Meer maakt niet gelukkiger

De recessie heeft voorlopig een punt gezet achter de gouden jaren negentig. De werkloosheid neemt toe, maar de meerderheid van de bevolking baadt nog altijd in een ongekende welvaart....

Enkele maanden geleden ging Richard Layard, hoogleraar aan de London School of Economics en een van Tony Blair's belangrijkste economische adviseurs, naar het ministerie van Financiën. Daar werd hem de vraag gesteld: 'Zou het verschil maken voor het beleid als wij probeerden de mensen echt gelukkiger te maken?'Layards onomwonden antwoord was: Een heleboel. Wij in het Westen, zei hij, zijn in de afgelopen vijftig jaar aanzienlijk rijker geworden, we werken veel minder, we hebben veel langere vakanties, reizen meer, leven langer, zijn gezonder; en toch zijn wij niet of nauwelijks gelukkiger geworden.'

Layard werkte zijn antwoord uit in een serie openbare colleges die in de Britse media verrassend veel aandacht kreeg. De BBC liet hem uitvoerig aan het woord. Will Hutton, gerenommeerd journalist en auteur van boeken over sociaal-economische vraagstukken, schreef in The Observer: 'Het is zo vanzelfsprekend dat wij gelukkig willen zijn, dat maar weinig mensen de moeite nemen het daar over te hebben. Door geluk centraal te stellen, zet Layard de wereld op zijn kop. En stelt hij een paar bijzonder pijnlijke en onthutsende vragen. De algemeen aanvaarde opvattingen over sociaal en economisch beleid blijken onzin te zijn.'

Layard vindt dat we moeten ophouden ons blind te staren op economische groei, stijgende welvaart, hogere lonen, grotere koopkracht. 'Geluk moet het hoogste doel van onze samenleving zijn', zegt hij. We zullen daar maatstaven voor moeten vinden en het zou best eens kunnen betekenen dat wij gelukkiger worden met een lagere levensstandaard.

De meeste wetenschappers kunnen niets met het begrip geluk. Geluk is te vaag, te persoonlijk en ongrijpbaar om wetenschappelijk serieus te worden genomen. Toch sijpelt het begrip door naar disciplines als psychologie, bedrijfskunde, criminologie, neurologie en recentelijk ook naar de economie. Daniel Kahneman, de Nobelprijswinnaar economie van het afgelopen jaar, laat het geluk in zijn werk meespreken. De Erasmus Universiteit in Rotterdam kent sinds kort een hoogleraar 'sociale condities voor menselijk geluk', de socioloog Ruut Veenhoven.

Layard grijpt terug op de achttiende eeuwse Britse jurist en filosoof Jeremy Bentham, de grondlegger van het utilitarisme, de leer dat het nut de belangrijkste leidraad moet zijn in moreel en politiek handelen, met als doel zoveel mogelijk mensen zo gelukkig mogelijk te maken. Volgens Bentham was de beste wet de wet die het meeste geluk levert. Hij sprak over de 'the greatest happiness for the greatest number.'Geluk zag hij daarbij als de 'optelsom van genoegens en pijn.'De Amerikaanse founding fathers beschouwden het najagen van geluk – the pursuit of happiness – als een grondrecht. Bentham was actief in de Franse Revolutie en werd zelfs Frans staatsburger.

Toch werd de heidense leer, zo zegt Ruut Veenhoven, met gemengde gevoelens ontvangen. De christelijke kerken beschouwden het als ketterij om de moraal te stoelen op menselijk geluk in plaats van op de goddelijke openbaring. Het streven naar geluk paste ook niet bij de verheerlijking van het lijden. De felle nationalisten van die dagen zagen er ook niet veel in. 'Sterven voor het vaderland vonden zij mooier', aldus Veenhoven.

De opkomende arbeidersbeweging had 'gelijkheid'hoger in het vaandel staan dan 'geluk'. De liberalen waren wel geïnteresseerd; vooral in de opvatting dat het individu zelf het beste weet wat hem gelukkig maakt. Maar het enthousiasme van de liberalen taande toen Bentham zei dat de staat zich moet bekommeren om de (zedelijke) opvoeding van zijn burgers en de kloof tussen rijk en arm moet dichten. Bentham stelde vast dat armen aanzienlijk meer baat hadden bij een marginale loonsverhoging dan rijken voor wie een paar centen meer niets betekende.

Bij de opbouw van de verzorgingsstaat met zijn sociale voorzieningen, in het midden van de vorige eeuw, beriepen politici zich eveneens op het utilitarisme.Joop den Uyl sprak over 'de kwaliteit van het leven', in feite een ander woord voor menselijk geluk. Desondanks werd de bijdrage aan het geluk niet de maatstaf van het sociaal-economisch beleid. Economen wisten en weten weinig raad met de immateriële wensen van de burger. Het ijkpunt voor het beleid was en is de economische groei die gemeten wordt aan het Bruto Nationaal Product. 'Een hopeloze zaak', zegt Layard, omdat in al die jaren van welvaart en economische groei het 'welzijn'van de burger niet of nauwelijks is toegenomen.

In Amerika, waar de welvaart sinds 1950 bijna is verdrievoudigd, zijn de mensen volgens onderzoekers niet gelukkiger geworden. Layard definiëert geluk hier als: je goed voelen, genieten van het leven. Hetzelfde geldt in grote lijnen voor Japan, waar de materiële welvaart is verzesvoudigd, en voor West-Europa. Hij wil daarmee niet beweren dat de mensen ongelukkig zijn. Integendeel, de bevolking van de westerse wereld is nog nooit zo gelukkig geweest als in de laatste vijftig jaar. De vraag die Layard stelt is echter waarom met de ongekende stijging van de welvaart het geluksgevoel niet evenredig is toegenomen. Veenhoven is iets positiever. Hij wijst er bijvoorbeeld op dat het aantal jaren dat de mensen in goede gezondheid leven flink is toegenomen en daarmee ook 'hun levensvoldoening', zoals Veenhoven 'geluk'omschrijft.

De welvaart moge ons in de westerse wereld de afgelopen halve eeuw niet veel gelukkiger hebben gemaakt, in arme landen is geluk daarentegen wel direct afhankelijk van inkomen en geld. Zodra echter het gemiddelde jaarinkomen tot vijftienduizend euro per persoon is gestegen, neemt ook in deze landen de toename van het geluksgevoel snel af.

Geluk draait kennelijk niet alleen om geld, maar wel zijn de rijken overal gelukkiger dan de armen. In Amerika, het land met grootste verschillen tussen rijk en arm, zegt volgens recente peilingen bijna veertig procent van het rijkste kwart van de bevolking 'heel gelukkig'te zijn. Zeven procent van de rijken voelt zich 'ongelukkig'. Het aantal ongelukkigen onder het armste kwart van de bevolking is vier keer zo groot. Van de armen is zestien procent 'heel gelukkig', dat is nog niet de helft van het aantal 'heel gelukkige'rijken. In de afgelopen decennia is het percentage 'heel gelukkige'mensen in beide groepen verminderd. Merkwaardig, zegt Layard, want ook de armen zijn er financiëel flink op vooruitgegaan. Dus gaat het inderdaad niet alleen om het geld.

Mensen beseffen, zegt Layard, bewust of onbewust, dat rijken gelukkiger zijn.

Daarom willen ook zij een hoger inkomen, maar als iedereen er op vooruit gaat, is de lol er gauw af, want de verschillen blijven, of nemen zelfs toe. De armen worden van de extra kruimels brood zelfs ongelukkiger. Zij hebben er geen boodschap aan dat de westerse mens nog nooit zo gelukkig is geweest. De armoedegrens is heel relatief. Overal ter wereld voelen mensen zich bekocht en ongelukkig als hun inkomen daalt. Maar als iedereen hetzelfde lot treft, is men de ellende gauw te boven. Layard wijst in dit verband op de Tweede Wereldoorlog.

Tekenend is een onderzoek onder studenten aan de Harvard Universiteit. Waar zou je voor kiezen, luidde de vraag die aan hen werd voorgeled: Een inkomen van vijftigduizend dollar per jaar, terwijl ieder ander de helft krijgt? Of honderdduizend dollar per jaar, terwijl ieder ander het dubbele krijgt? De meerderheid wilde vijftigduizend, want dan had je tenminste meer dan de anderen. Dat was kennelijk belangrijker.

Mensen vergelijken hun salaris met dat van collega's, vrienden en familie: met de eigen omgeving. Ze worden ongelukkig als ze bij hen achterblijven, ook al is het inkomen nog zo mooi. Ze zijn kwaad op de zelfverrijking van hun bazen. Maar ze zijn niet jaloers op de miljoenen van voetballers of tv-sterren, mensen uit een andere wereld.

Emancipatie heeft de vrouw veel mogelijkheden gebracht, zegt Layard, maar de werkende Amerikaanse vrouwen zijn, vergeleken met mannen, minder gelukkig geworden. Zij zien zich, meent hij, achtergesteld in de concurrentieslag met mannen. Dat doet pijn. Vroeger was die strijd er niet en dus was er volgens Layard minder onvrede.

De Oost-Duitsers waren, zegt Layard, ondanks alles redelijk tevreden met hun lot, maar sinds de hereniging van Duitsland zijn ze ongelukkiger geworden. De welvaart is gestegen. Maar nu moeten zij zich meten met de West-Duitsers tegen wie ze niet opkunnen. Ook de werkloze is beter af, maar niet in zijn verbeelding. In de voormalige DDR bestonden geen werklozen.

Of we het mooi vinden of niet, rivaliteit zit, zegt Layard, in onze genen. Winnen maakt ons gelukkig. Daar is weinig aan te veranderen, het is zinloos het te willen bestrijden. The survival of the fittest houdt de soort gezond. Oscar-winnaars leven gemiddeld vier jaar langer dan genomineerden die de boot misten.

De wedijver op de vrije markt heeft geleid tot een toename van onze welvaart. De vrije markt mag echter geen doel op zichzelf worden, maar moet een middel tot geluk blijven. We zijn te ver doorgeslagen, meegezogen in de rat-race. De voldoening van een salarisverhoging, het plezier van de nieuwe merkschoenen, de gsm, de auto of een ander statussymbool is van steeds kortere duur. Layard maakt een vergelijking met de verslaafde die steeds vaker en steeds meer drugs nodig heeft om zich niet diep ongelukkig te voelen.

Opvallend is volgens Layard, dat het in de rat-race vooral gaat om maatschappelijke status en materiële zaken; om aanzien en geld. Niet om immateriële zaken zoals meer vrije tijd om aan gezin, hobby's en vrijwilligerswerk te besteden, zaken waar we ook vreugde aan beleven. Dezelfde Harvard-studenten die een laag inkomen prefereerden, zolang het maar hoger was dan van de ander, dachten er bij vakanties heel anders over. Zij verkozen een lange vakantie, ongeacht het aantal vakantiedagen dat anderen kregen.

Vanzelfsprekend, zou je zeggen. Maar zo simpel is het niet. Immateriële zaken zijn minder de moeite waard om voor te vechten. Ze geven geen status. Dus ben je bereid om de vrije tijd ook veel eerder op te geven als je baan en salaris in het geding komen. Layard vindt dat mensen die onevenredig veel verdienen en constant gestresst met hun werk bezig zijn, gestraft moeten worden met hogere belastingen. Hun zucht naar steeds meer geld en status dwingt anderen mee te doen en maakt de achterblijvers ongelukkig. Het is een vorm van milieuvervuiling.

Mede op advies van Layard besloot de Britse labourregering de topsalarissen in het bedrijfsleven aan te pakken, nadat Blair eerder nog terugschrok voor verhoging van de inkomstenbelasting omdat dit werklust en initiatief zou ondermijnen.

O

ndanks zijn geloof in het kapitalisme en de vrije markt, meent Layard dat regeringen de afgelopen twintig jaar teveel nadruk hebben gelegd op de prestatiemaatschappij, waarbij in de woorden van Oscar Wilde ieder van alles de prijs kent, maar van niets de waarde.

De 'goede werken'die men vroeger uit liefde of burgerplicht deed, zijn veelal overheidstaken geworden en worden nu steeds meer als gewoon betaald werk beschouwd. Van geld gaat ook op een andere manier een negatieve prikkel uit. De inwoners van een Zwitserse gemeente aanvaardden aanvankelijk een vuilstort in hun buurt omdat hij nu eenmaal ergens moest komen, maar toen smartegeld werd geboden, kwam verzet. Men vond het geboden bedrag te laag. Bloeddonoren werven met geld, blijkt volgens onderzoek riskant, want als het geld op is haken de meesten af. De idealisten die uit liefde voor de medemens bloed gaven, gaan daar ook zonder honorering mee door.

Veenhoven betwijfelt of het teloorgaanvan de ouderwetse gemeenschapszin de grote boosdoener is. Hij denkt niet dat de sociale samenhang van weleer kan terugkeren, zoals Layard hoopt. Layard gelooft in de noodzaak van een sterke, hechte verzorgingsstaat, maar Veenhoven wijst erop dat onderzoek heeft uitgewezen dat sociale zekerheid de mensen niet gelukkiger maakt. Het welzijn van mensen in de Verenigde Staten, een land met weinig sociale voorzieningen, blijkt niet noemenswaardig te verschillen van mensen in Zweden, een land met een uitgebreid verzorgingspakket.

In Engeland hadden de drastische bezuinigingen van Margaret Thatcher op de verzorgingsstaat weinig effect gehad op het gevoel van welzijn. Veenhoven stelt dat sociale zekerheid een verplichte inkomensverzekering van staatswege is. De staat is niet noodzakelijkerwijs de beste verzekeraar. Mensen willen zelf uitmaken wat voor verzekeringen ze af willen sluiten en of ze tot hun vijftigste, zestigste of zeventigste willen doorwerken. De individualisering van de maatschappij is niet tegen te houden.

'Het gelukkigst is het autonome individu', zegt Veenhoven. 'Gelukkige mensen zitten goed in hun vel, hebben belangstelling voor de buitenwereld. Ze zijn socialer, geven meer geld aan goede doelen en gebruiken vaker hun stemrecht. Zij hechten veel belang aan een land dat de mensenrechten respecteert, niet corrupt is en de burger inspraak geeft.'Kantons in Zwitserland met veel referenda hebben gelukkiger burgers dan de kantons met weinig referenda, zoals minister De Graaf ongetwijfeld zal weten.

Over de rol en het nut van de verzorgingsstaat denken de socioloog Ruut Veenhoven en de econoom Richard Layard verschillend. Maar beiden zijn er van overtuigd dat het achttiende eeuwse utilitarisme van Jeremy Bentham, waarbij het menselijk geluk centraal staat in wetgeving en beleid, nieuwe kansen biedt in een wereld die zijn ideologiën heeft verloren. De eerder genoemde Will Hutton zei: 'Als je er even over nadenkt, is er niets zo radicaal als proberen gelukkig te zijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden