Melching: ‘In Europa’ barst van de fouten

De tv-serie In Europa bevat talloze feitelijke onjuistheden. Dat is erg, want feiten zijn de basis van elke historische redenering, betoogt Willem Melching.

Met veel publiciteit ging in november de eerste helft van Geert Maks 35-delige documentaireserie In Europa van start, gemaakt naar zijn gelijknamige bestseller. Met dat boek heeft Mak de Europese geschiedenis onder de aandacht gebracht van het grote publiek, een verdienste in een land waar de historische belangstelling niet al te groot is.

De televisieserie is volgens Mak een bijzondere geschiedenisles over Europa. Maar in deze opzet zijn in ieder geval de eerste vier afleveringen niet geslaagd. Maks analyses hebben geen enkele relatie met de huidige kennis en discussies in de geschiedwetenschap. Bovendien bevat de serie talloze feitelijke onjuistheden.

Eeuw van de massa
Volgens Mak was de 20ste eeuw, zoals hij uitlegt in deel 1, de ‘eeuw van de massa’. De problemen in deze eeuw werden veroorzaakt doordat ‘de massa’ haar macht uit handen gaf aan ‘onbetrouwbare leiders’. Dit leidde tot twee wereldoorlogen en gruwelijke dictaturen.

Maar dan vraag ik me toch een paar dingen af. Bijvoorbeeld: van wie had de massa die macht dan in eerste instantie gekregen? En hoezo was zij bereid om hem uit handen te geven aan onbetrouwbare leiders? Lenin en Stalin kwamen aan de macht door een staatsgreep. En Hitler haalde in min of meer normale verkiezingen nooit meer dan 37,1 procent van de stemmen.

Op tal van momenten blijkt Mak niet op de hoogte van de stand van zaken in het vak. Hij komt niet veel verder dan het navertellen van al lang achterhaalde clichés. Uit een interview met een Duitse acteur in deel 1 bijvoorbeeld, moet blijken dat Hitlers NSDAP in hoofdzaak een partij was van werkloze arbeiders. Dat is onjuist. De werklozen stemden voornamelijk communistisch. Uit recent onderzoek blijkt zelfs dat werkloosheid de kans op een NSDAP-stem significant verminderde; hoe meer werklozen in een kiesdistrict, des te minder NSDAP-stemmen.

Cliché op cliché
In deel 2, over de Duitse en Oostenrijkse keizerrijken in het jaar 1906, stapelt Mak cliché op cliché. Hij presenteert zijn visie op Duitsland aan de hand van het beroemde verhaal over de Hauptmann van Köpenick, waarin een schoenmaker in legeruniform de stadskas van het stadje Köpenick bij Berlijn in beslag neemt. Het staat symbool voor het veronderstelde ontzag van Duitsers voor uniformen. De implicatie is duidelijk: Duitsland was in 1906 een Untertanenstaat, een primitieve samenleving waar de keizer met absoluut gezag regeerde.

Dat wilde de keizer misschien wel, maar de realiteit was geheel anders. Duitsland was in deze tijd in veel opzichten het modernste land van Europa. De burgerij was sterk en rijk, de arbeiders beschikten over de grootste en modernste partij ter wereld. Bij de verkiezingen van 1912 waren de sociaal-democraten met bijna 35 procent de grootste partij. Duitse kunstenaars lachten om de achterhaalde en kleinburgerlijke smaak van hun vorst. Duitse historici, filosofen en sociologen domineerden het internationale wetenschappelijke debat.

Met enkele zinswendingen had Mak kunnen uitleggen dat nu juist deze tegenstelling tussen moderne en reactionaire tendensen Duitsland zo bijzonder maakte. Maar hij houdt het liever simpel: de Duitse ‘volksaard’ was nu eenmaal gesteld op ‘gehoorzaamheid’. Duitsers maakten zich nu eenmaal graag ondergeschikt ‘aan leiders met nog weer een grotere pet op’.

Vastgeroest
Het beeld dat Mak schetst van Oostenrijk-Hongarije is zo mogelijk nog simplistischer. Volgens Mak was het land ‘vastgeroest’, en hij vertelt ons over de ‘angst van de Weense burger voor de moderne tijd’. Heeft Mak nooit gehoord van de psychologen Sigmund Freud en Alfred Adler, of de filosoof Ernst Mach en schilder Gustav Klimt? De grondleggers van de moderne muziek, zoals Arnold Schönberg, Bruno Walter en Gustav Mahler, waren Oostenrijkers. En dan heb ik het nog niet over moderne schrijvers uit het Habsburgse Rijk als Rilke, Kafka, Kraus, Musil, Zweig en Roth. Wie Wenen in 1906 voorstelt als een conservatieve en achterlijke stad, maakt zichzelf belachelijk.

Hilarisch dieptepunt van de twee eerste delen is een scène bij de kaart van Duitsland. Mak en een Duitslandkenner bespreken de enorme macht van Duitsland rond 1900. De kaart die ze voor zich hebben, laat echter Duitsland in 1945 zien. In 1900 bestond Polen niet als zelfstandige staat en was Duitsland bijna twee keer zo groot als op deze kaart. Elzas-Lotharingen en grote delen van de Oostzeekust waren Duits en het land was een directe buur van Rusland. Alles wat Duitsland rond 1900 zo bijzonder maakte kortom, is op deze kaart nu juist níét goed te zien.

Historische fouten
En dan de vele historische fouten. De commentaarstem zegt vaak dingen die redelijk klinken, maar onjuist zijn. Hieronder een paar van de vele voorbeelden. Zo springt in het filmpje waarmee de serie opent een man van de Eiffeltoren. Hij deed dat echter niet om ‘over Parijs te gaan vliegen’, zoals Mak suggereert. In werkelijkheid betrof het een uitvinder die in 1912 – niet in 1901, zoals in de serie wordt vermeld – een parachute aan het testen was. Ook deze Franz Reichelt wist toen al dat men het beste kon vliegen in een vliegmachine.

‘Op de Alexanderplatz herinnert niets meer aan het uitgaanscentrum van de roerige jaren twintig,’ zo weet Mak ons te melden in deel 1. Dat kan heel goed kloppen, want dat was ook niet daar. De Alexanderplatz was een verkeersplein met kantoren en een warenhuis. Het legendarische Berlijnse uitgaansleven speelde zich af in de Friedrichstrasse en in het verre westen van de stad, beide een heel stuk verderop.

‘Het Rijk van Franz-Joseph I reikte van Wenen tot de Zwarte Zee bij Roemenië’, constateert Mak in deel 2. Eén blik in een historische atlas leert dat Oostenrijk-Hongarije op geen enkel moment in de 19de eeuw aan de Zwarte Zee heeft gelegen. En zeker niet in het jaar 1906, want toen lagen daar zelfstandige landen als Bulgarije en Roemenië.

In deel 1 vechten Russische soldaten in Frankrijk een oorlog uit die volgens Mak ‘niet de hunne is’. Wat krijgen we nou? Frankrijk en Rusland waren al sinds 1894 trouwe bondgenoten. Sterker nog: dit bondgenootschap was een van de factoren in het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Heel erg
Is het erg, al die fouten? Ja, dat is erg. Feiten zijn de basis van elke historische redenering. Wie Oostenrijk aan zee plaatst, heeft geen vat op de geopolitieke situatie in de Balkan en Midden-Europa. Laat staan dat hij die kan uitleggen aan een groot publiek.

Bovendien getuigt Maks visie op de Europese geschiedenis van een totale minachting voor onze voorouders. Mak beschouwt de vorige generaties Europeanen als een soort wilden. Naïef zijn ze, want ze springen in een vogelpak van de Eiffeltoren. En onberekenbaar, want ze beginnen zomaar oorlogen. En dom zijn ze ook. Mak zegt het aan het einde van de eerste uitzending wanneer hij terugblikt op de hele eeuw zelf: ‘Hoe konden de mensen toch zo stom zijn?’ Door deze aanpak blijven de Europeanen schimmen in een rariteitenkabinet.

De opnamen van In Europa hebben 3 à 4 miljoen euro gekost. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft meebetaald. Het was verstandig geweest als ze ook hadden bedongen dat Mak zijn draaiboek aan enkele echte deskundigen had voorgelegd.

Willem Melching is docent nieuwste geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Een uitgebreide versie van dit artikel verschijnt in het decembernummer van Historisch Nieuwsblad, dat morgen in de winkel ligt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.