Max melancholia

De Duitse schrijver W.G. Sebald fascineert auteur Joris van Casteren. In Wertach im Allgäu, het geboortedorp van Sebald, vergeten ze hem liever. Dat heeft met de oorlog te maken. 'Sebald? Die naam zegt mij niets.'

Op uitnodiging van een Duitse vriend, die afwezig bleek te zijn toen ik arriveerde, verbleef ik deze zomer een paar dagen in München. Zo'n 150 kilometer ten zuiden van die stad, aan de grens met Oostenrijk, ligt het doodkalme plaatsje Wertach im Allgäu, waarvan ik nooit gehoord zou hebben als W.G. Sebald er niet was geboren.


Sebald schreef een curieuze mengvorm van reportage, autobiografie en geschiedenis. Lange, mijmerende zinnen waarin op zichzelfstaande gebeurtenissen een wonderlijke samenhang vertonen. Hijzelf is de hoofdpersoon, die wandelend op zoek gaat naar brokstukken van grote en kleine geschiedenissen, en telkens in ongemakkelijke situaties verzeild raakt.


Ik merkte dat ik mij de afgelopen twee jaar steeds meer identificeerde met de eenzame wandelaar die Sebald was.


Met het Beierse dorp van zijn jeugd had Sebald weinig op. Slechts eenmaal keerde hij er terug, in 1987, nadat hij twee maanden in Verona had doorgebracht. Het tragikomische verslag van die terugkeer werd onder de titel Il ritorno in patria opgenomen in zijn debuut Duizelingen (1990). De mensen in Wertach waren er allesbehalve gelukkig mee.


Het lag dus voor de hand dat ik af zou reizen, maar vanwege een eerdere Sebaldbedevaart, in april 2004, twijfelde ik. Destijds wilde ik met mijn bijna 4-jarige dochter achterop, per fiets van Harwich naar de kust van East Anglia rijden, waar De ringen van Saturnus (1995), hoogtepunt in Sebalds oeuvre, zich afspeelt. Ik twijfelde er niet aan dat we Norwich zouden bereiken, waar Sebald woonde, Europese literatuur doceerde en in december 2001 stierf bij een auto-ongeluk.


Door een opeenstapeling van rampen - kou, materiaalpech, verkeerssituaties - kwam ik niet verder dan East Bergholt, geboortedorp van landschapsschilder John Constable, nog geen 30 kilometer van Harwich vandaan. Ik zonk er weg in een verlammende stemming die overeenkwam met de verlammende stemmingen waaraan Sebald tijdens zijn reizen zo vaak ten prooi viel. Volledig uitgeput keerde ik naar Harwich terug, mij troostend met de gedachte dat ik hem op deze manier vermoedelijk dichter was genaderd dan wanneer ik East Anglia daadwerkelijk had bereikt.


Dit alles probeerde ik te vergeten toen ik op een zondagochtend in München mijzelf in de auto dwong en op weg ging naar Wertach. De wanhoop laaide op toen ik het op de autobahn aan de stok kreeg met een medeweggebruiker en vervolgens, om dat incident te vergeten, stopte bij een wegrestaurant waar ik een van binnen nog koude Bockwurst kreeg geserveerd.


Met de Alpen in zicht verbeterde mijn stemming. Toen ik rond half twee in Wertach aankwam, stapte ik bijna opgewekt uit. In 1987 nam Sebald vanuit Innsbruck een bus naar de grens. Vanaf daar liep hij de laatste 15 kilometer naar Wertach. Hij nam zijn intrek in de Engelwirt, waar hij met zijn ouders en twee zussen op de eerste verdieping had gewoond. Destijds, schrijft hij in Il ritorno in patria, was het een 'slecht aangeschreven kroeg, waar de boeren tot diep in de nacht bij elkaar zaten en zich, vooral in de winter, volkomen laveloos dronken'.


De uitbaatster nam hem 'met onverholen afkeuring' op. Verbijsterd bestudeerde ze het door Sebald ingevulde inschrijfformulier, met daarop zijn Engelse adres en het beroep buitenlandcorrespondent: 'Want wanneer en met welk doel was er ooit een Engelse buitenlandcorrespondent in november te voet, en ongeschoren!, naar W. gekomen om in de Engelwirt voor onbepaalde tijd een kamer te betrekken.'


Na lang zoeken vond ik de Engelwirt, een chaletachtig gedrocht. Het terras was uitgestorven, binnen hingen geweien, soms met kop en al, aan gelambriseerde wanden. Ik schrok van de uitbaatster, in rood-wit-geblokt schort, die vermoedelijk vanuit de keuken tevoorschijn was gekomen en argwanend naar mij keek. 'Klopt het dat Sebald hier heeft gewoond?', vroeg ik.


'De naam Sebald zegt mij niets', antwoordde zij.


Met een glas Engelbräu nam ik plaats op het terras, waar andere mensen waren neergestreken. Aan de tafel rechts van mij zat een forse negroïde jongen - gebleekt haar, korte broek, sportschoenen met luchtzolen aan zijn voeten - die ruziede met een oudere vrouw, vermoedelijk zijn adoptiemoeder.


'Je zanikt', schreeuwde de jongen. 'Dat ik het licht niet uitdoe, dat ik de wc niet doorspoel; ik word er gek van!' Met zijn vuist sloeg hij op tafel, de adoptiemoeder maakte sussende gebaren.


Omdat Sebald een stevige roker was leek het mij gepast hem te eren met een sigaret. Ik liep naar binnen, waar de uitbaatster mij opnieuw wantrouwig opnam en vroeg om wisselgeld voor de sigarettenautomaat. Ze maakte kenbaar niet over wisselgeld te beschikken, totdat ik zei dat ik nog een Engelbräu zou bestellen.


De automaat wilde alleen sigaretten uitgeven als ik ook een bankpas invoerde, waaruit mijn meerderjarigheid zou moeten blijken. Hij weigerde mijn Nederlandse pas, waarop ik mij tot ongenoegen van de uitbaatster opnieuw naar de bar begaf. Woest trok ze een kastdeur open en gaf mij een blanco pas die vermoedelijk wel vaker aan rookgrage klanten werd verstrekt. Nu had ik mijn pakje, maar nog geen vuur; opnieuw stapte ik op haar af. Nu was het te veel. 'Wir haben kein Feuerzeug oder Streichhölzer.'


Licht ontzet - net als in East Bergholt, besefte ik, zat ik in een Sebaldervaring gevangen - liep ik terug naar het terras, waar de ruzie tussen de negroïde jongen en zijn adoptiemoeder in volle gang was. Zij wilde dat hij at, hij had geen honger. Op het terras was intussen ook een haveloos uitziende man gaan zitten, gekleed in een korte, maar erg wijde broek waaruit twee zeer magere benen staken. Omdat hij een merkwaardig soort sigaar opstak, liep ik op hem af. De sigaar had de vorm van een kronkelende tak. Terwijl hij mij van vuur bediende, vertelde hij uitgebreid over de tak, waar ik weinig van begreep omdat zijn stem het op cruciale momenten begaf.


Aan mijn tafel las ik in Il ritorno in patria, onder anderen over Peter Seelos, die tegenover de Engelwirt woonde en steeds krankzinniger gedrag was gaan vertonen. Zo had hij zijn dak opengebroken om er een 'paviljoentje' te bouwen van waaruit hij naar de sterren kon turen. Op een dag liep hij met door hem vervaardigde sterrenkaarten als een cape om zich heen door de straten. Hij was naar een gekkenhuis gestuurd van waaruit hij ontsnapte en voorgoed verdween.


Omdat het mij te veel dreigde te worden, wilde ik weg uit Wertach, maar op zoek naar mijn auto, herkende ik dankzij een foto die in het boek is opgenomen, de gevel van het huis waar Sebald is geboren en waarvandaan het gezin naar de Engelwirt verhuisde. Op het pand heeft de plaatselijke kunstenaar Josef Hengge (1890-1970), zoals op wel meer huizen in Wertach, schilderingen aangebracht. Hij werkte met donkerbruine kleuren en legde bij voorkeur houthakkerstaferelen vast. Voor Sebald hadden de werken van Hengge 'iets zeer overontrustends' en 'vernietigends'.


Een vrouw met een teckelachtige hond kwam naar buiten. Boven haar, zei ze, woonde een 80-jarige man die de Sebalds had gekend. Hij was thuis, ik mocht binnenkomen. De oude heer, Heinrich Seefelder, droeg een trainingspak. Hij ging mij voor naar de keuken. Seefelder wist dat Sebald beroemd was geworden, maar dat hij, onder meer dankzij zijn beschrijvingen van Peter Seelos, in het dorp niet populair was.


Seefelder vertelde dat hij zijn leven lang in de omgeving van Wertach had gejaagd. Hij ging mij voor naar de woonkamer, waar een hoeveelheid gemzenschedels in kartonnen dozen op de grond en op de twee aanwezige canapees lag uitgestald.


Vooral de vader van Sebald had hij goed gekend. Volgens Seefelder was het 'ein sehr anständiger Mensch' terwijl bekend is dat Sebald senior in de Tweede Wereldoorlog de Führer trouwhartig diende, een onbespreekbaar onderwerp dat voor Sebald junior een niet onbelangrijke reden was om het in zijn ogen hypocriete vaderland voorgoed de rug toe te keren.


Ik vertelde over mijn belevenissen in de Engelwirt. Seefelder zei dat de uitbaatster Sebald uiteraard wel kende, maar dat het noemen van zijn naam, zeker in de Engelwirt, ongemakkelijke associaties opriep. Wat had het eigenlijk voor zin daar zo veel jaren later nog over te beginnen?


Zo belangrijk was Sebald nu ook weer niet, stelde Seefelder. 'Vergeet hem toch.' Beter zou ik mij interesseren voor de schilder Hengge, die zijn oom was geweest. 'Dat was pas een man!' Het was een schande dat veel van Hengges muurschilderingen na de oorlog werden overgeschilderd en haast niemand hem nog kent. Seefelder haalde een aantal in cellofaan verpakte lijsten tevoorschijn. Aan de muur hingen ook verscheidene door Hengge geschilderde werken.


Bij het afscheid gaf Seefelder mij een autobiografisch geschrift dat zijn oom in 1964 op een schrijfmachine uittypte en waarvan ik foto's mocht maken. In mijn hotelkamer in München las ik het geschrift, waarin Hengge onder meer zijn ontmoetingen met Hitler beschrijft.


De Führer was onder de indruk van Hengges werk en vroeg hem in 1935 of hij zijn woning bij de Obersalzberg van fresco's wilde voorzien. 'Ich war begeistert über den Staatsauftrag, den Ich von Führer selbst bekommen hatte', schrijft Hengge. Een vriend raadde hem aan niet te veel 'SA- en SS-romantiek' in het ontwerp te verwerken. 'Want dat ziet hij de hele dag al.' Het tafereel van 'bijvoorbeeld een berenjacht' zou de Führer beter bevallen.


In gezelschap van Goebbels en Von Ribbentrop bekeek Hitler in het Münchense atelier van Hengge het ontwerp. Hij zei dat het tafereel van de berenjacht 'meer iets voor Göring is'. Liever wilde hij iets met 'Fahnenträger in Lederhosen' en wat meer partijsymboliek. Direct ging Hengge aan de slag, maar nadat hij het nieuwe ontwerp had opgestuurd, hoorde hij er tot zijn verdriet nooit meer iets van.


Dit, besefte ik, had Sebald moeten lezen.


Winfried Georg Sebald


De Duitse schrijver Winfried Georg Sebald - die zich liever Max liet noemen omdat hij Winfried een nazinaam vond - keerde zijn vaderland de rug toe en vestigde zich in Norwich, waar hij tot zijn dood in 2001 doceerde. In de jaren tachtig begon hij te schrijven aan een compact, maar zeer oorspronkelijk oeuvre, melancholisch en droogkomisch van toon. Zijn werk verwierf pas een breder publiek toen auteurs als Susan Sontag en Hans Magnus Enzensberger hem roemden en voorspeld werd dat hij de Nobelprijs in de wacht zou slepen, wat niet gebeurde. Als hoogtepunten gelden Austerlitz (2001), zijn meest fictieve boek, De ringen van Saturnus (1995), een literair journalistieke pelgrimage, en De natuurlijke historie van de verwoesting (1999), een zeer ongemakkelijk boek over de geallieerde bombardementen op Duitse steden.


Joris van Casteren is auteur van onder meer Het been in de IJssel (2012) en Lelystad (2008).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden