MEDIA-PLICHTIG?

De 'demoniserende' media zijn medeplichtig aan de moord op Pim Fortuyn, zeggen boze medestanders. Dat is wat al te kras, reageren deskundigen....

EEN RECHTSTREEKS verband tussen de moord op Pim Fortuyn en het beeld dat de media in voorafgaande maanden van hem hebben geschetst, wil professor Herro Kraan niet leggen. Maar dat er énig verband is, staat voor hem vrijwel vast.

En dan gaat het nog niet eens zozeer om de demonisering van Fortuyn, die volgens de hoogleraar psychiatrie en communicatie aan de Universiteit Twente vooral plaatsvond vóór de gemeenteraadsverkiezingen van maart. 'In die fase ging het nog om stereotypen, om sjablonen. Fortuyn deed krachtige uitspraken over buitenlanders, over wao-ers en over andere politieke partijen. Daar werd ook door de media krachtig op gereageerd, vanuit een zekere vooringenomenheid. De suggestie dat hij rechts-extremist was, keerde telkens terug.'

Toch behandelden de media Fortuyn in die periode nog tamelijk afstandelijk, waardoor het psychologisch effect gering bleef. Pas toen de demonisering over haar hoogtepunt heen was, wisten de media echt de emoties te raken. 'Toen zette de persoonlijke campagne van Fortuyn sterk door. Hij kwam steeds vaker met ontboezemingen over zichzelf. Journalisten zochten hem op in zijn huis, we zagen wat voor kunst hij had, we zagen zijn hondjes, zijn auto, we kwamen in zijn tweede huis, hoorden over zijn angsten en zelfs over zijn hopeloze liefde. We zagen zijn dandyisme. Fortuyn was tot dan toe slechts een symbool van rechts-extremisme, maar nu werd hij een persoon. Voor velen haast een persoonlijke vriend. Als een psychiater snel een beeld van iemand willen krijgen, gaat hij op huisbezoek. In één oogopslag krijg je dan een beeld. Bij Fortuyn hebben we als het ware tientallen huisbezoeken afgelegd.'

Het mechanisme waarbij een media-figuur wordt omgebouwd tot een welhaast persoonlijke vriend, wordt door Kraan parasocialising genoemd. 'Dat is een heel sterk media-effect dat zich vooral voordoet bij tv-kijkers. Bij Fortuyn is dat in sterke mate gebeurd. Mensen gingen echt in zichzelf met hem praten, als zat hij naast hen op de bank. Ze gingen spreken over ''onze Pim'', of zelfs ''mijn Pim''.'

Het effect treedt vooral op bij veelkijkers, mensen die meer dan twintig uur per week tv kijken. 'Die mensen krijgen hele warme gevoelens voor zo iemand. Je zag dat ook bij burgemeester Giuliani van New York, bij burgemeester Mans, hier in Enschede, na de vuurwerkramp, en wat langer geleden bij John Lennon.'

De persoon in kwestie wordt door veruit de meeste mensen aardig gevonden. 'Maar uit de ervaring blijkt dat het bij de rest juist leidt tot extreem negatieve gevoelens. Je zou kunnen zeggen: dan zetten die mensen de tv wel uit, maar daarmee kunnen ze nog niet aan hem ontsnappen. De massamedia hebben ook effect op mensen die er geen direct gebruik van maken. Mensen in je omgeving praten er steeds maar over. Vrienden, familie, collega's. Je kunt er niet aan ontsnappen.' Zelfs mensen bij wie Fortuyn de keel uithing, konden niet aan hem ontkomen.

Voor die laatsten kan 'parasocialising' een voedingsbodem creëren voor vergaande daden. 'Dat maakt van die dader overigens nog geen gek, geen psychiatrisch patiënt. Dat wordt wel meteen geroepen, maar dat is een wel erg makkelijke manier om te zeggen dat het gaat om een heel andere categorie mensen dan jijzelf', zegt Kraan. Hij gaat ervan uit dat de dader, in psychiatrische zin, niet aan een stoornis lijdt. 'Er is vrijwel nooit een politieke moord gepleegd door een gestoorde', zegt Kraan. Vrijwel altijd is de dader iemand die een normaal leven leidt.

Kraan denkt dat de media het effect van parasocialising niet in de hand hebben. In die zin treft de media geen blaam. 'Fortuyn wilde zelf juist heel graag zo persoonlijk benaderd worden.' Als er al een les te trekken valt, dan is dat eerder een les voor potentiële slachtoffers: 'Die moeten weten dat het grote gevolgen kan hebben als je de media zo diep in je privé-leven laat binnendringen. Het gevaar wordt groter naarmate men zich persoonlijker laat portretteren.'

Maar feit blijft dat ook de gewraakte demonisering wel degelijk heeft plaatsgevonden, vindt Kraan, en dat de pers daarover wel eens bij zichzelf te rade mag gaan. Dat zo'n groot deel van de media aanvankelijk zo massaal negatieve kwalificaties gebruikte om Fortuyn te duiden, heeft alles te maken met een makke aan de beroepsgroep der journalisten: die is heel eenzijdig samengesteld.

O

NLANGS schetste Mark Deuze in een promotie-onderzoek naar de journalistiek nog eens het beroepsprofiel: de gemiddelde journalist is een blanke burgerlijke veertiger die overwegend (80 procent) 'links' stemt, zo'n 4200 gulden netto verdient en vooral een kantoorbestaan leidt. Zou dat profiel de journalist enigszins beïnvloeden in zijn weergave van de werkelijkheid? Is de journalistiek niet te veel onderdeel geworden van het establishment, en geneigd alles wat zich daarbuiten bevindt weg te zetten in de hoek van curiosa of verwerpelijkheden zoals populisme, racisme of 'gewoon' idiotie?

Achteraf bezien is het eenvoudig te constateren dat de media inzake Fortuyn meer deden dan registreren alleen. Ze suggereerden ook. Telkens weer vroegen journalisten aan Fortuyn wat hij vond van erkende rechts-extremisten als Jörg Haider, Philip Dewinter en Silvio Berlusconi. Op zichzelf was die vraag begrijpelijk: ook deze politici danken hun populariteit niet in de laatste plaats aan het spelen van de immigratiekaart. Maar soms werd Fortuyn wel erg gemakkelijk in de extreem-rechtse hoek gezet. Enkele uren voor de moord sloot het hoofdredactioneel commentaar van NRC Handelsblad nog af met een verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog. 'Het is de trots van Nederland (...) dat we ons hier de xenofoben en racisten van het lijf wensen te houden. Het is een grote schande dat we zestig jaar na dato een politicus in ons midden daaraan moeten herinneren'. Harder was de column van Matty Verkamman in Trouw, die Fortuyn - met behulp van wat columnistieke trucs - koppelde aan de namen Himmler en Hitler. 'Jij leeft van haat en daarom hoop ik dat je in die dark room van je zo gauw mogelijk aids krijgt'. De krant bood later excuses aan voor de passage.

Het is juist in columns en andere persoonlijk getinte stukken dat de pers Fortuyn wel degelijk heeft gedemoniseerd, vindt Otto Scholten, media-onderzoeker bij de Universiteit van Amsterdam en mede-auteur van het NIOD-rapport, waarin hij de rol van de pers analyseerde. 'Vooral wanneer verwijzingen naar de oorlog werden gemaakt kregen artikelen een enorme emotionele lading', zegt hij. Hij hekelt reflexmatige reacties zoals van Oscar Garschagen, hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad, die afgelopen week elke beschuldiging verwierp met de mening dat 'hooguit wat columnisten' zich te buiten waren gegaan aan scherpe bewoordingen. Scholten: 'Alsof een hoofdredactie geen enkele verantwoordelijkheid heeft voor wat columnisten schrijven'.

N

ET ALS IN de Srebrenica-affaire geldt volgens Scholten: te veel emoties en te weinig feiten. Hij pleit dan ook voor meer pure verslaggeving. 'Schaf die meer dan zestig columnisten per krant af, hou er vier over en besteed de vrijkomende middelen en kolommen aan deugdelijke verslaggeving en intelligent onderzoek van de feiten'.

Kritiek op de media is van alle tijden. Maar sinds ongeveer een decennium lijkt er een toename. Premier Lubbers klaagde in 1993, niet helemaal als eerste, over de 'spelverruwing' in de parlementaire journalistiek. 'Men probeert tegenstellingen te scheppen en vast te stellen dat het niet deugt. Er is de behoefte om met een stevig pakkend iets te komen. Dan publiceert men vermeende indrukken, roddel en tegenstellingen.'

Sindsdien is de kritiek alleen maar toegenomen, tot en met het NIOD-rapport en Fortuyn toe. Er wordt in de beroepsgroep wel degelijk gediscussieerd over dergelijke kritiek. Maar altijd volgens vaste patronen: de kritiek verschijnt, er volgt discussie waarbij de betrokken media doorgaans ontkennen of verwijzen naar andere media of partijen. Zo stond deze week de vakbond NVJ meteen klaar om elke kritiek op de pers weg te wuiven. Na het uitbrengen van het NIOD-rapport riep Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant en voorzitter van het Genootschap van Hoofdredacteuren op tot een kritisch zelfonderzoek aan de kant van de media. Er is weinig meer van vernomen.

Zo gaat dat volgens Otto Scholten vaak met discussie over de media. Men vergeet snel. 'Liever blijft men opereren vanuit vooringenomenheid. Zo krijg je Den Haag Vandaag-journalistiek, waarin al bij voorbaat vast staat dat de geïnterviewde staatssecretaris ongelijk heeft.'

In het geval van Fortuyn heeft de journalistiek last gehad van die cynische houding, vindt Scholten. Fortuyn werd herhaaldelijk beschreven als een paljas of een Malle Pietje. Daarmee werd meer dan eens het zicht ontnomen op het feit dat hij reële gevoelens in de samenleving vertolkte. Scholten: 'Je vraagt je af hoeveel incidenten er nog moeten gebeuren eer het tij zal keren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden