Medailles in de Parfumrivier 'We mogen in Vietnam steeds meer zeggen, maar steeds minder mensen luisteren'

Films kunnen in Laos en Vietnam als gevolg van de oorlog alleen worden gemaakt onder primitieve omstandigheden. Russisch negatiefmateriaal, waarop de hele branche was ingesteld, is niet langer onbeperkt voorhanden....

BIJ HET restaurantje in Hué waar we 's avonds eten, rijdt een man langs op een plankje met vier oude rolschaatswieltjes. Hij heeft een vriendelijk gezicht en vraagt niets. De waard geeft hem een bord eten. Zijn benen zijn tot in de heupkom afgezet, er is niets om een eventuele prothese aan vast te maken. De Vietnamese gasten praten met hem. De tweede dag vertelt hij ons dat zijn vrouw is gestorven en dat zijn zoon van twaalf op een katholieke school zit. Het leven zou een stuk eenvoudiger worden als hij over een rolstoel beschikt.

We vragen hem wat dat zou kosten. Hij denkt dat er voor zo'n 25 dollar bij het plaatselijk ziekenhuis wel aan te komen is. We stellen voor er heen te gaan met het gebruikelijke vervoermiddel, de driewielige fietstaxi. Hij wipt echter behendig bij een vriend achter op een gewone fiets. De informatie blijkt niet helemaal juist. Rolstoelen kosten minstens honderd dollar, en bovendien moeten ze uit Hanoi komen en zijn de wachttijden lang. Het gesprek komt op een tweedehands exemplaar. Drie huizen van het restaurant staat er een op ons te wachten. Het toeval lijkt groot, maar so what? Op zijn verzoek poseren we met de nieuwe eigenaar bij diens vervoermiddel.

Buitenlandse filmers zoals Olivier Stone zien van de oorlog in Vietnam voor alles de heroïek en het geweld. Maar de Vietnamezen hebben hun buik vol van de Grote Ideologie. Zij worden in beslag genomen door de moeizame opbouw van hun land, het vinden van een nieuw bestaan, de zorg voor eten en hun gezin, de zware strijd om het hoofd boven water te houden. Het liefst moeten ook de zo kenmerkende vriendelijkheid en wellevendheid terugkeren in de Vietnamese samenleving.

De documentaire filmer Le Hong Chuong laat in River Up and Down zijn personen letterlijk opduiken uit de Parfumrivier die door Hué stroomt. Hué is de oude koningstad, het centrum van de zich langzaam herstellende Vietnamese cultuur. Chuong volgt twee broers die met hun gezinnen op een bootje van nauwelijks zes meter lengte onder een rieten mat wonen. Om in leven te blijven duiken ze met een mandje zand, dat nodig is voor de betonbouw, op uit de rivier en kieperen het in een praam.

Dat is al geen florissante broodwinning, maar hun handicaps, de een is blind, de ander mist een arm, betekenen een extra kwelling, waar slechts een vergoeding van zo'n anderhalve dollar per dag tegenover staat. Al generaties lang wonen de duikers op zulke scheepjes, die meestal van hout zijn. De nieuwste zijn van aluminium, afkomstig van B-52 bommenwerpers, dat ook van de rivierbodem komt.

De broers vochten allebei in de grote oorlog, en in dezelfde slag om Hué, maar niet aan dezelfde kant. Het verleden is begraven, ze hebben hun papieren en medailles in de rivier gedumpt. Nauwelijks geletterd en zonder zicht op verbetering proberen ze uit de scherven een waardiger bestaan op te bouwen, in de hoop dat hun kinderen niet ook analfabeet zullen blijven. Ze staan model voor de tienduizenden Vietnamezen die met grote volharding uit de onvoorstelbare materiële puinhopen, en vaak geestelijk ontredderd, een weg omhoog proberen te vinden.

Chuongs film is van een schoonheid waar de maker zich bijna voor excuseert: 'Trop belles images, te mooie beelden', fluistert hij wanneer we de niet helemaal afgemonteerde versie in Hanoi op de monitor bekijken.

De omstandigheden waaronder filmers in Vietnam moeten werken zijn uiterst moeilijk. Vroeger was er onbeperkt Russisch 35-mm filmmateriaal voorhanden: het regime in het noorden kende de waarde van de documentaire als propagandamateriaal.

De hele branche, van laboratorium tot montage, was daarop ingesteld. Het westerse materiaal voor documentaires, 16-millimeter film, is niet te betalen en camera's, montagetafels en laboratoriumapparatuur zijn er niet. Filmers behelpen zich met video, waarmee wondermooie resultaten worden bereikt, maar die een beperkte houdbaarheid heeft. Een schenking uit het Hubert Balsfonds heeft Le Hong Chuong aan een high eight geholpen, een half professionele camera die in Vietnam is omgebouwd zodat hij geschikt is voor professioneel Betacam-materiaal.

Een paar weken geleden hebben we in Vientiane, de hoofdstad van Laos, de filmer Som Ok Southiphone ontmoet, die noodgedwongen ook een bakkerij drijft. Hij vertoont een korte videofilm over landgenoten, vooral vrouwen en kinderen, die jaren na de oorlog nog gruwelijk verminkt raken door exploderende Amerikaanse mijnen, waarvan er nog tienduizenden op Laotiaans grondgebied liggen.

Op het Rotterdams filmfestival wordt van hem Bao-Deng (Rode Lotus) vertoond. Deze film uit 1988 is de laatste die hij op zwart-wit 35-mm filmmateriaal kon schieten. Na een opleiding in Praag maakt ook hij nu met een high eight camera videodocumentaires, met incidenteel steun uit Frankrijk, Australië, Japan en van de Verenigde Naties.

Juist in landen met een wankele, net ontluikende democratie is het van belang dat onafhankelijke filmers en documentairemakers hun visie geven, waarmee zij een bijdrage aan de opbouw kunnen leveren. Vietnam kent nog steeds censuur, maar geldgebrek maakt filmers al bij voorbaat monddood.

Vooral over het fragment in River Up and Down waarin de broers vertellen dat ze hun medailles in de rivier hebben gegooid, verwacht Chuong problemen met de censuur. Maar anders dan vroeger is het nu meer een kwestie van onderhandelen. 'Als je moeilijkheden verwacht, monteer je bij wijze van wisselgeld de betreffende scène wat uitgebreider dan je van plan was te gebruiken.' Dat klinkt bekend.

De oorlog heeft op een aantal terreinen tot verruwing geleid. Een eerste signaal kregen we toen we vanuit Laos bij Lao Bao Vietnam binnenkwamen. Voor het Vietnamese visum hebben we in Bangkok zeventig dollar betaald, maar het wordt onmiddelijk ongeldig bevonden. Terug kunnen we niet, want het Laotiaanse visum is afgestempeld. We staan in het onherbergzame landschap van de voormalige, door bombardementen verpulverde Ho Chi Min-route.

Na een sudderperiode blijkt aanpassing van het visum mogelijk, tegen betaling van honderdduizend dong. We barsten uit in een zinloze woedeaanval over wat we op een afpersing van honderd dollar schatten. Het blijkt tien dollar te zijn. Na betaling is de sfeer prettig ontspannen.

Ook in de enige bus, een Renault uit 1950, kent men de gang van zaken. Er is geduldig op ons gewacht voor de tweede vilderij. Het ticket naar Dong Ha blijkt voor de gelegenheid tweehonderdduizend dong te kosten. De nieuwe woedeuitbarsting is een bron van vermaak: de vis zit in het net en er gaat maar één bus. Men heeft alle tijd en de uiteindelijk overhandigde stapel bankbiljetten wordt onder luid gelach verdeeld onder alle betrokkenen. In Dong Ha blijkt een biljet naar Lao Bao één dollar te kosten.

Dong Ha is een gat dat men graag verlaat. Treinbiljetten moeten drie dagen van te voren gereserveerd worden. Ook daaraan kan via een bemiddelaar en een toeslag van vijftig procent op het voor buitenlanders geldende dubbele tarief iets gedaan worden. Maar uiteindelijk praten we over minder dan de kosten van een enkeltje Amsterdam-Groningen voor een rit van bijna zevenhonderd kilometer in een gerieflijke slaaptrein.

DIE EERSTE indruk van inhaligheid blijkt overigens geenszins representatief. Hanoi in het noorden is een Frans aandoende, vriendeljke en vooral gezellige stad met hoffelijke bewoners. De straten krioelen van leven en bezigheid, fietsers maar vooral brommers bepalen het verkeer. Het is een stad om te flaneren, op terrassen te zitten, langs het meer te wandelen, het waterpoppentheater en de talloze galerijen met vaak zeer bijzondere schilderkunst te bezoeken en in straatrestaurantjes lekker te eten.

Chuong haalt ons op en loodst ons achterop zijn moto door het hectische verkeer. Langs de verboden citadel waar de militaire en politieke leiding zich achter muren verschanst heeft, langs het beeldschone Westlake waar een snel groeiend aantal nouveaux riches postmoderne behuizingen laat neerzetten, op weg naar de documentaire filmstudio in een voorstadje van Hanoi. Daar worden we ontvangen in die wat Oostduitse, maar verder vriendelijke sfeer die de partijhand verraad.

Het gebouw heeft de communistische betonarchitectuur die bij oplevering meteen antiek is, maar in de montageruimtes wordt professioneel en geconcentreerd gewerkt. Ook hier zijn de moeilijkheden immens: tweedehands spullen, geen servicemonteur die bij een storing met een telefoontje op te trommelen is. Westerlingen past grote bescheidenheid bij het zien van de resultaten die onder zulke omstandigheden worden bereikt.

Ten tijde van het totalitaire communistische bewind werden in Vietnam jaarlijks zo'n dertig speelfilms en tachtig documentaires gemaakt, volledig gesubsidieerd en onder strenge staatscensuur. Als gevolg van de privatisering vervielen alle subsidies, maar inmiddels ziet de overheid in dat een filmindustrie zonder steun onmogelijk is. Particuliere filmproduktie van enige omvang bestaat niet, iedereen is in dienst van de overheid. Maar het salaris bedraagt ook hier ongeveer twintig dollar per maand, nauwelijks voldoende voor benzine en onderhoud aan de brommer.

De staat dwingt daarmee bijna iedereen iets bij te verdienen, op wat voor manier ook. In de filmerij ligt dat gecompliceerder dan elders in de maatschappij. Het schrijven van scenario's, de basis van een film, wordt niet betaald. Als een scenario wordt geaccepteerd, betaalt de overheid zo'n zestig procent van het budget. Maar de inkomsten uit film zijn nihil, zodat de overige veertig procent moeilijk te financieren is. Chuong verdient bij door produktiediensten te verlenen aan buitenlandse filmmaatschappijen die in Vietnam komen werken, en door coprodukties aan te gaan met westerse partners.

EEN FILM DIE niet door de censuur komt, wordt niet vertoond. Ook niet in het buitenland, behalve wanneer daar is meebetaald. Zo is de film van Luu Trongh Ninh die twee jaar geleden in Rotterdam te zien was (Forgive Me), in Vietnam niet uitgebracht. De censuur spitst zich toe op geweld en pornografie, waar mee te leven valt, maar bewaakt tevens de 'officiële kijk' op de geschiedenis, vooral de jongste. Dat is al lastiger voor een documentairemaker. Taboe zijn ook de 'contrarevolutie', kritiek op 'historische' personen en het ter discussie stellen van de communistische ideologie, laat staan grappen erover. Daardoor is het moeilijk om problemen als prostitutie en overheidscorruptie te belichten, hoewel je met de censor inmiddels voorzichtig naar de onderhandelingstafel kunt.

Daarmee bedreigt een ander gevaar de filmbranche. Toen in het voormalige communistische Oost-Europa de censuur werd verlicht of opgeheven, ging de publieke aandacht meer en meer uit naar Amerikaanse pulp. 'We mogen steeds meer zeggen, maar steeds minder mensen luisteren', zegt Chuong. De Vietnamese televisie heeft geen belangstelling voor produkties van eigen bodem. Men gebruikt de beschikbare budgetten liever zelf en Chuong moet betalen om zijn films uitgezonden te krijgen.

Hij verwacht meer problemen bij zijn volgende project, Massacre. Tijdens de oorlog in Vietnam zijn aan beide zijden meer dan vierhonderdduizend soldaten gedood en meer dan vier miljoen burgers, bijna tien procent van de bevolking. Het lot van ruim driehonderdduizend Vietnamezen, soldaten en burgers, is onbekend: ze worden vermist. In zijn synopsis voor de film schrijft Chuong: 'De slag om de gedemilitariseerde zone duurde 83 dagen, de Vietnamezen verloren aan beide zijden 82 compagnieën. Elke dag werd tot het invallen van de duisternis gevochten. Dan telden de overlevende officieren de gesneuvelden en werden de loopgraven leeggeruimd. Om vier uur 's morgens werden de verliezen van de vernietigde compagnie aangevuld. Dat ging zo al die weken door. Niemand weet hoeveel soldaten stierven en wie ze waren. De officieren kenden de nieuwe soldaten niet en de moderne bommen die de Amerikanen boven de stellingen afwierpen, vernietigden alles. Van de lichamen is niets over.'

Ook in de Vietnamese cultuur is het van groot belang te weten wat er met de doden is gebeurd. Taboe, maar zacht hoorbaar is de vraag hoe je die immense verliezen kunt rechtvaardigen. Hoe Chuong dat probleem in zijn film aan de orde wil stellen, heb ik hem niet kunnen vragen. Bij ons vertrek geeft hij me wat verstolen zijn ongesigneerde synopsis mee, in het Frans. Met het verzoek ze bij een eventuele grenscontrole als mijn eigen aantekeningen te beschouwen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden