InterviewMelcher de Wind

Melcher de Wind vindt pas nu, 75 jaar na Auschwitz, aandacht voor het relaas van zijn vader Eddy, die het kamp overleefde

De Joodse arts tekende zijn verhaal op in Auschwitz, na het vertrek van de nazi’s, in een schrift van de SS. ‘Ik zie mijn vader echt als een held.’

Melcher de Wind: ‘Zoals mijn moeder zegt: Auschwitz zat altijd bij ons aan de keukentafel.’Beeld Els Zweerink

‘Als ik vroeger op een feest aan iemand vertelde dat mijn vader in Auschwitz had gezeten’, zegt Melcher de Wind (58), ‘dan wendde diegene zich al snel af en liep naar de bar om een drankje te bestellen. Auschwitz, dat is het symbool voor het allerergste, de hel. Daarover valt niet te praten.’

Toch doet De Wind deze dagen niet anders, om het boek onder de aandacht te brengen dat zijn vader Eddy (1916–1987) heeft geschreven: Eindstation Auschwitz. Mijn verhaal vanuit het kamp. Maar voor Eddy, in Den Haag geboren als Eliazar, enig kind van Joodse ouders, was concentratiekamp Auschwitz níét het eindstation. De vraag waarom uitgerekend hij het overleefde en anderen niet, heeft hem zijn hele leven gekweld.

Het boek heeft een opmerkelijke geschiedenis. De Wind schreef het in 1945 in Auschwitz toen de nazi’s gevlucht waren voor het naderende Russische leger en hij, arts, er nog een paar maanden bleef om zieken te verzorgen. Direct na de oorlog werd het uitgegeven, maar veel aandacht was er in die jaren niet voor. In 1980 volgde een nieuwe poging, maar ook toen bleef het bij een kleine oplage.

Hoe anders is dat nu: Eindstation Auschwitz, een nauwgezet verslag van anderhalf jaar lang dagelijks leven in het vernietigingskamp, de gruwelen, maar ook de routines, de verveling en de vriendschappen, verschijnt tegelijk in 25 talen. De publicatie gaat gepaard met een uitgebreide publiciteitscampagne. Zoon Melcher geeft interviews in Londen en Parijs, en hij ging voor het eerst naar Auschwitz, waar hij met de internationale pers rondliep tussen de barakken waar zijn vader meemaakte wat zijn leven zou bepalen – en uiteindelijk ook dat van hem. Sinds zijn vroegste jeugd, zegt hij, herinnert hij zich een sfeer van ‘angst en gemis’ in het gezin.

Besluit om te blijven leven

Maar liever dan over zichzelf praat hij over zijn vader, en over het boek dat hij schreef op de rand van zijn brits in barak 19, zaal 5. ‘Toen de nazi’s Auschwitz hadden verlaten, zocht mijn vader een reden om te blijven leven. Hij had zich verstopt in het kamp om te ontsnappen aan de dodenmarsen, terwijl zijn vrouw Friedel, die ook in Auschwitz zat, wel was afgevoerd. Het was er zo mogelijk nog erger dan toen de Duitsers er nog zaten: overal lijken en stervende mensen, geen eten, geen medicijnen, het was echt een inferno. Survivor’s guilt is een bekend begrip, maar ik denk dat bij mijn vader ook iets speelde wat ik victim jealousy noem; jaloezie op degenen die gewoon dood waren, dit niet meer mee hoefden te maken. Hij is toen naar een wachttoren gelopen aan de rand van het kamp omdat hij niet meer wilde. Hij heeft mij er – wat vrij uitzonderlijk is, want de meeste overlevenden praatten er niet over – best vaak over verteld. Daar, op die toren, heeft hij letterlijk een stap teruggedaan en besloten toch te blijven leven. Om te getuigen, om te vertellen wat hier was gebeurd. Hij is toen terug naar het kamp gelopen en heeft in de voorraadkamers van de SS’ers een schrift gevonden, zo’n schrift waarin werd bijgehouden wie er op appel was en wie er naar de gaskamers ging. Hij is meteen gaan schrijven. Dat je juist in zo’n schrift je verhaal vertelt – het lag bij ons vroeger altijd in de boekenkast – dat maakt het voor mij een overwinningsschrift.’

Terug in Nederland ontdekte Eddy de Wind dat Friedel nog leefde; al op de eerste dag zag hij zijn vrouw terug. Twaalf jaar bleven ze nog samen, beiden ernstig beschadigd door de oorlog. Eddy vooral psychisch, Friedel, onvruchtbaar geraakt, ook lichamelijk. Nadat het huwelijk was gestrand, Eddy was inmiddels psychoanalyticus in Amsterdam, trouwde hij met een veel jongere, niet-Joodse vrouw. Ze kregen drie kinderen, van wie Melcher de middelste is. Zijn rol in het gezin, zegt hij, was die van trooster; altijd gespitst op het verdriet van zijn vader, die, al was hij lief en zachtaardig, duidelijk een immens trauma met zich meedroeg. ‘Zoals mijn moeder zegt: Auschwitz zat altijd bij ons aan de keukentafel.’

Melcher de Wind met het schrift waarin zijn vader in Auschwitz zijn verhaal opschreef. Het was een schrift waarin de SS de administratie van de gevangenen bijhield. De afbeelding is een combinatie van de Nederlandse vlag met de ster van het Rode leger. Eddy was als arts in dienst gekomen in het Rode Leger.Beeld Els Zweerink

Voor je vader was er vóór Auschwitz, Auschwitz zelf en na Auschwitz, staat in het nawoord van het boek. 

De Wind staat op, pakt een fotoalbum erbij, thuis in Amsterdam. ‘Kijk, er zijn een paar jeugdfoto’s van hem: zeilend, als student, spelend in een jazzband. Je zult het met me eens zijn, niemand die opgewekter en optimistischer de wereld inkijkt dan hij. Maar hier, in Auschwitz, is hij al totaal veranderd. Je ziet het aan zijn blik: hevig getraumatiseerd. En hier, kort voor zijn dood, zie je ook weer dat verdriet in zijn ogen dat nooit meer is weggegaan. Hij heeft natuurlijk heus nog wel gelachen na de oorlog, maar het was nooit meer een echte lach. Hij was kapotgemaakt. En als kind voel je dat sinds je vroegste jeugd. Als je vader zo verdrietig is, kun je zelf ook nooit echt gelukkig zijn.’

Hoe merkte je dat hij psychisch leed?

De Wind aarzelt, over dat deel van zijn vaders leven wil hij niet veel kwijt. Wel vertelt hij dat zijn vader werd behandeld voor zijn psychische trauma’s en een aantal keer ook opgenomen is geweest. Hij herinnert zich een tripje naar toen nog Oost-Berlijn – ‘mijn vader wilde niet haatdragend zijn, hij ging gewoon naar Duitsland’ – waar zijn vader, vanachter het stuur, een wachttoren ontwaarde. ‘Dat ging totaal mis. Auto aan de kant van de weg, volledig in de war, niet verder durven rijden. Politie erbij, een hele toestand. Ik probeerde hem te troosten, maar ja, ik was een jonge jongen, echt opvangen kon ik hem niet.’ Een andere herinnering heeft hij aan de keer dat hij een zombiefilm zat te kijken en zijn vader vroeg waarnaar hij keek. ‘Ik legde hem uit dat het verhaal over levende doden ging, die anderen besmetten met een dodelijk virus. Hij is huilend de kamer uitgelopen. Hij realiseerde zich dat hij zelf een zombie was, maar hij was niet in staat daarover te praten.’

Hoe gingen jullie gesprekken over de oorlog dan wel?

‘Hij vertelde verhalen. Wat zich had afgespeeld. Omdat ik als kind naar lichtpuntjes zocht, heb ik hem eens gevraagd: waren er ook mensen die de gaskamers overleefden? ‘Ja’, zei hij toen. ‘Er was een transport Hongaarse kinderen, die overleefden het.’ Ik voelde opluchting. Maar die werden daarna levend verbrand, vertelde hij vervolgens. Omdat het in de gaskamer niet snel genoeg ging, werden ze nog half levend in een groot vuur in een greppel gegooid. Na de hel was er blijkbaar nog de überhel.’ 

Hij spaarde je niet.

‘De waarheid was hard, maar je kan haar maar beter vertellen. Veel erger nog was het voor kinderen in gezinnen waar altijd werd gezwegen. Nu wisten we natuurlijk toch nog lang niet alles. Het was voor ons thuis alsof we in de tweede helft van een toneelstuk waren gestapt. Je moest maar raden wat er in de eerste scènes was gebeurd, maar je wist wel dat het verschrikkelijk was.’

Hadden jullie het daar niet over? Wat zijn trauma’s voor jullie als gezin betekenden? Hij was psychiater, behandelde mensen met een oorlogstrauma.

‘Ja, aanvankelijk heel hoopvol, hij was na de oorlog volop bezig technieken te ontwikkelen om mensen te helpen. Later ging hij meer en meer inzien dat zulke grote trauma’s niet ongedaan te maken zijn – een zombie geneest niet door psychoanalyse. Toen heeft hij zijn aandacht naar de tweede en volgende generaties verlegd. Maar altijd wetenschappelijk. Wat zijn verleden voor óns betekende, daar praatten we weinig over. Het is net als bij de loodgieter; daar lekt ook thuis de kraan.’

Dus dat jullie als kinderen tweedegeneratieslachtoffer waren, waar hij wetenschappelijke artikelen over schreef, dat werd niet benoemd?

‘Nee, maar ik hou ook niet zo van de term tweedegeneratie-oorlogsslachtoffer. Je bent toch ook niet tweedegeneratie-schizofreen of tweedegeneratie-verslaafd als je ouders daaraan leden? Je bent het kind van een oorlogsslachtoffer en dat bepaalt in hoge mate je leven, ja, maar hoe, dat is ongrijpbaar. Ik ben een laatbloeier. Het heeft lang geduurd voordat ik voor mezelf ging leven en mijn persoonlijkheid niet langer een afgeleide was van mijn vaders lijden.’

Het is misschien niet toevallig, zegt hij, dat hij geschiedenis heeft gestudeerd. Met zijn media- en entertainmentbedrijfje organiseert De Wind nu onder meer tentoonstellingen. Hij heeft het prostitutiemuseum op de Amsterdamse Wallen opgezet en werkt nu aan een tentoonstelling over ‘angst, horror en terror’. ‘Ik benader dat bijna antropologisch. Het is heel interessant om te zien hoe zulke dierlijke gevoelens een plaats hebben in onze maatschappij.’

Wat later vertelt hij over het sterfbed van zijn vader, die weken in het ziekenhuis lag na een hartinfarct. ‘Hij was terug in het kamp. Totale paniek, de verplegers zag hij aan voor SS’ers. En als er iemand stierf op zaal, moest hij huilen van opluchting, omdat als in Auschwitz een ander werd uitgekozen om te sterven, het kon betekenen dat jij die dag mocht blijven leven. Tegelijkertijd was er ook weer dat survivor’s guilt.’

Pagina’s uit het schrift waarin Eddy de Wind zijn relaas optekende. De tekst is één op één overgenomen in het boek Eindstation Auschwitz.Beeld Els Zweerink

Uit je vaders artikelen blijkt dat hij zijn leven lang bezig was met de vraag: wie overleefde het kamp en wie niet? Vlak na de oorlog schreef hij dat ‘zij die een merkwaardige vorm van aanpassing vonden’ de beste kansen hadden. Later, in 1981, schreef hij in het NRC dat hij ‘stom geluk’ had gehad.

‘Ja, hij stapte helemaal af van het idee van eigen verdienste. Want dat impliceert dat diegenen die het niet overleefden, daar zelf schuld aan hadden. Van de 1,3 miljoen mensen in Auschwitz hebben 1,1 miljoen het niet overleefd, dan valt er toch geen zinnig woord meer te zeggen over karaktereigenschappen? Het was willekeur, toeval, verder niks. Dat wist hij, hij maakte er zelfs ruzie over met wetenschappers die anders beweerden. En toch was hij er continu mee bezig, ja: waarom leef ik en zijn al die anderen vermoord?’

Sprong naar het boek: ‘Je voelt de urgentie als je het leest, dát was voor hem de reden om te blijven leven. Het moet dan ook een enorme teleurstelling zijn geweest toen na publicatie in 1946 bleek dat niemand op zijn verhaal zat te wachten. Ik heb een recensie van toen gelezen waarin stond: ‘wéér een boek over de gruwelijkheden en het prikkeldraad’. Zo van: moeten we dat nou allemaal horen? Voor het boek was het the wrong place, the wrong time.’

Nu is er wel een heleboel belangstelling. Hoe is dat gegaan?

‘We hebben met de familie een paar jaar geleden besloten dat we iets met het schrift moesten gaan doen. Ik kwam in contact met Robert Jan van Pelt, een architectuurhistoricus die kenner is van Auschwitz als bouwwerk. Hij maakte een tentoonstelling in Madrid en daar is het schrift komen te liggen. Ik merkte toen dat er veel belangstelling voor was. Ik ben ermee naar literair agent Paul Sebes gestapt en binnen een week hadden we afspraken met alle grote uitgevers. Er is nu wél honger naar dit soort verhalen, mensen willen begrijpen wat er is gebeurd. Mooi vind ik dat in het boek van mijn vader Auschwitz niet alleen dat symbool van ellende is. Hij schrijft ook over de onderlinge hulpvaardigheid van de gevangenen, de humor die ze behielden, de gesprekjes met hun geliefden in een blok verderop. Daardoor staat het boek ook voor liefde en hoop.’

Toch is het soms moeilijk te lezen. De experimenten op vrouwen waardoor ze onvruchtbaar worden gemaakt…

‘Ik heb het de eerste keer dat ik het las ook een paar keer moeten wegleggen. Maar de tweede keer treft het je hoe ongelooflijk veel solidariteit er was in het kamp.’

Hoe was het om daar rond te lopen, nu, voor de promotie van het boek?

‘Dit hele proces, de promotie van het boek, is voor mij ook een excuus om alles voor mezelf een plek te geven. En het klinkt gek, maar ik vond het een opluchting er te zijn. Mijn hele leven ben ik er ontzettend bang voor geweest om in Auschwitz te komen. Maar de zon scheen, er zaten blaadjes aan de bomen, er waren geen schreeuwende, stervende mensen. Het waren vooral gebouwen. Hier’ – hij loopt naar de keuken– ‘ik heb er nota bene een koelkastmagneet gekocht, dat is toch pure Monty Python? Nee, ik vond het heel goed om er te zijn, belangrijk ook, ik vind dat iedereen er een keer naartoe moet, maar heel indringend vond ik de ervaring niet. Het is dat ik de verhalen uit mijn vaders boek ken, maar in Auschwitz komt niet tot leven wat het werkelijk heeft betekend.’

Dus als tentoonstellingsmaker vind je dat een gemiste kans?

‘O, ik zou dolgraag dat museum aanpakken. Ik heb weleens tegen mijn vader gezegd: wat jij hebt meegemaakt is onvoorstelbaar vreselijk, maar het heeft je wel gebracht dat je dit verhaal kunt vertellen. Hij heeft daar toen niet op geantwoord, maar voor mij voelt dat wel zo: ik ben ongelooflijk trots dat ik dit naar de wereld mag brengen, in 25 talen, in meer dan 100 landen. Dan denk ik: papa, dat heb je wel voor elkaar gekregen. Ik zie mijn vader echt als een held.’

Terwijl hij er juist op hamerde: Auschwitz overleven was geen verdienste.

‘Nee, maar het was wel een verdienste dat hij ervoor gekozen heeft om dit boek te schrijven, om mensen te helpen, om met mijn moeder opnieuw te beginnen, om ons op de wereld te zetten en om door te gaan. Mijn leven lang heb ik een onbestemd gevoel van angst gehad, maar dat heeft langzaam plaatsgemaakt voor een enorm gevoel van trots.’

Eddy de Wind: Eindstation Auschwitz. Mijn verhaal vanuit het kamp (1943-1945). Meulenhoff; 224 pagina’s; € 19,99.

De heruitgave uit 2020 van Eindstation Auschwitz. Het werd voor het eerst uitgegeven in 1946, maar toen was er niet veel belangstelling voor. Ook een heruitgave uit 1980 bleef bij een kleine oplage. Nu wordt het uitgebracht in 25 talen in 100 landen. Beeld Els Zweerink

75 jaar na Auschwitz

Op 27 januari 1945, maandag precies 75 jaar geleden, werd concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz door het Russische leger bevrijd. Om dat te herdenken zijn er in januari allerlei activiteiten georganiseerd; zo is er maandagavond een programma in de Amsterdamse Singelkerk naar aanleiding van Bij ons in Auschwitz, een boek met getuigenissen samengesteld door Arnon Grunberg. Kunstenaar Daan Roosegaarde ontwierp een lichtmonument dat bestaat uit 104.000 lichtgevende stenen, het aantal Nederlandse Auschwitz-slachtoffers. Na de landelijke onthulling op 16 januari zijn de stenen verdeeld over 170 Nederlandse gemeenten en daar zijn ze nu te zien. 

Fotoalbum van Eddy de Wind, met boven foto's van zijn studietijd (voor de oorlog). Linksonder Joegoslavische vrouwen die ook het kamp hadden overleefd. Rechtsonder: De Wind bedankt in Auschwitz het Rode Leger voor de bevrijding.Beeld Els Zweerink

75 JAAR BEVRIJDING, 75 PERSOONLIJKE BEVRIJDINGSVERHALEN

De Volkskrant vertelt bij 75 jaar bevrijding verhalen uit heel Nederland, met ooggetuigen uit uw regio. Online kunt u de frontlijn zien verschuiven en telkens nieuwe verhalen lezen uit bevrijde gebieden. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden