Meesterschap of kracht

Bij het toekennen van prijzen voor kunstuitingen – of het nu films, gedichtenbundels of toneelvoorstellingen betreft – geldt de onverbiddelijke wet van appels en peren....

Vorig jaar had de jury van de VSB Poëzieprijs een aantal bundels genomineerd die je met enige fantasie onder één noemer zou kunnen brengen: filosofisch georiënteerde poëzie. Dat was een duidelijke keuze, die als voordeel had dat de dichters inderdaad met elkaar vergeleken konden worden. Dit jaar – de prijswinnaar wordt vandaag bekendgemaakt – is dat niet het geval. De vijf genomineerden zouden elkaar nooit uitgezocht hebben, waardoor een indruk van willekeurigheid ontstaat, die meteen de vraag oproept waarom bijvoorbeeld Hans Verhagen en Pieter Boskma niet tot de eregalerij zijn toegelaten. Dat de jury oog heeft voor kwaliteit, staat overigens buiten kijf, want alle genomineerde bundels zijn zonder meer goed.

Bart Meuleman (1965) is een debutant, en de enige Vlaming in het gezelschap. Zijn bundel Hu l p bestaat uit 37 ontsporende monoloogjes van een ik tot een jij. De spreker, wiens identiteit lijkt te wisselen, biedt iets te nadrukkelijk hulp aan: 'omdat je op straat lag, ontveld aan de wortel, trok ik je naar binnen. daarom./ga daar nu niets bij denken. je kop nog nat van riool, het vuil dat ik/uit je holten moet peuteren, je rijpe ellende.' Intussen is de ik er in veel gedichten even beroerd aan toe als de jij: 'het ergste is, we kunnen mekaar niet wassen.' De spreker zou een psychopaat kunnen zijn, 'een klootzak met een snijtuig', die ook de taal op zijn snijtafel legt: 'ik sneed je tot kunstwerk, van bloed en rechte lijnen.'

Ook met de sprekers in Geen hand voor ogen van Alfred Schaffer (1973) is het niet gemakkelijk bevriend te raken. Voor hem is het leven een schouwtoneel waarin ieder zijn rol speelt en authenticiteit ver te zoeken is. In zorgvuldig geconstrueerde verzen, strofen en afdelingen wordt een koude wereld opgebouwd, een onkenbaar en desolaat oord met maar één nooduitgang, die van de dood: 'En dan gaat het doek op, het rode woordje EXIT stelt ons gerust.' Dit is wat men in het theater zou kunnen zien: 'Hij rent door dorpen en steden, door een juichende massa/achterna gezeten. Een wervelende choreografie van woeste/boksbewegingen in het luchtledige, een woedende race langs/paginagrote advertenties, posters die zijn komst verkondigen.'

Dat de wereld een gekkenhuis is waarin je alleen kunt overleven door je ervan af te sluiten, is een visie die je zou kunnen afleiden uit de onderling zeer verschillende bundels van Nachoem M. Wijnberg (1961) en Arjen Duinker (1956). In De zon en de wereld laat Duinker zien hoe je taal kunt gebruiken om de tijd stil te zetten, om categorieën als plaats en causaliteit uit te schakelen, om zelfs de woorden van hun betekenissen te ontdoen. 'De zon' is een dialoog waarin vrijwel niets gebeurt. Zegt de ene spreker: 'De zon schijnt mooi', dan luidt het antwoord: 'Ja, de zon schijnt mooi'. De bewering: 'Want de zon schijnt door het leven heen' wordt zo aangevuld: 'Met letters en ogen/Met sinaasappels/Ja, met voeten en monden'. Het gesprek is een ritueel om een leegte te bereiken die ervoor zorgt dat je de wereld opnieuw leert zien, zonder alle betekenisfranje die er in de loop der eeuwen aan is vastgekoekt.

Ook in Eerst dit dan dat van Wijnberg gaat het om rituelen, maar anders dan bij Duinker staan de personages hier midden in de wereld. Velen van hen zijn Chinese ambtenaren, die poëzie gebruiken om de chaos te ordenen: 'Gedichten zijn nutteloos om de wereld te besturen,/zegt Huang Tingjian, wiens gedichten wonderlijk zijn als ze lukken.'

Poëzie schrijven is een vorm van economie: 'Kan ik dat niet korter zeggen?/Een gedicht verspilt toch niet?' En de efficiency ervan leidt tot innerlijke rust: 'De eenvoudigste manier om tot rust te komen:/steeds weer op een andere manier beginnen.' In het titelgedicht maakt het schrijfproces deel uit van een geritualiseerd leven: 'Schrijven, dan wachten;/wachten, dan schrijven;/gedicht, dan afscheid,/dan op bezoek gaan.'

De oudste, maar tevens meest exuberante en onbesuisde dichter van het vijftal is H.H. ter Balkt (1938). Voor hem geen rituelen, geen ontkleding van de taal, geen verlies van authenticiteit, maar woeste verzen vol slordige herrie, schoonheid, citaten, grappen en boosheid. In de An t i -c a n t o 's van Ter Balkt blijft de taal een breekijzer om harten te winnen en misstanden aan de kaak te stellen: 'Ratio-klokken blijven beieren/Tabaksvirussen in de novotels/Caligula's aan de stuurraderen/Hun netwerken spreiden zich.' Het enige nadeel van Ter Balkts woekeringen is dat ze soms zozeer uit persoonlijke associaties zijn voortgekomen, dat er geen touw aan vast te knopen is.

De jury moet kiezen tussen postmoderne twijfel, geritualiseerde taalmuziek, nuchtere verstilling en overrompeling .

Een onmogelijke afweging.

Maar als emotie en wijsheid een rol spelen in het oordeel, zou het moeten gaan tussen het meesterschap van Wijnberg en de kracht van Ter Balkt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden