Meiden van 16 pakken uit met opvallende wereldrecords

BARCELONA - Met 15 jaar olympisch kampioen worden en op je 16de een wereldrecord zwemmen. De verrichtingen van Ruta Meilutyte en Katie Ledecky, allebei 16 jaar en 4 maanden oud, worden bij de WK van Barcelona met open mond waargenomen.

'Eén brok graniet', zegt de Nederlandse zwemcoach Martin Truijens over Meilutyte, de Litouwse die maandag het wereldrecord op de 100 meter schoolslag tot 1.04,35 aanscherpte. 'Een wonderlijke speling van de natuur', vervolgt de Amsterdammer. Zo sterk worden ze zelden geboren.

Ledecky, dunner en taaier in duurvermogen, is twee dagen jonger dan Meilutyte. De Amerikaanse is van 17 maart 1997. Vorig jaar werd de zwemster uit de Potomac Vallei bij Bethesda uit het niets olympisch kampioen op de 800 meter vrije slag.

Zondag ging zij als eerste zwemster in textiel door de barrière van 4 minuten op de 400 vrij (3.59,82). Het mondiale record is nog van een vrouw uit de jaren van de snelle pakken: Federica Pellegrini. Twee dagen later verbeterde Ledecky het wereldrecord op de 1.500 meter met 6 seconden. Dat record was van een 18-jarige, Kate Ziegler.

In het olympische zwemstadion van Londen waren de Amerikaanse tiener Missy Franklin (17) en het Chinese schoolmeisje Ye Shiwen (16) vorig jaar de dubbelkampioenen. In Barcelona zijn zij weer sterk. Hoe kunnen zulke jonge sporters, kinderen feitelijk nog, zo uitblinken in een wereldsport als zwemmen, waarin volwassen atleten de toon zouden moeten zetten?

'Het zou een fysiologisch onderzoek waard zijn', meent de Nederlandse voorzitter van de medische commissie van de wereldfederatie FINA, Cees-Rein van den Hoogenband. Hij heeft geen echte antwoorden. Het verschil met sporten als atletiek en schaatsen, waar oudere atleten de records pakken, is hem wel duidelijk. 'In die sporten moet je het bewegingsapparaat veel zwaarder belasten. Dan moet je echte kracht ontwikkelen. Zwemmen is anders.'

Van den Hoogenband, vader van drievoudig olympisch kampioen Pieter, kent de aandrang van de jeugd uit eigen kring. 'Mijn vrouw, Astrid Verver, zwom als 14-jarige de finale van de 800 meter op de EK van 1970, ook in Barcelona. De Nederlandse ploeg telde toen vooral meisjes, Hansje Bunschoten, Anke Rijnders, Josien Elzerman.'

'Die jonge kinderen kunnen de discipline opbrengen om de vele trainingskilometers af te leggen', zegt Cees Vervoorn, voormalig topzwemmer en coach. 'Als ze ouder worden, zie je ze meer op de kortere afstanden verschijnen. De lange afstanden zijn naar mijn gevoel voor de jongeren. Het 1.500-wereldrecord van Ledecky zat er aan te komen. In het Amerikaanse systeem wordt hard gewerkt. Zij kan dat aan. Ze zwemt goed, heeft een mooie slag.'

De taaiheid van de jonge zwemster wordt in de trainerswereld wel gelinkt aan de menstruatie. Voor de menstruatie zou verzuring langer uitblijven. 'Ik ben maar een domme chirurg', zegt Van den Hoogenband, 'maar daar is volgens mij geen fysiologische verklaring voor.'

Sharon van Rouwendaal verbeterde in 2008 als 14-jarige het Nederlands record op de 1.500 meter. Ze vertelt dat ze dat deed voordat ze ging menstrueren. 'Ik kon op training doorbeuken zonder pijn te lijden.' Na het vrouw worden kon ze dat ook nog, verklaart ze vanuit Eindhoven. 'Ik heb geen last van die overgang gehad. Ik hoor sommige zwemsters wel klagen van: nu ben ik oud. Ik had nergens last van. In 2011 haalde ik brons op de 200 meter rugslag bij de WK van Shanghai.'

Toen Van Rouwendaal 10 was, trainde ze drie keer per week 2 kilometer. Daarnaast deed ze aan hardlopen en wielrennen, voor de triatlon. Op haar 13de ging ze bij haar Franse trainer, Cedric Moncet, van 10 zwemkilometers per week naar 80, later 88.

'Het ging allemaal heel snel en gemakkelijk. Ik zwom voor de wisselslag alle slagen. Op de Franse kampioenschappen won ik vijfmaal goud. Op de EJK in Belgrado werd ik Europees jeugdkampioen op de 1.500 meter in een Nederlands record. Dat had ik een paar maanden eerder al verbeterd, maar dat wist ik toen niet. Ik woonde in Frankrijk.'

Inspanningsfysioloog Jos Geijsel, betrokken bij de waterpolovrouwen, zegt dat de 16-jarigen in het zwemmen 'vroegrijpers' zijn en dat ze daarom zo kunnen uitblinken. 'Ze lopen voorop in hun ontwikkeling. Topsporters zijn meestal vroegrijpers, geen laatrijpers. Ze zijn op een eerder moment sneller, fitter, behendiger dan leeftijdsgenoten. Vaak zijn ze in het eerste kwartaal van een jaar geboren.'

Na de menstruatie kennen de jonge sportvrouwen een groeispurt. Geijsel: 'Ze maken een hormonale sprong. De testosteronspiegel stijgt, het groeihormoon neemt toe. Dezelfde training heeft dan twee keer zo veel effect als voor de groeispurt. Dus je loopt al voor op je generatiegenoten en je trainingsarbeid heeft nog eens de dubbele opbrengst. Dat is een hele gunstige fase in je sportloopbaan.'

Dat zwemmers groot en sterk worden, heeft te maken met het vaak onbelast sporten, het voortbewegen in water. Geijsel: 'Vergelijk het met turnen. Heel veel lopen en springen vertraagt, zo is uit onderzoek gebleken, het rijpingssysteem. Als je veel springt, krijg je als turner druk op de groeischijven. Zo blijven ze langer klein.'

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden