Meisjes willen dure drankjes

Veertig jaar was Maarten 't Hart toen zijn autobiografie verscheen in de fraaie reeks egodocumenten die Privé-domein heet. Een leeftijd waarop je kunt denken dat er nog van alles mogelijk is. Daarom was de titel, Het roer kan nog zesmaal om, zo vreemd nog niet - al bestond Maartens voornaamste beweging in die eerste veertig jaren uit de verhuizing van zijn geboorteplaats Maassluis naar zijn studie- en toenmalige woonplaats Leiden. Bepaald geen voorbode van onbesuisdheid.


In de jaren daarna werd Warmond de woonstee van de eenzelvige schrijver en bioloog, alwaar hij het liefst ongestoord zijn tuintje cultiveert. Buitenshuis teelt hij zijn eigen gewassen, binnen speelt hij orgel en schrijft zich met vaste hand terug naar zijn jeugdjaren, bron voor een eindeloze serie romans met een hoog Swiebertje-gehalte.


Het gaat hem prima af, zo lang hij met rust wordt gelaten. Aan bezoeken, van formele of informele aard, heeft Maarten 't Hart een hartgrondige hekel. 'Als ik contact wil met een medemens zet ik wel een cantate van Bach op.' Aan moderne verworvenheden als het mobieltje of de automobiel heeft hij geen behoefte. Een schrijver die zichzelf genoeg is in zijn hortus conclusus.


Maar het schrijverschap heeft hem beroemd gemaakt, ook in Zweden en Duitsland, en dat brengt vervelende verplichtingen met zich mee. Verzoekjes om interviews en signeersessies in den lande en buitengaats, zó dwingend dat zelfs hij ze niet allemaal kan afslaan. 'Geen akeliger jungle dan de wereld der letteren', verzucht 't Hart in de nieuwe bundeling van autobiografische stukken, die hij de korzelige titel Dienstreizen van een thuisblijver gaf.


Ze moesten hem wel hebben: reisjes naar Duitsland, Zweden en Engeland; gastschrijver in Leiden; jurylid van de AKO-prijs; en als hij veilig thuis zat kon er ongewenst bezoek voor de deur staan van interviewers en uitgevers uit Duitsland, waar hij beroemd is als exotische cultschrijver. Aanleidingen genoeg voor migraineaanvallen en ander ongerief.


Uit alles, ook de soms opzettelijk oubollige taal (met een onbekommerd aantal 'warempels' en 'allemachtigs') spreekt zijn hunkering naar een overzichtelijke wereld. In afzondering kan 't Hart die scheppen, naar eigen inzicht kneden, en alles wat hem daar uit wil halen is storend.


Ja, ook een bezoekje aan bakermat Maassluis - om daar een touringcar met Duitsers te ontmoeten - leidt af van het echte werk. Terug in het plaatsje van zijn jeugd denkt hij aan de klinkhamers en coasters van weleer, maar als hij er nu rondkijkt, treft hem een doodse stilte. Vroeger, toen 'gonsde het van de bedrijvigheid', maar werpt hij nu een blik in de Zure Vischsteeg, dan bemerkt hij tot zijn schrik dat het straatnaambordje is weggehaald. 'Wat moesten nu al mijn bewonderaars beginnen die een bedevaartstocht naar Maassluis maakten en op zoek gingen naar de herhaaldelijk door mij beschreven Zure Vischsteeg?'


Je krijgt met hem te doen. Maar alle ongezochte ontmoetingen met collega-schrijvers (onder wie 'peutertje Palmen' en een humeurige Harry Mulisch), vreemde uitgevers die hem hartritmestoornissen bezorgen en interviewsters die een gesprek met de schrijver maar bijzaak vinden omdat ze vooral uitgebreid willen rondneuzen in zijn huis, harden de auteur in zijn overtuiging dat uitstapjes even zo vele inbreuken op zijn splendid isolation zijn.


Ooit haalde uitgever Martin Ros hem over om, ter voorbereiding op een biografie van Simon Vestdijk (kluizenaar, onuitputtelijk romancier en liefhebber van klassieke muziek, kortom een man naar Maartens hart, al kan hij niet uit de voeten met Vestdijks waardering voor de schrale 'kapelmeestersmuziek' van Mahler), een aantal vrouwen uit het leven van de Doornse gigant op te zoeken.


Die ontmoetingen leverden 't Hart geen bruikbare informatie op. Zijn verslag van die vruchteloze visites aan Jeanne van Schaik-Willing en Henriëtte van Eyk, en ook naar Nol Gregoor (die voor de twintig jaar oudere Vestdijk meisjes placht te keuren, welke zware taak Gregoor met grote toewijding uitvoerde) is buitengewoon geestig, vooral als 't Hart zich laat gaan in zijn verzuchting dat hij zelf weliswaar licht ontvlambaar is, maar beginnende verliefdheden onmiddellijk de kop in drukt, want als je respons krijgt, 'dan wachten huizenhoge sores'.


Zo'n meisje wil belachelijk veel aandacht, en alle aandacht kost zeeën van tijd, en zo'n meisje wil in de voorjaarszon op terrasjes zitten, waar de consumpties altijd adembenemend prijzig zijn, en zo'n meisje wil met je gezien worden bij recepties en boekpresentaties en openingen van tentoonstellingen, en ze wil naar de film, en ze wil naar concerten, en ze wil met je op het strand wandelen, en ze wil in dure restaurants dineren (grote kosten voor kleine hapjes), en ze wil gemakkelijk vervoerd worden, dus moet je dan, omdat ik nu eenmaal niet autorijd, af en toe een taxi bekostigen, want de bagagedrager van een fiets vindt ze veel te min. Vroeger was dat blijkbaar anders, getuige het prachtige lied van Eddy Christiani: Mijn achterband is wel wat zacht,/ maar 't geeft niet lieve pop,/ spring maar achterop.'


Literaire prijzen, uitgereikt tijdens verachtelijke diners in prijzige hotels, daar moet 't Hart evenmin iets van hebben. Wild slaat hij om zich heen als hij denkt aan prijswinnaars als Bernlef ('futloze flauwekul'), Jan Siebelink (humorloos), Bernard Dewulf ('incestueus prullenbakproza') en Brigitte Raskin (bekroond voor een roman 'waar je zelfs je houtkachel niet mee zou willen stoken'). Schrijvers die zich op gezette tijden frivoliteiten veroorloven lijken bij voorbaat kansloos voor een gewichtige prijs. Deze klacht verdient nadere studie, want het is een prikkelende suggestie dat Nederlandse letterkundige jury's tijdens hun bloedserieuze vergaderingen elke zweem van humor als verdacht brandmerken.


Zou het kloppen, en zou het daarom zijn dat bijvoorbeeld Sprakeloos van Tom Lanoye en Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers, of grote komische talenten als Willem Brakman en Remco Campert, niet verder zijn gekomen dan een nominatie voor de Libris- of AKO-Prijs?


't Hart maakt zich bovenal vrolijk, ook als hij getergd is, en dat maakt deze gebundelde oprispingen van een thuiszitter-uit-lijfsbehoud tot onderhoudende lectuur. Lees hem voor je plezier, en bespaar hem in godsnaam een nominatie. Hoeft hij de deur niet uit.


Maarten 't Hart: Dienstreizen van een thuisblijver. Privé-domein 272.


De Arbeiderspers; 320 pagina's; € 19,95.


ISBN 978 90 2957 358 0.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden