Meer leren, minder weten

Jongeren weten niets meer, het niveau van de scholen daalt en Nederland wordt steeds dommer. We zeggen het elkaar graag na, maar kunnen we het ook bewijzen?...

Over elke nieuwe lichting brugklassers wordt zwaar gezucht in de lerarenkamer.

'Wat zijn ze weer stom dit jaar.' Grapje natuurlijk. Hoewel. Uit een recente peiling van de onderwijsvakbond AOB blijkt dat maar liefst 89 procent van de leraren vindt dat het niveau van het onderwijs daalt. De leraren staan niet alleen. Voorzitter Jacques Schraven van de werkgeversorganisatie VNO/NCW vindt letterlijk dat Nederland 'steeds dommer' wordt. En onderwijsminister Maria van der Hoeven wil meer grip krijgen op het niveau van de basisschool door alle basisschoolkinderen op vier-en twaalfjarige leeftijd te testen.

Zijn al die zorgen over het niveau van het onderwijs terecht? En waar meet je het niveau aan af? Gaat het om een vergelijking met vroeger? Mogen we vooral niet achterblijven bij het buitenland? Of gaat het om het gewenste onderwijspeil in een kenniseconomie?

'Leraren die zeggen dat de kinderen twintig jaar geleden veel slimmer waren dan nu, hebben gelijk.' Dat zegt Wim Meijnen, onderwijssocioloog bij het Kohnstamminstituut van de Universiteit van Amsterdam. Vroeger zaten heel wat goudhaantjes op de havo die makkelijk het vwo hadden kunnen doen. En heel wat kinderen van havo-niveau zaten op de mavo. Denk aan meisjes die niet zo nodig hoefden. En kinderen uit lagere sociale milieus. Dat is voorbij. Er wordt steeds meer talent benut.'

Dat verklaart veel onvrede onder vooral de wat oudere leraren. De leraar Frans moet tegenwoordig meer moeite doen om dertig pubers klaar te stomen voor het eindexamen Frans dan vroeger. Het publiek is veranderd. Eerst was het de democratiseringsgolf waardoor steeds meer kinderen naar hogere onderwijstypen doorstroomden. Daarna stuwde het groeiende ambitie-niveau van de ouders de vraag naar onderwijs op. Havo is tegenwoordig toch wel ' t minst.

'Geef die ouders eens ongelijk', vindt Leo Prick, ex-leraar Nederlands die als psycholoog regelmatig onderzoek doet in opdracht van het ministerie van Onderwijs. 'Een goede opleiding wordt steeds belangrijker om materiële welstand te bereiken.'

Het gevolg is dat het aantal twaalfjarigen dat met succes een gooi doet naar het havo-of vwo-diploma ook het afgelopen decennium nog steeg. In 1988 wist 33 procent van de middelbare scholieren een havo-of vwo-papiertje te bemachtigen. In 2000 was dat opgelopen tot bijna 40 procent. Die onderwijsexpansie op zich levert natuurlijk een uiterst waardevolle bijdrage aan het onderwijspeil. In 1980 had één op de tien Nederlanders een hbo-of universitaire opleiding. Nu is dat een kwart. Het gemiddelde opleidingsniveau is zonder overdrijving gigantisch gestegen. Met alle gunstige effecten op de kenniseconomie van dien.

De hamvraag nu is of die massale onderwijsdeelname heeft geleid tot een daling van het niveau. Anders gezegd: zijn de eisen naar beneden bijgesteld om steeds meer kinderen aan een diploma te helpen? Het antwoord is: nee. Preciezer: daar is geen enkele aanwijzing voor.

Allereerst is er de Cito-eindtoets. De prestaties van twaalfjarigen op de Citoeindtoets zijn al twintig jaar praktisch constant. De taal-en rekenvaardigheden van jonge kinderen gaan dus niet achteruit. Ook niet vooruit, mopperen de somberaars, en dat terwijl er miljarden extra zijn geïnvesteerd in het basisonderwijs. Weinig mensen beseffen dat de uitgaven per basisschoolkind tussen 1975 en 2000 met 13 procent zijn gestegen.

'Dat is correct. Maar het basisonderwijs heeft steeds meer allochtone kinderen in de schoolbanken. En kinderen van nu hebben ook steeds meer psycho-sociale problemen', onderstreept de Rotterdamse hoogleraar sociologie Han Leune, tevens oud-voorzitter van de Onderwijsraad. Net als zijn Amsterdamse collega, Wim Meijnen, vindt Leune het een 'hele knappe prestatie' dat de scores op de Cito-toets niet achteruitgekacheld zijn.

Ook de Inspectie van het Onderwijs vindt dat het basisonderwijs overwegend goed en jaarlijks steeds beter presteert. Steeds meer scholen bereiken met hun leerlingen het niveau dat van ze verwacht mag worden. Of hoger. 'Onze conclusie luidt dat het niveau niet is gedaald', aldus de doorgaans voorzichtig formulerende Onderwijsinspectie in het meest recente jaarverslag.

De vraag of de gemiddelde middelbare scholier aan het eind van de rit evenveel weet als vroeger, is moeilijker te beantwoorden. In 1994 legde de Volkskrant, samen met een groep leraren, alle eindexamenopgaven uit 1965 naast die van 1993. De conclusie was eensluidend: de hedendaagse jeugd heeft minder vakken, maar weet meer en gaat veel dieper. Het schriftelijk eindexamen voor talen op de hbs en het gymnasium was niet meer dan een tekst van dertig zinnetjes. 'Vertaal in goed Nederlands', stond erbij. Dat staat in geen enkele verhouding tot de moderne examens vreemde talen waarbij de leerling per examen zes of zeven totaal verschillende teksten moet lezen en analyseren.

Op het gebied van de exacte vakken constateerde leraar Vondeling 'een revolutie in diepgang'. Rector Groenhart van het Murmelliusgymnasium zei: 'Het eindexamen van nu is veel zwaarder.' En docent motorvoertuigentechniek Berkelaar vond het niveau van het lbo in 1994 veel hoger dan dat van de lts medio jaren zestig.

Zo'n eenmalige vergelijking is leerzaam, maar biedt geen echte zekerheid over het niveau. Daarom werkt het Cito sinds 1994 met steeds verfijndere methodes om de examens elk jaar precies even moeilijk te maken. Zo kan over een reeks van jaren bekeken worden of leerlingen beter of slechter worden. Het systeem is niet helemaal waterdicht, maar geeft wel trends aan. Zo stemmen de resultaten bij Duits en Frans niet erg vrolijk. Engels is stabiel. En de trend bij natuur-en scheikunde is stijgend.

Maar daar zijn allemaal logische verklaringen voor, onderstreept Ed Kremers van het Cito. Sinds de invoering van de basisvorming krijgen de kinderen bijna twee keer zoveel vakken. Het aantal lesuren Frans en Duits liep terug en dús gaan de scores omlaag. 'In die uren hebben de kinderen wat anders geleerd', aldus Kremers. Daar komt nog bij dat de scholieren sinds de invoering van de tweede fase minder vrij zijn in de samenstelling van het vakkenpakket. Vroeger werd Duits alleen gekozen door leerlingen die er goed in waren. Die luxe is verleden tijd.

Kortom, historische vergelijkingen leveren geen enkel bewijs voor een daling van het onderwijspeil. En internationale vergelijkingen al helemaal niet. Nederlandse scholieren gooien steevast hoge ogen op de ranglijstjes die de OESO regelmatig maakt van de dertig lidstaten. Nederland staat nummer één met wiskunde, tweede met lezen en zesde met natuurwetenschappelijke vakken.

Er valt van alles op deze ranglijstjes af te dingen. Het blijft moeilijk om onderwijsprestaties van Nederlandse vijftienjarigen te vergelijken met die van Japanse en Zweedse kinderen in totaal andere onderwijssystemen. Maar geen land heeft een betere boekhouding van onderwijsprestaties dan Nederland. En de algemene teneur is volstrekt helder: Nederland hoort bij de kopgroep.

Toch wringt er iets. 'Als ik jonge mensen vertel dat Nederland langer een republiek is geweest dan een koninkrijk, vallen ze bijna van hun stoel.' De psychologe en publiciste Rita Kohnstamm weet het zeker. 'De hedendaagse middelbare scholier leert op school minder dan vroeger.' En ook Han Leune moet toegeven dat zijn studenten minder wéten dan vroeger en minder taalvaardig zijn. 'Het ABN wankelt', zegt hij zelfs. Uit recent onderzoek blijkt dat nog geen kwart (23 procent) van de Nederlandse scholieren weet waar de zon ondergaat. En Karel V? Dat is toch een sigarenmerk?

'Vroeger was duidelijk wat iedere middelbare scholier aan het eind van de rit ongeveer moest weten. Met die traditie is gebroken', meent Leo Prick. 'Wat vanzelfsprekende kennis was voor de oudere generatie, is dat voor de jongeren generatie niet meer.' Alle onderwijswatchers zijn het ermee eens: er is geen minimum aan culturele bagage waarmee de middelbare scholier de wijde wereld in gaat.

Daar staat tegenover dat kinderen tegenwoordig ándere dingen weten. Een slimme tienjarige verstaat tegenwoordig al een aardig woordje Engels. En de computer heeft voor de doorsnee puber geen geheimen meer. Door televisie en buitenlandse vakanties is de horizon van veel kinderen enorm verbreed. 'Allemaal waar', erkent Rita Kohnstamm, 'maar het is een versnipperd weten. Het zijn losse brokjes kennis, maar wat de kinderen missen is het overzicht. Ze krijgen een module van dit, een thema-week over dat en het onderwerp van het werkstuk mogen ze zelf bepalen. Er zit geen enkele lijn meer in.'

Kohnstamm heeft alle graven van het Hollandse Huis op de lagere school geleerd. Ze kent ze nóg. 'Dat hoeft natuurlijk niet. Maar het besef dat Nederland een republikeinse historie heeft en dreef op een sterke burgerij en allerminst een geschiedenis heeft van prinsen en prinsessen en spilzieke koningshuizen, dát moet iedere middelbare scholier toch wel weten.'

Ook economie-docent Ton van Haperen, bekend van zijn column in het tijdschrift van de onderwijbond AOB, betreurt dat er wordt ingeleverd op kennis. Op 'het weten', zoals hij het noemt. 'Niet omdat ik zo aan feitenkennis hang. Maar er komt niets voor in de plaats. Officieel moeten we kinderen tegenwoordig ook veel vaardigheden aanleren zoals grafieken lezen, conclusies trekken uit getallenreeksen en eigen standpunten formuleren. Maar docenten weten helemaal niet hoe ze dat moeten doen. Daar zijn ze niet voor opgeleid. Leraren zijn gericht op kennisoverdracht, maar daar krijgen ze steeds minder lesuren voor.'

Wát scholieren moeten leren is overigens onderwerp van permanent debat én regelgeving. De basisvorming en de invoering van de tweede fase betekende een verdubbeling van aantal schoolvakken: van zeven naar pakweg veertien vakken. De slinger van de klok is té ver doorgeschoten, daar is bijna iedereen het zo langzamerhand wel over eens. De basisvorming wordt dan ook op minder ambitieuze leest geschoeid. En de tweede fase wordt 'verlicht' - vooral door het aantal uren voor de exacte vakken terug te schroeven.

Volgens VNO/NCW-voorzitter Jacques Schraven is dat de dood in de pot voor de kenniseconomie. Het bedrijfsleven krijgt te weinig ingenieurs en andere hoogopge

leide beta's aangeleverd. En door te snijden in de exacte vakken, neemt dat probleem alleen maar toe.

'Dat is een probleem', erkent Wim Meijnen. 'Aan psychologen en sociologen verdient een land minder dan aan ingenieurs, chemici en natuurkundigen. De innovatieve kracht van de kenniseconomie, en daarmee de economische groei, zit vooral in de beta-hoek'.

Maar is dat de schuld van het onderwijs? De helft van de middelbare scholieren heeft een exact pakket. Maar ze vertikken het om natuur-, wis-of scheikunde te gaan studeren. Dat zal ook zo blijven, want beta-studies zijn zwaar en moeilijk en dat verdienen de technici op de arbeidsmarkt niet terug.

Toen Nederland in de jaren ' 80 met een tekort aan IT-specialisten kampte, stegen de lonen in de IT-sector sky-high. Het tekort was snel opgelost. Kennelijk hecht het bedrijfsleven minder belang aan voldoende technici en natuurwetenschappers dan men met de mond belijdt.

Ondertussen is het schooljaar weer begonnen. De brugklassers krijgen veertien schoolvakken en ongeveer even zoveel docenten. De hoeveelheid kennis die ze tot zich moeten nemen, dijt voortdurend uit. Want er komt elke dag geschiedenis bij - waardoor Karel V misschien wel moet wijken voor de val van de Muur. En de wetenschap doet steeds nieuwe ontdekkingen van de DNA-revolutie tot en met zwarte gaten.

In tegenstelling tot landen als Frankrijk en Engeland schrijft de Nederlandse overheid niet voor welke lesstof persé behandeld dient te worden. Want daarover kan men geen overeenstemming bereiken. Rechts wil doorgaans een beperkt kerncurriculum. Links wil een uitgebreid curriculum. Zelfs de werkgevers zijn het onderling oneens. Het grootbedrijf wil breed geschoolde werknemers die overal inzetbaar zijn. Het kleinbedrijf wil een lasser die meteen aan de slag kan.

Het gevolg is dat scholen worden opgezadeld met een onwerkbare opdracht. De aanbevolen lesstof is zo omvangrijk en divers dat scholen er vrijelijk in kunnen grasduinen. Wég is de vanzelfsprekende culturele bagage. En zo kan het gebeuren dat we meer leren dan ooit, maar een vwo'er evengoed niet weet waar de zon onder gaat en dat een havist denkt dat Karel V een sigarenmerk is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden