Melkert-banen zijn niet meer nodig

Nu het aantal banen snel groeit en steeds meer vacatures onvervuld blijven, is het onzin door te gaan met het subsidiëren van arbeidsplaatsen, vinden Pieter Fluit en Jeroen van Gerven....

IN HET REGEERAKKOORD is afgesproken dat in de komende kabinetsperiode 400 miljoen zal worden uitgetrokken voor nieuwe 'Melkert-banen'. Dit wekt verbazing in een periode van hoogconjunctuur en een sterk oplopend aantal openstaande vacatures. Waarom moet er nog overheidsgeld worden besteed aan het subsidiëren van speciale banen voor langdurig werklozen, terwijl er steeds meer werkgevers staan te springen om personeel?

Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek over het eerste kwartaal blijkt dat het aantal onvervulde vacatures is toegenomen tot 122.000 in de particuliere sector en tot 11.000 in de overheidssector. Aan het eind van het eerste kwartaal van vorig jaar stonden er 80.000 vacatures open. In vrijwel alle bedrijfstakken ontstaan er problemen. De commerciële dienstverlening springt er in het bijzonder uit. In de IT-branche is het aantal vacatures in een jaar tijd verdrievoudigd.

Een recent NIPO-onderzoek naar vacatures in het midden- en kleinbedrijf bevestigt dit beeld en laat bovendien zien dat er niet alleen veel vraag is naar hoog, maar ook naar laag gekwalificeerd personeel.

Toch blijft er sprake van een aanzienlijke werkloosheid. In de maanden april-juni van 1998 kwam het aantal geregistreerde werklozen uit op 270.000.

Hoe kan het werkloosheidscijfer nog zo hoog zijn, terwijl het aantal openstaande vacatures stijgt? Vraag en aanbod sluiten blijkbaar niet goed op elkaar aan. Toch werkt de arbeidsmarkt bepaald niet slecht. In het eerste kwartaal ontstonden er 204.000 vacatures waarvan er maar liefst 188.000 werden vervuld. De dynamiek van de arbeidsmarkt is dus groot.

Hoewel enige frictiewerkeloosheid als gevolg van het niet op elkaar passen van vraag en aanbod niet ongebruikelijk is, is er voldoende reden om aan te nemen dat er blijkbaar nog een flinke groep moeilijk bemiddelbare mensen resteert die zelfs op een op volle toeren draaiende arbeidsmarkt niet aan de bak komt.

Het is dan ook terecht dat het nieuwe kabinet geld reserveert voor werkgelegenheidsbeleid. Maar vormt de uitbreiding van het aantal Melkert-banen wel een adequate oplossing?

Melkert-banen werden vier jaar geleden ingevoerd met het doel langdurig werklozen met een uitkering weer aan het werk te helpen. Het gaat om gesubsidieerde, additionele banen.

Gesubsidieerd werk houdt in dat de loonkosten geheel of gedeeltelijk ten laste komen van de overheid; gemeenschapsgeld dus. Additioneel wil zeggen dat het niet mag gaan om regulier werk. Het moet, met andere woorden, werk betreffen dat zonder subsidie uit economische overwegingen niet zou worden aangeboden; of omdat er niet echt behoefte aan is - een bekend voorbeeld van zo'n functie is een liftboy - of omdat de baan meer kost dan hij oplevert.

Melkert-banen komen voor in verschillende varianten. Dit maakt de regeling gecompliceerd en ondoorzichtig. Het grootste deel van de banen wordt gerealiseerd in de collectieve sector, bij gemeenten en in de zorgsector.

De gemeenten en de instellingen krijgen voor een baan een subsidie van ongeveer * 40.000,- per jaar. Een andere regeling is gericht op de marktsector. In dit geval ontvangt de werkgever twee jaar lang * 18.000,- subsidie, ongeveer de kosten van een jaaruitkering (die de overheid dan uitspaart). Verder zijn de mogelijkheden om met behoud van uitkering vrijwilligerswerk te doen uitgebreid.

Vier jaar geleden lag het enigszins in de rede om naar dit middel te grijpen. De (re)integratie op de arbeidsmarkt van een vrij grote groep moeilijk bemiddelbare werklozen kwam niet van de grond, terwijl tegelijkertijd moest worden vastgesteld dat voor werkgevers het aanbieden van eenvoudige banen economisch niet rendabel was. De (hoge) loonkosten stonden blijkbaar niet meer in verhouding tot de (lage) kwaliteit van het arbeidsaanbod.

De politiek richtte zich vervolgens op de loonkosten. Men was het er over eens dat dáár iets aan gedaan moest worden, linksom (de loonkosten kunstmatig omlaag brengen met behulp van subsidies) of rechtsom (lastenverlaging voor de werkgevers waardoor de bruto loonkosten dalen).

Zonder te willen beweren dat rechtsom zonder meer zaligmakend zou zijn geweest, moeten wij vaststellen dat de Melkert-banen geen groot succes zijn. Veel kritiekpunten zijn klassiek - maar daarom niet minder terecht.

De grootste problemen zijn dat onduidelijk blijft of er toch geen verdringing van regulier werk plaatsvindt en of voor de 'harde kern' van de langdurig werklozen niet geldt dat zij het ook met een subsidie niet redden. Aldus vindt afroming van de relatief nog makkelijk bemiddelbaren plaats.

De Algemene Rekenkamer kwam in 1996 al tot de conclusie dat het belangrijkste knelpunt de moeilijke bemiddelbaarheid van de doelgroep is, alsmede de te hoge functie-eisen die worden gesteld. Bovendien moeten we niet vergeten dat er veel uitvoeringskosten aan de Melkert-regelingen verbonden zijn. De ambtenaren die op zoek moeten naar geschikte arbeidsplaatsen en de administrateurs moeten ook betaald worden. En ook bedrijven die in zee gaan met een 'Melketier' kunnen rekenen op veel bureaucratische rompslomp.

Achteraf moet, met het oog op de snelle daling van de werkloosheid - die in 1994 weliswaar niet te voorzien was - worden vastgesteld dat de hele operatie weinig nut gehad heeft. Het merendeel van de gesubsidieerde werklozen zou inmiddels naar alle waarschijnlijkheid een reguliere baan gevonden hebben, tegen gunstiger arbeidsvoorwaarden.

Was het subsidiëren van werk vier geleden nog verdedigbaar, nu is daar geen sprake meer van. Er zijn immers al genoeg banen. Het ontbreekt aan het juiste personeel.

Als de opvolger van minister Melkert iets wil doen om de werkloosheid en het aantal openstaande vacatures te bestrijden, moet er meer aandacht en geld worden besteed aan scholing, training en arbeidsbemiddeling. Door een intensieve arbeidsbemiddeling en professionele begeleiding kan worden bewerkstelligd dat die groep die niet op eigen kracht een baan vindt, 'marktklaar' wordt gemaakt.

In plaats van naar de vraagzijde te kijken - in casu de loonkosten - kan de aandacht beter gericht worden op de aanbodzijde - degenen die werk zoeken.

Op dit moment wordt er door het ministerie van SZW al aan gewerkt om de arbeidsbemiddeling beter te organiseren. Het plan is om de verschillende uitkerings- en arbeidsbemiddelingsinstanties (sociale dienst, uitvoeringsinstellingen, arbeids- en uitzendbureaus) die tot op heden zelfstandig opereren, bijeen te brengen in zogenaamde Centra voor Werk en Inkomen (CWI).

De cliënt kan dan bij één loket terecht voor één of meer uitkeringen, maar ook voor arbeidsbemiddeling. Mogelijk voordeel van een loket is dat bemiddelaar en uitkeringsverstrekker tot een geïntegreerde aanpak kunnen komen door nauwe onderlinge samenwerking en door een goede afstemming van taken en beleid. De cliënt kan dan snel en effectief geholpen worden.

Helaas blijkt de totstandkoming van de CWI's - de voorbereidingen duren nu al ruim twee jaar - een moeizaam proces te zijn. Dit valt te betreuren, daar er juist nu behoefte is aan goede arbeidsbemiddeling.

Ons voorstel is om met het Melkert-geld niet langer de werkgever, maar de bemiddelaars (de arbeids- en uitzendbureaus) financieel te stimuleren om op een gerichte wijze moeilijk bemiddelbaar personeel aan een baan te helpen. Een bemiddelaar moet voor elke geslaagde poging om een moeilijk bemiddelbare klant aan het werk te krijgen een goede beloning ontvangen.

Door een fikse premie wordt het voor de bemiddelaars aantrekkelijk om zich voor deze groep in te spannen. De overheidspremies moeten ruimschoots opwegen tegen de kosten die de bemiddelaar maakt (voor cursussen, sollicitatietraining, etc.). Zo wordt bereikt dat de arbeidsbemiddelaar investeert in mensen die niet in staat geacht mogen worden om zelfs in de huidige hoogconjunctuur op eigen kracht een plek op de arbeidsmarkt te vinden.

Pieter Fluit en Jeroen van Gerven zijn verbonden aan het Hugo Sinzheimer Instituut voor arbeid en recht van de Universiteit van Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden