Meer enquête dan historie

In hoeverre is het NIOD-rapport over Srebrenica waardevrije geschiedschrijving? Het geeft er blijk van dat de historicus in moeilijkheden verzeild raakt, zodra het gaat over gebeurtenissen die nog maar net voorbij zijn....

IS HET geschiedschrijving?

Dat de verschijning van Srebrenica, een 'veilig' gebied nog binnen een week tot de val van een kabinet heeft geleid mag het antwoord op die vraag natuurlijk niet beïnvloeden. Weliswaar vinden grote politieke crises doorgaans hun oorsprong in machtskwesties, in een opstapeling van populair ongenoegen, of soms zelfs in de emoties die een opera teweegbrengt - maar waarom niet ook eens een keer in de publicatie van een onafhankelijk historisch- wetenschappelijk onderzoek?

Dat is het punt dus niet. Het punt is in hoeverre het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie met zijn 'reconstructies, achtergronden, gevolgen en analyses van een Safe Area' niet zozeer een onafhankelijke, als wel een waardevrije vorm van geschiedschrijving heeft beoefend, of misschien moeten we zeggen heeft kunnen beoefenen.

De eerste gretige lezers van de (qua drukwerk enigszins onhandelbare, want nogal glibberige) drie reuzebanden, moeten - afgezien van nieuwszoekende journalisten - de heel of half betrokkenen, de verantwoordelijken, de 'schuldigen' zijn geweest.

Je kunt er donder op zeggen dat die niet op bladzijde 35 zijn begonnen bij 'de voorgeschiedenis van het conflict', waarin het Joegoslavië van ver vóór, tijdens en na Tito uitputtend aan de orde komt, maar op pagina 3347 meteen het personenregister hebben opgeslagen om vandaar terug te bladeren naar de plaatsen waar blijkbaar hun naam is genoemd.

Zoals acteurs nooit eerst het hele toneelstuk lezen, maar rode streepjes beginnen te zetten bij hun eigen dialogen, zo moeten de Van Baals, de Ter Beken, de Van der Broeken, de Couzy's, de Hopen Scheffers, de Karremansen, de Van Kemenades, de Koks, de Lubbersen, de Van Mierlo's tot en met de Voorhoeves in de vroege uren van 10 april koortsachtig naar hun rapportcijfers hebben geduimeld.

Ook dat mag Blom en de zijnen uiteraard niet worden aangerekend. Maar ze hadden meteen al in de zomer van 1996, toen de opdracht werd aanvaard, op z'n minst kunnen vermoeden dat het resultaat van hun intense en buitenwoon consciëntieuze naspeuringen binnen de kortste keren zou worden verengd tot een aantal kant-en-klare issues in een openbaar debat, en misschien zelfs wel de drastische politieke boetedoening van een hele ministerraad tot gevolg zou kunnen krijgen. En in ieder geval wisten ze dat hun geschiedschrijving - hoe onafhankelijk en hoe academisch ook aangegaan - onvermijdelijk 'besmet' zou raken door zoiets betrekkelijk willekeurigs en onacademisch als de actualiteit.

Dat is zoals bekend allereerst het probleem van eigentijdse geschiedschrijving: wanneer is het straatrumoer gedoofd en waar kan de reflectie beginnen, op welk moment is de journalist uitgeschreven over de dagen van gisteren en kan de historicus verantwoord en met een gerust geweten zijn taak overnemen?

Daar zijn veel geschiedtheoretische opvattingen aan besteed, maar je ziet het heel praktisch in opzet en uitwerking van het NIOD-rapport. Zolang er nog sprake is van het oude Joegoslavië - zeg maar: zolang Tito nog leeft - is er weinig aan de hand. In een voorbeeldige literatuurstudie wordt de lezer vertrouwd gemaakt met de relevante historische feiten over het land dat na de Eerste Wereldoorlog als een kunstmatige lappendeken op de kaart werd gezet, en na de Tweede Wereldoorlog dankzij de 'stalinistische' macht van één leider 35 jaar lang als het ware aan mekaar gestikt kon worden gehouden.

Maar niet zo gauw is Tito dood, niet zo gauw begint het desintegratieproces, en niet zo gauw krijgt de 'internationale gemeenschap', inclusief Nederland, te maken met etnische burgeroorlogen op het Europese continent, of mét de nog niet of nauwelijks bezonken eigentijdsheden sluipen ook de onzekerheden binnen, en dreigt de historicus zijn greep op de zaak te verliezen.

Niet dat dat zo erg is, maar je voelt midden in zo'n dikke band ineens de stijl en de aanpak veranderen en de relatieve resoluutheid plaatsmaken voor hele of halve reserves, hypothesen, speculaties, twijfels en omzichtige vraagtekens. Zodra Slovenië, Unprofor en de onderling ook nog ruziënde Lubbers, Van den Broek, Ter Beek, en de landmachtstaf aan de horizon verschijnen, moeten de 'objectieve' feiten worden ingeruild voor 'subjectieve' premissen, veronderstellingen en behoedzaamheden inzake menselijke verhoudingen, humeuren, mispercepties, communicatiestoornissen en in een enkel geval misschien ook domweg incompetentie of domweg kwaadwilligheid.

Typerend is misschien de zin waarmee de auteur van het eerste deel - B.G.J. de Graaff - zijn korte inleiding tot de desbetreffende hoofdstukken besluit.

'Zonder een verhaal te willen bieden', schrijft hij, 'dat te sterk wordt overschaduwd door het inmiddels bekende resultaat, staat dit gedeelte van het rapport toch in het teken van de uiteindelijke uitkomst: de gang van Dutchbat naar Srebrenica. Dat betekent dat bepaalde aspecten die voor de besluitvormers en opiniemakers indertijd wel een grote rol speelden, relatief weinig aandacht krijgen.'

Met zo'n keuze - de welbewuste verwaarlozing van wat in de ogen van de tijdgenoot belangrijk was of leek - zou een strenge leermeester als de oude Huizinga geen genoegen hebben genomen. Maar het is het dubbele dilemma van de contemporain historicus, die zijn onderzoeksvizier bovendien gericht houdt op een met de opdrachtgever overeengekomen einddoel.

Nogmaals: dat is geen schande, al dreigt de op het Haagse Binnenhof graag gebezigde dooddoener over 'de wijsheid van toen' als tegenhanger van 'de wijsheid van nu', er even dooddoenerig bij te blijven.

Aan de wetenschappelijke status van het rapport hoeft de bijzondere relatie met deze opdrachtgever, onder bijzonder brisante politieke omstandigheden, ook niets af te doen. Maar door de specifieke intenties is het in z'n structuur wel onmiskenbaar aan een zekere onevenwichtigheid gaan lijden, met een nogal grote afwisseling tussen supergedocumenteerde hoofdstukken (eigenlijk de hele tweede band, over alle ins en outs van Dutchbat in de enclave Srebrenica tot aan de val) en episodes waarin bijeengebrachte gegevens zich veel lastiger in een dwingende samenhang laten voegen. De geschiedschrijver moet - los van de vraag of hij zich als verhalenverteller een kunstenaar mag voelen - in ieder geval de kunst van het weglaten beheersen. De auteurs van Srebrenica, een 'veilig' gebied (het zijn er bij elkaar elf geweest) maken de indruk dat ze al het materiaal dat ze konden verzamelen, ook metterdaad hebben gebruikt. Dat verklaart niet alleen de 3400 pagina's van het kolossale totaal, maar ook de 'verdikkingen' die in afzonderlijke paragrafen soms verworden tot proces-verbaalachtige uitgroeisels, die meer de ijver van een diender dan de luciditeit van een historicus verraden.

In het hele verslag is, terecht en vaak heel effectief, aandacht ingeruimd voor de al dan niet participerende of sturende rol van de media. Maar als dan bijvoorbeeld ergens melding wordt gemaakt van een KRO-programma uit 1992 waarin behalve kopstukken als Van den Broek, Van Eekelen en David Owen ook bekende Nederlanders als Hans Böhm, Jos Brink en Boudewijn Büch aan het woord zijn gelaten over de vraag of er al dan niet in Joegoslavië moest worden ingegrepen, lijkt die volledigheidsillusie iets te veel van het goede. Wie was in godsnaam Jos Brink?, zal over twintig jaar een lezer van het magnum opus zich afvragen, en dat terwijl de schrijvers van de échte dramatis personae juist steeds heel snedige en behulpzame mini-biografietjes hebben aangeboden.

Er valt nog iets anders op aan het rapport.

Vroeg in z'n Proloog schrijft de eindverantwoordelijke professor Blom:

'Bij het besluit van het NIOD deze opdracht te aanvaarden, was de overtuiging doorslaggevend dat in de samenleving een sterke wens bestond om in de soms zeer tegenstrijdige stroom van gegevens, berichten, vermoedens en beschuldigingen meer helderheid te krijgen (. . .). Het toenmalige bestuur en de directie van het NIOD hebben het in die situatie als hun maatschappelijke plicht gezien om, juist als wetenschappelijk instituut, in te gaan op het verzoek van het kabinet om dit onderzoek te verrichten.'

De historicus als uitvoerder van een samenlevingswil. Het klinkt iets te vroom dan dat je het meteen zou willen geloven - te minder als je bedenkt dat het voortbestaansrecht van het oude RIOD zes jaar geleden serieus ter discussie stond, en er ook nog bij in herinnering roept dat het kabinet en de paarse coalitiepartijen PvdA en VVD in 1996 om politieke redenen mordicus tegen een parlementaire enquête waren, en de vluchtroute naar een onafhankelijke onderzoeksinstantie des te warmer aanbevalen. Maar zou het aanroepen van een 'maatschappelijke plicht' - sinds de negentiende eeuw toch nauwelijks meer een drijfveer voor historici - niet ook te maken kunnen hebben met een door Bloms voorganger stevig gevestigde traditie bij Oorlogsdocumentatie?

M

et een berisping hier, een waarschuwing daar, een bemoediging zus en een desnoods strenge veroordeling zo, heeft Lou de Jong zich altijd consequent opgesteld als de hoeder van een onberispelijke maatschappelijke orde binnen het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, maar liefst ook in de jaren daarna, dus zeker tot en met de Nederlandse vredesmissies als uitdrukking van een wereldwijde maatschappelijke plicht.

Dat de Tweede Wereldoorlog in de dagen van Izetbegovic, Milosevic en Tudjman het dominante referentiekader bleef - de buitenstaander vond dat er wel degelijk sprake was van good guys versus bad guys - is vanzelfsprekend niet de schuld van het NIOD: dat was bij alle partijen een kwestie van propagandaretoriek, en vooral van door televisiebeelden opgeroepen reminiscenties. Maar onwillekeurig leggen de verzamelde feiten, geruchten en vermoedens over oorlogsmisdaden, concentratiekampen, massaverkrachtingen, zuiveringsoperaties en genocide - met hoeveel armslag en decentie ook onderzocht en opgetekend - accenten van moraliteit (om niet te zeggen van goed en fout) in het rapport.

Dat rapport, schrijf Blom in de Epiloog waarin de inmiddels door het demissionaire kabinet onderschreven 'hoofdlijnen' worden geformuleerd, 'is een historische verhandeling en beoogt niet om politieke conclusies of oordelen te verschaffen'.

Dat kan hij nauwelijks menen.

In de voorafgaande derde band zijn de huiveringwekkendste details van het drama en zijn nasleep geïnventariseerd: de wanhopige Dutchbattocht van Srebrenica naar Tuzla, het potsierlijke 'crisisbeheer' in de bunker van Voorhoeve, de ontmoetingen tussen Karremans en Mladic, de moord op zevenduizend moslimmannen, de feestelijke 'thuiskomst' plus de heilloze, ongeregisseerde persconferentie in Zagreb, de debriefing in Assen, en alles wat daar nog nakwam, samengevat in het mooie hoofdstuk 'De affaire Srebrenica in het publieke domein'. En dat alles genoteerd zonder tussenkomst van waarde-oordelen: de feiten spreken voor zichzelf.

Maar in de Epiloog heeft Blom alle conclusies nog eens aangescherpt in bewoordingen die de publieke opinie en de verantwoordelijke politici weinig keuze boden: meer de bewoordingen van de parlementaire enquêteur dan van een historicus.

Daarmee was zijn maatschappelijke plicht volbracht. Maar de ware geschiedschrijving - die ongetwijfeld veel dank verschuldigd zal zijn aan het reusachtige voorwerk van het NIOD - moet nog beginnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden