Meedogenloze gangsters op sloffen

Een nieuwe wet moest de Japanse maffia eronder houden. Maar de yakuza past zich aan, als een bacterie die resistent wordt.

Zwetende mannen en vrouwen in yukata’s, zomerkimono’s, persen zich door de straten van de volkswijk Asakusa. Tijdens het jaarlijkse matsurifestival torsen ze tempels (mikoshi’s) op hun schouders waarin de goden huizen die voor welvaart zorgen. Ze hebben al de nodige sake op en zijn in trance. ‘Washoi’, brullen ze in koor. Onoplettende omstanders worden genadeloos onder de voet gelopen.

Als de mikoshi’s weer op de grond staan, trekken een paar mannen de yukata’s uit. Ze tonen wilde tatoeages die hun bovenlijven bedekken. Eén keer per jaar onthullen ze zo hun ware identiteit: die van yakuza, ofwel Japanse gangster.

Een bezoek een paar dagen later in een satellietstad van Tokio aan het hoofdkwartier van de yakuzagroep Uchibori Gumi, dat zich presenteert als een keurig bedrijf, moet meer licht werpen op de rituelen en regels binnen de yakuza. Loyaliteit gaat boven alles. Van een bendelid wordt absolute gehoorzaamheid verwacht aan de ‘godfather’. Hij moet zelfs opdraaien voor misdaden die hij niet heeft gepleegd, en daarvoor een celstraf uitzitten als dit in het belang is van het syndicaat.

Hoe langer iemand heeft gezeten, hoe hoger zijn status. Een ernstige overtreding van de regels wordt bestraft met het afhakken van een kootje van een pink.

Het betonnen pand van de Uchibori Gumi ligt in een nauwe straat waarvan er duizenden bestaan. Opmerkelijk zijn alleen de auto’s voor de deur. Zoals de lichtblauwe Mercedes cabriolet uit de jaren zestig en de zwarte limousine met geblindeerde ramen. De voordeur staat open en in de hal hangen foto’s van de oyabun (de baas) en zijn zoon, in traditionele Japanse kleding.

Op het afgesproken tijdstip komen een paar bendeleden nieuwsgierig naar buiten; ze ogen eerder schlemielig dan afschrikwekkend. De georganiseerde misdaad hier draagt goedkope pakken en zwarte sloffen van plastic.

De oyabun is opeens verhinderd, zeggen de mannen, en heeft ook de komende weken geen tijd. Op de vraag of ze wel echt yakuza zijn, reageert een van hen als door een wesp gestoken. Hij trekt zijn overhemd uit en toont een bloeddorstig tafereel op zijn rug. Om daarna snel het hoofdkwartier in te schieten.

Een toevallige ontmoeting met Tomi (49), ooit gangsterliefje maar nu huisvrouw en moeder van twee puberende dochters, levert meer op. Zij is bevriend met de oyabun van een ander syndicaat. Op voorwaarde van anonimiteit staat hij open voor een gesprek. Dat vindt plaats in een karaokebar, op de achtste verdieping van een gebouw vol met nachtclubs.

Vooral de tweede man, de kashira (secretaris) van het syndicaat, valt op. Hij draagt een zwart pak met witte, leren puntschoenen en heeft zijn glimmende, zwarte haar strak naar achteren gekamd. In beide oren fonkelen diamanten, om zijn hals hangt een Bulgari-ketting en aan zijn riem zijn drie mobiele telefoons bevestigd. Hij is opgetogen, want hij heeft zojuist zijn nieuwe ‘dierenwinkel’ geopend.

Nori (59), de oyabun, is nog onderweg. Hij moest naar het ziekenhuis voor controle. ‘Hij heeft kanker’, fluistert Tomi. ‘Veel yakuzaleden worden op jonge leeftijd ziek vanwege drank en drugs.’

Als Nori, een tengere man met een oversized vest en een te wijde spijkerbroek, eindelijk binnenkomt, staat iedereen op om te buigen. Vooral de bareigenaar.

Nori lacht vriendelijk en valt maar meteen met de deur in huis. ‘In de gevangenis werd ik genezen verklaard, maar het is terug.’ Hij heeft 15 jaar gezeten, zegt hij trots, voor een ‘aan wapens gerelateerd incident’. De strafmaat doet wapenhandel of doodslag vermoeden. De kashira heeft 12 jaar gezeten en weer een ander bendelid 10 jaar, vervolgt de oyabun. Ook zij knikken trots.

Maar dan betrekt Nori’s gezicht. ‘Ik ben anderhalf jaar vrij en geef weer leiding aan de organisatie. Dat valt niet mee, want ik moet zeker tweehonderd man onderhouden. Het gaat slecht met de economie, bovendien worden we in de gaten gehouden door de politie.’

Zijn syndicaat verstrekt leningen en is actief in de bouw en het onroerend goed, pretendeert Nori. ‘Maar we mogen geen hoofdkwartier hebben. Ik kan geen visitekaartjes uitdelen en mag niet eens meer mijn tatoeages tonen. We zijn gelieerd aan de Yamaguchi Gumi, het grootste syndicaat, dat de bijzondere aandacht van de autoriteiten heeft. Ik moet me zo onopvallend mogelijk gedragen. Als de hoogste baas hoort dat ik met een krant praat, ontslaat hij me meteen.’

Vroeger was de yakuza oppermachtig. Maar sinds de wet tegen de georganiseerde misdaad van kracht werd, worden benden eerder vervolgd en moeten ze concurrentie toestaan. Vooral van Chinezen, die actief zijn in Kabukicho, een buurt in Tokio met veel seksindustrie. Nori: ‘We moeten ze wel dulden. Als er een bendeoorlog uitbreekt, is vooral de yakuza de klos.’

De oyabun drinkt uitsluitend koude thee. Hij gebaart dat hij zijn zwarte tas van krokodillenleer nodig heeft. De jongste bediende uit zijn entourage komt aangesneld om hem te openen. Nori haalt er oude foto’s uit van zijn liefjes, onder wie Tomi. Hij heeft acht kinderen bij acht vrouwen. Met de mooiste is hij getrouwd. ‘De vrouw van de oyabun speelt een machtige rol in het syndicaat als haar man in de gevangenis zit of overlijdt’, legt hij uit. ‘Maar verder duldt de yakuza geen vrouwen.’

Dan vraagt hij om een microfoon en muziek en springt het beeldscherm aan. ‘In de gevangenis werd ik tweede tijdens een karaokewedstrijd’, glundert Nori. En met een snik in de stem zingt hij de Japanse evergreen I love you van Yukata Ozaki mee.

De yakuza, de Japanse maffia, is niet te vergelijken met de georganiseerde misdaad in Europa of de Verenigde Staten. In Japan is de verstrengeling met de maatschappij groter. Van de naoorlogse periode tot in de jaren negentig was de invloed op de politiek, de politie en het bedrijfsleven, enorm.

Yakuzaleden werden ingeroepen om met geweld een einde te maken aan demonstraties van vakbonden en communisten en handhaafden de orde op straat. In ruil daarvoor konden ze ongestoord hun gang gaan in de bouwsector, de gokindustrie, de wapen- en drugshandel en de prostitutie. Misdaadsyndicaten droegen moordenaars zelf over aan de politie; extreem geweld, afpersing en intimidatie hadden achter de schermen op grote schaal plaats.

Ook had de organisatie een maatschappelijke functie. De schrijver Manabu Miyazaki (64) groeide op in een yakuzamilieu in een achterbuurt van Kyoto. Zijn vader was het hoofd van Teramura Gumi en had een constructiebedrijf met veertig man personeel. ‘Hij vulde zijn dagen met hard werken, naar de hoeren gaan, drinken en gokken’, zegt Miyazaki, ‘maar hij had tegelijkertijd groot aanzien en bemiddelde in burenruzies en in conflicten tussen tempelpriesters en de autoriteiten.’

Bovendien verschafte de yakuza een sociaal vangnet aan verschoppelingen. Zo bood Teramuri Gumi onderdak aan minderheden als de Buraku’s en afstammelingen van de Koreanen, die zwaar werden gediscrimineerd in Japan.

Door de expansiedrang van de Yamaguchi Gumi liepen bendeoorlogen echter steeds vaker uit de hand. Tijdens de vastgoedhausse in de jaren tachtig, begin jaren negentig, werden de syndicaten bovendien zo rijk en machtig dat de autoriteiten het benauwd kregen. Dankzij de Wet tegen de georganiseerde misdaad uit 1991 konden yakuzagroepen ineens worden aangemerkt als misdaadorganisaties en werden zaken als afpersing, het dragen van vuurwapens en activiteiten in de gokwereld en prostitutie, zwaar gestraft.

Miyazaki: ‘De wet was vooral bedoeld om de macht van de Yamaguchi Gumi te breken. Maar in plaats daarvan bezweken vooral de kleine syndicaten onder deze druk en werden de grotere nog groter.’

Als reactie hierop investeerden ze flink op de beurs en wierpen ze façades op. In het hoofdkwartier van de Yamaguchi Gumi, van oudsher gesierd met een koperen plaat met namen van alle bendeleden, zat opeens het bedrijf Yamaki (glinsterende berg), gespecialiseerd in vastgoed, golfclubmanagement en kunst.

Miyazaki: ‘De legale activiteiten dienen als dekmantel en om geld wit te wassen dat wordt verdiend met de wapen-, drugs- en vrouwenhandel. De invloed van de yakuza is nog steeds aanzienlijk en de organisatie is onuitroeibaar, als een bacterie die resistent wordt.

Ook nu toont de Japanse maffia soms nog zijn sociale gezicht. Tijdens de grote aardbeving in Kobe in 1995, die de autoriteiten in eerste instantie verlamde, deelde yakuzaleden dekens uit en verleenden de syndicaten eerste hulp.

Tegelijkertijd treedt de organisatie meedogenloos op. Zeker 1.800 Japanners worden permanent bewaakt vanwege ernstige dreigementen vanuit de onderwereld.

Ook vallen nog geregeld burgerslachtoffers. Zo werd Itcho Ito (61), de geliefde burgemeester van Nagasaki, in mei 2007 in koelen bloede doodgeschoten door een yakuzalid dat een bouwopdracht was misgelopen. En vorig jaar nog werd een onschuldige patiënt in een ziekenhuis doodgeschoten. Hij lag in een bed dat vlak ervoor was bezet door een lid van een rivaliserende bende. De yakuza betaalde de weduwe van het slachtoffer 25 duizend euro schadevergoeding.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden