Meeslepende verhalen, verteld in barre tijden

Het is 2024. Er woedt een nucleaire oorlog, de eerste in een reeks van vier, die later - niet zonder ironie - de 'Oorlogen ter Vermaak' zouden worden genoemd....

Als ze enigszins zijn bekomen, elkaar hebben leren kennen en genieten van de rust en het comfort die dit bastion hun te bieden heeft, raken de verschrikkingen buiten al snel op de achtergrond. Men gaat elkaar verhalen vertellen, intrigerende verhalen, prachtige verhalen, meeslepende verhalen. Ze worden afgewisseld met haast socratische gesprekken over de liefde, de wiskunde, de politiek, het bankwezen, de kunst, de literatuur (bijvoorbeeld wat vertellen eigenlijk is) en nog veel meer.

In de tuin der zeven schemeringen, zoals het boek heet waarin dit allemaal aan de orde komt, herleven Boccaccio's Decamerone, The Canterbury Tales en vooral Jan Potocki's Manuscript gevonden te Zaragoza. De schrijver, Miquel de Palol (Barcelona, 1953) moet in die voorbeelden ongebruikte mogelijkheden voor deze tijd hebben gezien, zowel naar de vorm als naar de inhoud. Hij heeft goed begrepen dat men elkaar in barre tijden verhalen kan gaan vertellen, zoals in sommige van de genoemde boeken (tot vermaak, als troost). Maar Palol gaat ook een stap verder. De extreme afzondering waarin zijn personages zijn terechtgekomen, dwingt hen hun woorden serieus te nemen en geen praatjes voor de vaak te verkopen, zoals in het gewone leven vaak het geval is.

Palol is een dichter, niet zomaar een dichter, maar een poëet tot de derde macht: zijn vader was het en zijn grootvader ook. Aan zijn manier van vertellen merk je dat niet, die is nuchter, kalm, intelligent en altijd zeer toegankelijk. Het dichterlijke zit 'm in de ernst waarmee Palol talrijke aspecten van het leven, niet van gevoel ontbloot, door zijn personages onder woorden laat brengen en, zeg ik erbij, op elkaar laat rijmen.

Wie bang is de draad kwijt te raken, als hij van het ene verhaal in een ander belandt en vervolgens weer in een nieuw (het zijn soms verhalen in verhalen in verhalen), kan het overzichtelijke schema achterin het boek er als houvast bij nemen. Ik heb dat niet nodig gevonden omdat Palol ondanks de complexiteit die hij bewerkstelligt, zijn overgangen meesterlijk regisseert. Misschien doet De tuin der zeven schemeringen door deze opbouw nog meer dan aan de genoemde 'raamvertellingen' denken aan de onlangs vertaalde roman van Georges Perec: Het leven een gebruiksaanwijzing.

Het boek werd uit het Catalaans in het Castiliaans vertaald, voordat het aan zijn opmars in Spanje (met een jubelende recensie in El País) begon en vervolgens de grenzen van Spanje overschreed. In Nederland wordt het uitgegeven door het kleine, in Spaanse literatuur gespecialiseerde bedrijf Menken Kasander & Wigman, dat de boekhandel al informeerde met een brochure van 32 pagina's in de hoop dat men daar een beetje zijn best zou doen voor dit kolossale boek.

Of De tuin der zeven schemeringen in Nederland zal aanslaan, weet ik niet. De meer dan duizend pagina's hoeven geen bezwaar te zijn. Ook Het boek der herinneringen van Peter Nádas, dat eenzelfde omvang heeft, vond hier meer dan tienduizend lezers. Aan de vertaling van Elly de Vries-Bovée (uit het Catalaans) hoeft het niet te liggen. Die is, hoewel soms wat stijfjes, voldoende soepel om mij in elk geval geen moment het onaangename gevoel te bezorgen niet helemaal vat te krijgen op de tekst (wat je zo vaak bij vertalingen hebt). Ik raakte geleidelijk aan in een roes, het beste bewijs dat hier wijn van een excellent jaar geschonken werd (Menken Kasander & Wigman, ¿ 75,-).

In deze kroniek zijn 'overgangen' een crime. Ik weet niet zo goed waarop ik na een boek als De tuin der zeven schemeringen nog moet wijzen. De nieuwe Bernlef? Cellojaren heet het, een woord dat Bernlef aantrof in een Engelse krant en dat zoveel betekent als 'nadagen', 'de jaren waarin melancholie en verdriet doorklinken', ontleen ik aan de flap. Mooi woord, mooi uitgegeven ook dit boek, waarvan het omslag met een detail van Pierre Bonnards Marthe verwijst naar het lichamelijke waar het in deze verhalen om lijkt te gaan, vooral in de verhouding van de schilder tot zijn model (Querido, ¿ 27,50, ¿ 39,90 gebonden).

Ook bij Rascha Peper, in haar roman Russisch blauw, is sprake van een bijzondere belangstelling voor het lichamelijke, al wordt dat bij haar niet in beschouwende zin verbeeld, maar gebruikt voor de plot. Een werkeloze historicus, Lex Grol, wordt op een dag gebeld door zijn oude hoogleraar, die bezig is met een boek over de laatste Russische tsarenfamilie. Lex weet daar veel van.

In de loop van haar vertelling verstrekt Rascha Peper steeds meer gegevens waaruit blijkt dat Lex niet zo maar belang stelt in de Romanovs. Hij lijdt aan hemofilie (de 'bloederziekte'), net als een zoon van de tsaar. Bovendien is zijn moeder Russisch. Hoe meer Lex zich in de lotgevallen van de Romanovs verdiept, des te meer rijst bij hem het idee, dat hijzelf een afstammeling is van de tsaar. Natuurlijk is dat niet zo, maar voordat dit duidelijk wordt (nee, ik verklap niks), weet Rascha Peper alle onwaarschijnlijkheden aardig naar haar hand te zetten. Vooral als ze Lex over de Romanovs laat uitweiden, is ze goed op dreef, maar helaas heeft zij niet alle tè veel verschillende touwtjes aan elkaar kunnen knopen (Veen, ¿ 34,90).

Met de brieven van Marcellus Emants (1848-1923), eveneens bij Veen verschenen (¿ 39,90), blijft de lezer in de tijd die ook bij Rascha Peper zo'n belangrijke plaats inneemt, de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw. Maar in Voor mij blijft het leven een krankzinnigheid, zoals Nop Maas dit 'portret in brieven' van Emants heeft genoemd, gaat het om de woelingen in de Nederlandse cultuur, waarmee Emants als dwars, onafhankelijk en kritisch schrijver te maken krijgt. In 1894 verscheen van hem Een nagelaten bekentenis, een hoogtepunt in de Nederlandse literatuur van de negentiende eeuw, dat terecht nog steeds wordt herdrukt en gelezen. Op grond van dat 'sombere' boek is hij wel een pessimist genoemd, en dat vindt hijzelf best.

'Ik aanvaard die naam', schrijft hij laconiek aan Carel Scharten, maar hij laat daar op volgen: 'Inderdaad is 't mijn overtuiging dat van elk leven de rekening koerant - mits eerlik en met kennis van zaken opgemaakt - een nadelig saldo oplevert aan geluk. Toch meen ik, dat niet dit de hoofd-idee van mijn werk is. Die zoek ik veeleer in mijn andere overtuiging, dat ieder mens zich zelf voortdurend misleidt en misleiden moet.' Alsof je W. F. Hermans hoort.

Op de literaire kritiek heeft Emants het niet zo begrepen, net zo min als op de filosoof Bolland, die in die tijd opgang maakt. Díe kritiek heeft een onverwachte actualiteit gekregen doordat zojuist bij Bert Bakker een studie van Willem Otterspeer over Bolland is verschenen: Bolland. Een biografie (¿ 75). Wie het ene boek leest is nu wel gedwongen ook het andere tenminste even te raadplegen.

Behalve De tuin der zeven schemeringen zagen deze week nog andere, en soms erg belangrijke vertalingen het licht. De voortvluchtige van Marcel Proust bijvoorbeeld (De Bezige Bij, ¿ 44,50). Die mededeling is uiteraard vooral van belang voor degenen die tot nu toe alle delen van Op zoek naar de verloren tijd - in de meesterlijke vertaling van Thérèse Cornips - hebben aangeschaft, maar misschien worden anderen erdoor geprikkeld nu eindelijk eens aan het werk van Proust te beginnen. In 1993 verscheen bij De Bezige Bij een beknopte, heldere uitleg van Op zoek naar de verloren tijd van de hand van Jacques Kruithof. Wie deze 'gids' ter hand neemt, kan ervan uitgaan dat hij de weg wel vindt in Op zoek naar de verloren tijd.

En dan, natuurlijk, Pessoa. Harry Lemmens stelde een nieuw deel in de reeks Privé-Domein van De Arbeiderspers samen uit brieven, dagboeken en beschouwingen van de Portugees, die op 5 juni 1914 aan zijn moeder schreef: 'Wat zal ik over tien jaar zijn - of over vijf? Mijn vrienden zeggen tegen me dat ik dan een van de grootste dichters van deze tijd zal zijn - ze zeggen dat op grond van wat ik geschreven heb, niet van wat ik zal kunnen schrijven (. . .) Maar weet ik werkelijk wat dat betekent, zelfs als het waar wordt? Weet ik waarnaar het smaakt? Misschien smaakt de roem naar dood en nutteloosheid, en riekt de triomf naar verrotting.'

Eenmaal in zijn leven heeft Pessoa de smaak van de liefde geproefd, toen hij op het handelskantoor waar hij werkte in contact kwam met de negentien-jarige Ophélia Queiroz. Het ging niet, omdat in de zienswijze van Pessoa literatuur en liefde elkaar uitsloten. Soms maakte de dood een einde aan wat hem dierbaar was, zoals toen zijn vriend Mário de Sá-Carneiro - van wie recentelijk bij De Arbeiderspers de prachtige novelle De bekentenis van Lúcio uitkwam - met strychnine zelfmoord pleegde (AP, ¿ 39,90).

Van de Tsjechische auteur Arnost Lustig (Praag, 1926) verscheen bij de Wereldbibliotheek zijn roman over de ontsnapping van twee jongens uit Dachau naar Praag, die, als ze na alle ontbering denken er te zijn, door landwachten wordt opgepakt: Het donker kent geen schaduw (¿ 32,50). Ook Irene Dische, die in New York werd geboren, maar al weer jaren in Berlijn woonachtig is, heeft het in haar verhalenbundel De intieme bekentenissen van Oliver Weinstock over de lotgevallen van de joden. Niet alleen in de oorlog, maar ook daarna: genadeloos is wat zij, bijvoorbeeld in 'De rijke joden in Duitsland', over de schurkenstreken van de nouveaux riches, de joodse onroerend-goed-speculanten in Frankfurt, onthult (Van Gennep, ¿ 34,90). En van Amos Oz (Jeruzalem, 1939) is er: Noem het nog geen nacht, de zesde roman alweer die van hem in het Nederlands uitkomt.

Oz, die in al zijn boeken zo realistisch mogelijk de problematische kanten van het leven in Israël laat zien, voert nu de 45-jarige Noa ten tonele, die in Tel Kedar, een verzonnen stadje in de Negev-woestijn, de opdracht krijgt een afkick-centrum voor drugsverslaafden op te zetten, nadat de verslaafde scholier Immanuel Orviëto om het leven is gekomen. De burgers verzetten zich hysterisch tegen haar plannen (Meulenhoff, ¿ 34,90).

'De mens is slechts een druppel sperma', schrijft Guido Ceronetti in De stilte van het lichaam, maar, laat hij erop volgen: 'De gutta cavat lapidem', de druppel holt de steen uit, zoals Ovidius opmerkte in zijn Epistulae ex Ponto. Het is ongelooflijk wat Ceronetti (Turijn, 1927) uit geschriften van artsen, dichters, priesters, kwakzalvers en pornografen door de eeuwen heen aan 'lichamelijke' observaties te voorschijn heeft getoverd. Zijn boek is een schatkamer vol onzin, geestigheden, historische feiten en fysiologische eigenaardigheden. Je moet het niet lezen, maar als een encyclopedie raadplegen om dan te bemerken dat je vanzelf blijft doorlezen, alsof er tòch een kompas in deze omgevallen bibliotheek verborgen zit (De Bezige Bij, ¿ 44,50).

De troostelozen, ten slotte. Helaas heb ik het nog niet kunnen lezen, maar anderen deden dat wel, toen de Engelse editie uitkwam (The Unconsoled) en zij staken hun bewondering niet onder stoelen of banken. Het is van Kazuo Ishiguro, die met The Remains Of The Day terecht een internationale reputatie verwierf. De troostelozen speelt zich niet in Engeland af, maar ergens in Midden-Europa, waar 'de wereldberoemde musicus Ryder verzeild raakt in een lange, benauwende droom'. Als je weet wat Ishiguro vermag, moet dàt voldoende zijn om te zeggen: lezen! De roman, 580 pagina's dik, verscheen bij Atlas (¿ 65,-).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden