Meesterwerken voor de schrootjeswand

Jongetje in tranen, zigeunerin in waterplas. Afbeeldingen die bekend zijn van vele schoorsteenmantels en schrootjeswanden. Over de kunstenaars is vreemd genoeg weinig bekend....

Nagenoeg iedereen van boven de vijfendertig of veertig kent hun schilderijen, als ook de omgeving waarin je ze desnoods op de tast kon vinden. Ze behoorden in de jaren zestig en zeventig tot de vanzelfsprekende inventaris van heel veel Nederlandse woningen, waar ze een ereplek boven de schoorsteenmantel, het dressoir, boven het bankstel of tegen de schrootjeswand hadden gekregen. De kunstwerken waren meestal gevat in een zware, bruine lijst van eikenhout, en werden vaak aangelicht door zo'n elektrisch kaarsje met een lampenkapje erop.

De fantasie van de eigenaars moest de rest doen - en die kon het eigenlijk onmogelijk laten afweten. Hele generaties vrouwen zullen zich ooit wel een keer in gemoede hebben afgevraagd wie nou dat jongetje op dat schilderij was, en waarom het zo bitter schreide. Zoals er ongetwijfeld ook talloze keurige vaders en zonen zijn geweest die in het portret van de wulpse 'zigeunerin' (?) hun allergeheimste wensdromen weerspiegeld zagen.

Wie waren of zijn J.H. Lynch en J. Bragolin, de makers van die twee niet meer uit het collectieve geheugen te wissen schilderijen? Een zoektocht in de toch heel omvangrijke archieven van de landelijke dagbladen in Nederland brengt nog geen regel naar boven. Er is nooit wat over hen in de kranten gepubliceerd of althans bewaard gebleven. Een bijdrage over de kunst Lynch in het laatste nummer van Furore (winter 2000-2001) levert evenmin veel feiten op. En zelfs een internationaal opsporingsbericht via twaalf verschillende zoekmachines op internet slaagt er niet in opheldering te verschaffen.

Er is weinig meer van Lynch en Bragolin bekend dan het oeuvre dat ze op hun naam hebben gebracht. Toch raar, want als schilders overtreffen ze tijdgenoten als bijvoorbeeld Picasso en Warhol ruimschoots als het op de verspreiding en de populariteit van hun werk aan komt. Niet alleen in Nederland maar in misschien wel honderdduizenden woonkamers over de hele westerse wereld prijkten ooit dezelfde of soortgelijke ingelijste reproducties met hun handtekening erop.

Ook in Just Above The Mantelpiece, een onlangs bij uitgeverij Booth-Clibborn verschenen boek van Wayne Hemingway wordt het mysterie niet opgelost. De kunstenaar Lynch blijft in de rijk, geïllustreerde 240 pagina's tellende uitgave over de 'meesterwerken voor de massa-markt' net zo anoniem als het model dat hij op zijn doeken eeuwigheidswaarde verleende: de voluptueuze, met veel mascara opgemaakte, zwartharige vrouw die zich halfnaakt gezeten op een boomtak, of staand in een bosvijver, naar de kijker heeft toegedraaid en duister kijkend, met maar een heel lichte zweem van ironie, op diens erotische openingszet wacht.

Hetzelfde geldt voor Bragolin en zijn al even tot de verbeelding sprekende 'huilende zigeunerjongetje', dat ook in tenminste tien varianten de schoorsteenmantels heeft gesierd. Hemingway weet er niet heel veel meer over te melden dan het op zichzelf schitterende verhaal dat het portret ooit het middel punt vormde van een door de Britse tabloid The Sun aangewakkerde paniekgolf in het Verenigd Koninkrijk. Begin jaren tachtig berichtte het blad over een reeks branden in woning en waarbij steeds de hele huisraad in de as werd gelegd maar de schilderijen van The Crying Boy wonderlijk genoeg onbeschadigd bleven.

Dieptereportages in het land wezen vervolgens uit dat er geen gevaar voor een spontane brand was te duchten als een portret van een huilend zigeunermeisje naast dat van zo'n jongetje werd gehangen.

En het Britse nationale instituut voor volkenkunde deed op het hoogtepunt van de commotie ook een duit in het zakje door te suggereren dat de 'vloek' op het conto van Bragolin kon worden geschreven, aangezien hij zijn model zou hebben mishandeld alvorens hem te schilderen.

Dat klinkt behoorlijk als om te lachen, maar Wayne Hemingway heeft vermoedelijk liever dat we de mythische proporties van zo'n anekdote op hun juiste waarde schatten. Want zo droog als hij dergelijke gebeurtenissen optekent, zo ernstig is hij ook als hij de betekenis van de schoorsteen mantelkunst afzet tegen de door de galeries, media, conservatoren en kunsthistorici afgeschermde 'hogere cultuur'. De samensteller lijkt bloedserieus als hij beweert dat de elitaire kritiek de zeggingskracht ervan, en de publieke waardering ervoor, altijd schromelijk heeft onderschat of gekleineerd. Net zo verbolgen toont Hemingway zich over de ironische, postmoderne aanvechting om de reproductiekunst tot 'kitsch' en 'camp' te verheffen: 'Laten we ons respect betuigen aan de kunstenaars die de artistieke horizon van de werkende klasse hebben verbreed.'

Wayne Hemingway is dan ook een gepassioneerd verzamelaar. Geboren in 1961 aan de kust van noordwest Engeland werd hij grootgebracht door zijn oma Ida. Zij was, net als de rest van het dorp, een ster in het gezellig maken van een huis. Behalve een heuse poedel bezat grootmoeder talloze sfeerverhogende snuisterijen als gehaakte wc-rolhouders, in leer verpakte wijnflessen, windmolentjes, glasgeblazen dieren, asbakken in de vorm van auto's en hengelende tuinkabouters.

Aangestoken door die hartstocht begon Hemingway op zijn twintigste met het aanleggen van een eigen collectie 'grafiek', bij eengesprokkeld in rommelwinkels en vlooienmarkten. In Just Above The Mantelpiece heeft hij werk van 57 'gerenommeerde' reproductieschilders bijeengebracht, alsmede zo'n veertig niet-gesigneerde stukken uit dezelfde categorie.

Het ruimst bemeten voetstuk in het boek komt toe aan Vladimir Tretchikoff, die Hemingway aanwijst als 'swerelds eerste massa-kunstenaar. In de jaren vijftig en zestig in Londen, de Verenigde Staten en Zuid-Afrika vergaarde de uitgeweken Rus een fortuin met zijn afbeeldingen van oosterse meisjes, stillevens, 'huilende' rozen, galopperende witte paarden, de 'stervende zwaan' en surrealistische naakten. Hoewel de indertijd fameuze criticus William Fever zijn doeken 'tot de meest onplezierige kunst van de twintigste eeuw' uitriep, trokken de exposities van de originelen makkelijk honderdduizenden mensen, en in soortgelijke aantallen werden ook de afdrukken ervan verkocht.

Volgens Hemingway is de dame op Tretchikoffs schilderij The Green Lady bij het grote publiek zeker zo'n bekende verschijning als Mona Lisa en moet haar portret tot de topdrie van de bestverkochte reproducties ooit worden gerekend. Desondanks heeft de samensteller de afbeelding niet in zijn boek opgenomen en blijft het voor de buitenwacht dus piekeren hoe de populaire groene vrouw 'bij oma thuis' er ook alweer uitzag.

Dat is weer helemaal niet nodig bij het terugzien van de schilderingen van Margaret en Walter Keane, die de 'kinderen met de grote ogen', kortweg de Big Eyes, onsterfelijk hebben gemaakt. Ze komen net zo vertrouwd over als het Che Guevara-affiche uit ongeveer hetzelfde tijdperk, en het kan haast niet anders of ze moeten op de eerste de beste fancy fair of kringloopwinkel nog wel zijn op te duikelen.

Die veronderstelling wordt door Hemingway overigens direct de kop ingedrukt. De Keane-kinderen zijn cult, mede dankzij een modebijlage van The New York Times die in 1999 nageschilderde Big Eyes ontwerpen toonde van John Galliano, Oscar de la Renta, Chris tian Lacroix, Dolce & Gabbana en Gianfranco Ferre. Popgroep Blur kwam eveneens met Big Eye-kunst op de promotieposters van hun single Coffee and tv, terwijl Hemingway ook fotografe Inez van Lamsweerde schatplichtig aan de Keanes noemt. Hoe dan ook, een 'Keane' is de doorzonwoning inmiddels allang ontstegen: voor een origineel doek wordt in de eigen galerie van Margaret Keane 200 duizend dollar gevraagd.

Anders dan in het geval van Lynch en Bragolin is de wordingsgeschiedenis van hun Grote Ogen-repertoire tot in detail vast gelegd. De Keanes maakten in de vroege jaren vijftig nog deel uit van het avantgarde-milieu in San Francisco, toen Walter na een reis naar Berlijn geïnspireerd raakte door de hologige kinderen die daar nog over straat zwierven en ze tot onderwerp van een eindeloze stroom goedverkochte multiples maakte.

Jaren achtereen wist niemand beter of de schilderijen waren van de hand van Walter Keane zelf, totdat zijn vrouw Margaret in een radioprogramma in 1970 onthulde dat zij de kwast hanteerde, en dat ze de schilderijen 'in gevangenschap' in het gezamenlijke atelier moest produceren. Het kwam tot een proces waarin de rechter beiden verordonneerde in de rechtszaal een Big Eye te vervaardigen. Margaret had binnen een uur een kunstwerkje op het linnen, waar Walter als gevolg van een pijnlijke schouder en dito hand zei af te moeten haken. De rechter kende Margaret vervolgens vier miljoen dollar schadevergoeding toe, maar de echtelijke twist is er nooit mee beslecht. Beide Keanes leven nog, en de stokoude Walter is nog immer druk met de bestrijding van de 'leugen van de eeuw'.

Met de reproductiekunst van Bragolin, Lynch, Tretchikoff en Keanes is geen afgerond tijdsbeeld in kaart gebracht. Loop door een willekeurige Nederlandse binnenstad en overal zie je wel een posterwinkel of een straatverkoper met plaatwerk in technieken die al sinds de jaren tachtig blijvend populair bij een deel van de bevolking zijn: fotorealisme en airbrush, met de wissellijst bijgeleverd. Het soort kunst waarbij je je een zithoek van Lucky Leder voorstelt, of waar een filiaal van de Pizza Express mee is opgeleukt. De door Olé Hansen in 1964 opgerichte 'spuitwerkerij' Athena in Londen voorzag half Europa van reproducties in deze stijl. Het bedrijf verkocht 375 duizend exemplaren van 'de tennisspeelster' met de blote billen onder het opwaaiende sport rokje.

Ook van deze kunst is verzamelaar He mingway allesbehalve vies. Integendeel. Hij spreekt van een 'great concept' en roemt de 'sophistication' van de meestal anonieme kunst enaars in het genre. Hun vakmanschap heeft het 'goede smaak'-gehalte en de pictu rale kwaliteit van de reproductie versterkt, waar tegelijkertijd de thematiek vertrouwd is gebleven: exotiek (tropische zonsondergangen), fantastisch realisme (eenhoorns), erotiek (borsten, jarretelles, naaldhakken) en een 'stukje eerlijke emotie' in de vorm van een liefdestraan. En kom daar tegen woordig maar eens om in het Stedelijk Museum.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden