf getekend. Maar nog steeds gaat hij door, zijn stok op de schouders, tot honderd kilo aan de touwen, trap op, trap af. Als een menselijke pakezel, tot hij niet meer kan.

Li Zhongming is niet zielig, integendeel. Hij is vrij en onafhankelijk, hoeft naar geen baas te luisteren, en onderhoudt zijn gezin met niets dan zijn eigen kracht. Meer nog, bungelde hij zijn hele leven onderaan de sociale ladder in China, de laatste jaren begint hij zowaar respect te ontvangen. ‘Vroeger riepen de mensen op straat: hey, stokkenman, kom eens dragen’, zegt Li, zijn trouwe bamboehout in de hand. ‘Tegenwoordig spreken ze me aan als meester Li.’

Li is een ‘bangbang’, letterlijk een ‘stokstok’, een kruier die met enkel een bamboestok en twee koorden de zwaarste vrachten op de meest onmogelijke plekken krijgt. De bangbang horen tot de bekendste beroepsgroepen van Chongqing, een miljoenenstad in het hart van China, die op de steile hellingen rond de Yangtze is gebouwd. Een stad van trappen, bruggen en haarspeldbochten, waar gespierde dragers van onschatbare waarde zijn.

Ooit, niet eens zo lang geleden, telde Chongqing honderdduizenden bangbang, volgens sommige bronnen zelfs een half miljoen. Tegenwoordig zijn dat er nog maar zo’n vijfduizend. De economische vooruitgang en modernisering van de stad hebben het fysieke gezwoeg overbodig gemaakt. Het stemt sommigen weemoedig: zij zien de bangbang als een bron van trots voor Chongqing. Bangbang staan voor hard en eerlijk werk, voor onverzettelijkheid en doorzettingsvermogen.

Vroeger kreeg Li Zhongming 2 yuan (25 eurocent) om een vracht van 100 kilo vijf etages naar boven te brengen. ‘Nu kost het 10 yuan (1,25 euro) per etage.’Beeld Ruben Lundgren

Heeft elke streek in China traditioneel zijn eigen manier van dragen – op de rug, op het hoofd – in Chongqing gebeurt het al eeuwenlang met een stok op de schouders. Duizend jaar geleden was het de manier om rivierwater naar de hoger gelegen dorpen te brengen, tot er aquaducten kwamen. Toen in de jaren tachtig de economie opende en honderdduizenden dorpelingen naar de stad trokken op zoek naar werk, werden velen van hen sjouwers in de haven, op de markten en in de warenhuizen.

‘In die tijd was de concurrentie moordend’, zegt Huang Chaoyang (50), die op zijn 20ste naar Chongqing kwam en er één jaar als bangbang werkte. ‘Als een klant riep, stonden er meteen tien tot twintig dragers klaar. Je kreeg nauwelijks een yuan (12 eurocent) per opdracht. Wij waren boerenpummels, de mensen in de stad keken op ons neer. Rijke mensen die naar de markt gingen, namen een bangbang mee om hun boodschappen te dragen. Het was echt denigrerend.’

Het aantal bangbang in Chongqing piekte in de jaren negentig, maar na de eeuwwisseling veranderde de stad zo ingrijpend dat spierkracht steeds minder nodig was. Er kwamen metrolijnen en autowegen, wolkenkrabbers en liften, bestelwagens en motorfietsen. De bangbang werden langzaam vervangen door verhuisbedrijven en bezorgdiensten. Alleen wie geen andere opties had, vaak oudere mannen die niet meekonden met de moderne tijd, bleef met zijn bamboestok sjouwen.

Reportage van twee ‘bang bang’ mannen in Chongqing die met hulp van een bamboe stok zware spullen dragen in de heuvelachtige metropool. Portret van Yang Ensheng (49).Beeld Ruben Lundgren

‘Wij zijn de laatste generatie die dit werk doet’, zegt Yang Ensheng (49), die al twintig jaar als bangbang werkt. Hij is kort en geblokt, met handen als kolenschoppen. Vroeger kon hij 300 kilo dragen, een stunt waarmee hij menige weddenschap won. Sinds een werkongeval in 2013 houdt hij het op 150 kilo. ‘Jonge mensen doen dit niet. Zij zijn opgegroeid met meer welvaart, zij kunnen minder ontberingen aan. En ze vinden dit soort werk gezichtsverlies.’

Voor de overgebleven bangbang is het leven een stuk minder slecht geworden. In het verticaal gebouwde Chongqing zijn er altijd lastig bereikbare plaatsen, en nu ze met minder zijn, hebben de bangbang een betere onderhandelingspositie. ‘Vroeger kreeg ik 2 yuan (25 eurocent) om een vracht van 100 kilo vijf etages naar boven te brengen’, zegt Li Zhongming. ‘Nu kost het 10 yuan (1,25 euro) per etage. Als een klant te weinig biedt, dan doe ik het niet.’

Yang Ensheng werkt in de winkelbuurt Jiefangbei, befaamd om zijn niveauverschillen, waar hij met voorraden pendelt tussen magazijnen en winkels. Hij heeft geen vast salaris – de ene dag verdient hij niets, de andere tot 80 euro – maar al bij al heeft hij het goed voor mekaar. Hij kon twee appartementen kopen en zijn kind aan de universiteit laten studeren. ‘Het is geen slechte baan. Ik voel me vooral vrij, als een vis in het water. Er zijn niet veel regels of controles.’

Wat ook mooi meegenomen is, is dat de bangbang de afgelopen jaren in status zijn gestegen. Nu ze ouder worden en langzaam dreigen te verdwijnen, is er een tv-serie en een documentaire over hen gemaakt. In de staatskranten verschijnen af en toe ook zeemzoete artikelen die de harde werklust en bescheidenheid van de bangbang prijzen. Dertig jaar nadat ze als uitschot werden behandeld, worden ze nu geïncorporeerd als vertegenwoordigers van Chinese normen en waarden.

‘Wij hebben een grote bijdrage geleverd aan Chongqing’, zegt ook Yang, terwijl hij drie dozen van elk 25 kilo kleding oppikt. Behendig knoopt hij ze aan zijn stok. ‘We hebben altijd voor onszelf gezorgd en de last voor ons land verlicht. Voor weinig geld hebben we veel werk verzet. Zoals het Chinese spreekwoord zegt: alleen als je de zwaarste ontberingen doorstaat, kun je opklimmen in de samenleving.’

Huang Chaoyang, die na zijn ene jaar als bangbang naar de fabrieken van Guangzhou trok en zich opwerkte tot zakenman, vindt het jammer dat de traditionele dragers verdwijnen. Een paar jaar geleden probeerde hij een app te lanceren om klanten en bangbang met elkaar in contact te brengen, en de traditie te moderniseren. Maar omdat veel van de oudere sjouwers geen smartphone hebben, werd dat geen groot succes.

‘De bangbang zouden een standbeeld moeten krijgen’, zegt Huang. ‘Ze staan voor een tijdperk van ontberingen, maar ook voor een mentaliteit. Een bangbang heeft doorzettingsvermogen, en streeft naar vrijheid en naar een beter leven. Ik bewonder hen. Ze bevinden zich aan de onderkant van de maatschappij, en veel mensen zien hen niet staan. Maar zonder hen zouden we in Chongqing niets zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden