MARTIJN SANDERS Stoelenverkoper in de orde van Oranje-Nassau

De problemen bij het Concertgebouworkest steken schril af bij de bloei van zijn thuishonk. Directeur Martijn Sanders renoveerde het pand, maar ook de programmering van het Amsterdamse Concertgebouw....

TOEN Martijn Sanders in 1969 terugkwam uit Amerika met een MBA (Master's Degree in Business Administration), waren het niet de kleinste jongens uit het bedrijfsleven die hem vol blijdschap en ongeduld stonden op te wachten. Sanders was een van de weinigen in Nederland met een MBA op zak. Dat hij niettemin een baan verkoos bij een klein familiebedrijf in de provincie, kan worden uitgelegd als een teken van eigenzinnigheid, maar ook van zelfkennis, doelgerichtheid en intelligentie.

Als 'stoelenverkoper', zo klopte Martijn Sanders destijds voor het eerst aan bij Het Concertgebouw NV te Amsterdam. Sindsdien mag een en ander in niet geringe mate zijn veranderd, toch is hij welbeschouwd nog steeds een stoelenverkoper, mèt lintje van Hare Majesteit.

Uit vijfentwintig sollicitanten werd hij in 1982 gekozen als nieuwe directeur van het Concertgebouw. Martijn Sanders (1945) werkte zich eerst in het zweet opdat hij zijn gasten en die van zijn huurders droog en comfortabel kon laten zitten en bewegen.

Toen hij dat voor elkaar had, verlegde hij zijn aandacht en energie naar de samenstelling van het programma-aanbod. Want: 'De mooiste concertzaal van de wereld verdient de mooiste programmering van de wereld.'

Door zijn toedoen is de bezettingsgraad van het Concertgebouw hoger dan ooit. Blanco pagina's komen in de agenda van het gebouw bijna niet meer voor - kortom, de muziektent aan de Van Baerlestraat draait als een tierelier.

Voor vaste huurders, zoals het Koninklijke Concertgebouworkest, is dat soms ook lastig. Wil het orkest bijvoorbeeld 's avonds repeteren, dan dient het een bedrag neer te tellen dat overeenkomt met de huurprijs voor een concertavond. Vandaar dat het ensemble van wereldfaam wel eens uitwijkt naar de Beurs van Berlage of een andere, goedkopere repetitieruimte. Met al het gesjouw en geregel van dien.

Maar dat zijn zaken waarmee Sanders zich tegenwoordig niet meer bemoeit, anders dan via zijn staf. Martijn Sanders heeft zich opgewerkt tot muziekprogrammeur. 'Koppelaar' zegt hij zelf; 'makelaar' mag ook. Hij stelt artiesten en publiek in de gelegenheid iets moois met elkaar te krijgen.

Met de kassa, het onderhoud van het gebouw, de zaalverhuur en zo nog wat besognes heeft hij weinig meer van doen. Daar is zijn collega Erik Gerritsen voor. Nu die tot statutair directeur is benoemd, heeft Het Concertgebouw NV, sinds jaar en dag zakelijk gescheiden van het Concertgebouworkest, een tweehoofdige directie met Sanders als voorzitter. Gerritsen is er voor de garderobedames en de gloeilampen, Sanders voor de Kiri Te Kanawa's en de Yo-Yo Ma's.

Een al te grote voorliefde voor sterren is de self made muziekprogrammeur in het verleden wel verweten. Primadonna's zijn stervensduur, en zonder sponsors zijn ze onbetaalbaar. Hoe meer sterren op het podium, des te meer zakenlui in de zaak, en dat zijn niet altijd de grootste liefhebbers van de toonkunst. Zo kwekken althans de ware muziekvrienden. Zij meesmuilen ook wel dat het tijd wordt dat die vergulde lier van het dak wordt gehaald en wordt vervangen door een logo met een vork en een mes - in neon, wel te verstaan. Het Concertgebouw zou een cateringbedrijf zijn voor herenclubs, met muziek als prettige bijkomstigheid.

Sanders' vaste verweer tegen het vaste gekanker over sponsors: niet het Concertgebouw wordt gesponsord, maar het publiek. Zonder sponsorgeld zouden de entree-prijzen de helft hoger liggen. En met bijvoorbeeld Carte Blanche, een serie waarin bekende musici zoals Reinbert de Leeuw zelf een programma mogen samenstellen, heeft hij toch wel bewezen meer te bieden dan Wereldberoemde Namen en andere Exclusieve Kassuccessen. Volgend seizoen komt de jazz terug in het gebouw, en vanaf deze zomer voor het eerst, in co-produktie met de Melkweg, wereldmuziek, zoals Indonesische gamelans.

Sinds 1994 organiseert hij zondagochtend-concerten voor 'het hele gezin' in samenwerking met de Avro en de Nederlandse Spoorwegen, à twintig gulden per toegangsbiljet. En in juli en augustus zijn er de al evenmin dure Robeco-zomerconcerten.

Hij heeft één heel groot voordeel, zeggen zijn bewonderaars: de niet kapot te krijgen naam en kwaliteit van zijn produkt. Samen met de Musikverein in Wenen en de Carnegie Hall in New York, vormt het Concertgebouw de top drie van 's werelds beste concertzalen. Optreden in het Concertgebouw is een droom voor iedere musicus.

Voor menigeen zou het een reden zijn om zelfgenoegzaam achterover te leunen. Voor Sanders niet. Hij wil nòg meer en nòg beter. Pas wanneer het plafond in zicht komt, gaat hij ongedurig op zijn stoel schuiven.

Hij beschikt over een uitgekiend palet aan sociale vaardigheden, zo luidt het overal. Hij spreekt de taal van de kunstenaars even gemakkelijk als die van het bedrijfsleven. Dat hij een goed manager is, meent voormalig Shell-bestuursvoorzitter Gerrit Wagner wel te mogen zeggen, 'met al mijn ervaring in het bedrijfsleven'.

Sanders is een pietje precies en zeer doortastend, zegt Marco Riaskoff, concertorganisator en vaste huurder van het gebouw. Altijd de slimste van de klas, oordeelt Frans de Ruiter, directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Maar ook 'buitengewoon snel op zijn pik getrapt, zoals iedereen die erg overtuigd is van eigen kunnen', aldus impresario Jan van Waveren. En een harde onderhandelaar, volgens Costa Pilavachi, directeur van Philips Classics. 'Martijn wil winnen', zegt Peter Smids, directeur van Muziekcentrum Vredenburg. 'Hij gaat tot het bittere einde om zijn gelijk te halen.'

Over zijn relatiekring wordt niet alleen met ontzag gesproken, hier en daar klinkt een zekere ondertoon van wrevel en jaloezie door. De netwerken van Martijn Sanders reiken bijna tot aan de hoogste stoel in de hemel. Wanneer hij de hoogste baas van Heineken belt, of een minister of een staatssecretaris, krijgt hij ze aan de lijn.

Zijn vader is Piet Sanders, vermaard jurist en kunstverzamelaar, zijn moeder Ida Sanders-Sanders. Mr Piet Sanders was secretaris van de ministerraad onder Schermerhorn, en als secretaris-generaal van de Commissie-Generaal aanwezig in Indonesië bij de ondertekening van het akkoord van Linggadjati, en tot 1981 hoogleraar handelsrecht in Rotterdam.

'Godverdomme Sanders, door jou zijn we Indië kwijtgeraakt, man' Op het Stedelijk Gymnasium in Schiedam kreeg Martijn het van zijn collega-scholieren onder de neus gewreven: zijn vader, PvdA'er, had de kolonie verkwanseld. Hij is de jongste van drie kinderen die opgroeiden in een omgeving, vergeven van de Cobra-kunstwerken. Zus Frederieke runt een galerie in New York, broer Pieter is succesvol in het bedrijfsleven.

In geen geval zou Martijn rechten of wat dan ook gaan doen in Rotterdam, waar zijn vader een gevierd hoogleraar was. Hij ging sociologie studeren aan de Rijksuniversiteit Leiden. Dat hij zich een half jaar later alsnog op de sociale faculteit in Rotterdam vervoegde, zegt vooral iets over de indruk die de Leidse sociologen op hem maakten.

Film was zijn eerste liefde, meegekregen van papa. Hij was dol op westerns, nog steeds trouwens. Alle Howard Hawks en John Fords heeft hij gezien. Als kind ging hij vroeger stiekem naar de bioscoop. Belden ze prompt 's avonds naar zijn huis: zijn agenda was er gevonden.

Na film kwam de jazz, daarna de moderne kunst, de opera en de moderne gecomponeerde muziek. Hij was de oprichter van de Rotterdamse studenten-filmliga, toen al zat hij 'in het vak'. Gedurfd was zijn programmering, voor velen gold zijn verfijnde arthouse-smaak als een betrouwbare wegwijzer in het reguliere filmaanbod. 'Hee Sanders, welke film moeten we gaan zien?' Daar hoefden ze dus niet heen.

Via het Nederland-Amerika Instituut kreeg hij na zijn doctoraal van een uitgelezen gezelschap captains of industry een beurs aangeboden voor een universiteit naar keuze in Pittsburgh. Maar Sanders bedankte: Pittsburgh was hem te min. Hij had zich al ingeschreven voor de prestigieuze University of Michigan in Ann Arbor. Daar haalde hij in achttien maanden zijn master's degree. Verder runde hij weer een filmliga, las zich te pletter, liep mee in Washington tegen Johnson en bezocht feestjes.

Drs M. Sanders MBA hoefde zich geen zorgen te maken over zijn carrière-mogelijkheden. Maar eerst moest hij nog in militaire dienst. Bij Berenschot kreeg hij een tijdelijke functie als adviseur in afwachting van een oproep. Dat hij bij de marine een soortgelijke baan kreeg, in burgermanspak op een gewoon kantoor, had hij aan zijn werkgever te danken.

In die dagen was het dat Jogchem's Theaters te Amersfoort een advertentie in Intermediair zette voor een jurist of een bedrijfskundige. Zevenentwintig was Sanders toen hij aantrad als adjunct-directeur bij het bedrijf van de familie Van Dommelen. Bij zijn vertrek, als directeur, was Jogchem's het grootste bioscoopbedrijf van Nederland.

Een Steinway kreeg hij bij zijn afscheid, en een vernoeming. Het met eiken omgeven oprijlaantje naar de oude burgemeesterswoning in Bunschoten, waar de firma tegenwoordig is gevestigd, heet sedert 1982 de Martijn Sanderslaan. Sanders is loyaal; tot op heden is hij als commissaris betrokken bij het welvarende bioscoopbedrijf.

Jogchem's Theaters maakte een enorme groei door in de jaren zeventig. Bioscopen werden verbouwd tot filmzaalcomplexen. Nieuwe complexen werden her en der uit de grond gestampt, en Sanders zat er met zijn neus bovenop. Hij verkeerde met architecten, project-ontwikkelaars, filmproducenten, notabelen en bioscooppersoneel, en had het geluk de oude baas Piet van Dommelen van dichtbij te kunnen observeren.

Van Dommelen was een 'fenomenaal onderhandelaar', aldus Sanders. Een zakenman van de oude stempel, die precies wist hoe ver hij kon gaan. Van hem leerde hij af te tasten waar het belang van de andere partij ligt en daarop in te spelen, als een schaker.

Jogchem's Theaters beperkte zich niet tot het draaien van films. Zo was het bedrijf vertegenwoordiger van de Franse stoelenfabrikant Quinette. Daar ligt die eerste schakel, tussen de stoelenverkoper en het Concertgebouw.

Sanders ging weg uit Bunschoten omdat er voor hem geen lol meer aan was. Jogchem's Theaters was 'af'. Ofschoon hij dacht weinig kans te maken, reageerde hij toch op de advertentie van het Concertgebouw. Sanders werd uitgenodigd voor een gesprek. Doorslaggevend was het advies van Frans de Ruiter, destijds directeur van het Holland Festival, die hij kende via het 'vriendenbestuur' van hetzelfde festival.

De Ruiter: 'Ik heb het hem ten zeerste ontraden. Het Concertgebouw was een saaie, ingeslapen, bouwvallige tent.'

Sanders: 'Ik was dus meteen overtuigd. Ik zag enorme mogelijkheden.' Sanders nam pianoles, en verzamelde kanonnen uit het bedrijfsleven om zich heen in verschillende bestuursfuncties. Hij kreeg in samenspel met hen sponsors enthousiast voor de renovatie van het Concertgebouw, wist aldus 47 miljoen gulden te vergaren, en tegen bergen weerstand in een nieuwe bijbouw in de wacht te slepen.

Muziekliefhebber Alco Wiersma, directeur van AEG Nederland, kende Sanders nog van de Rotterdamse studentenvereniging. Sinds 1983 is Wiersma bestuurslid van de 'supportersvereniging' van het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest. Van Wiersma's bedrijf kreeg Sanders in 1991 voor zijn verdiensten voor Amsterdam de AEG Prijs, bestaande uit een niet nader genoemd geldbedrag en een 'witgoed-artikel' naar keuze.

Gerrit Wagner, vriend van vader Piet Sanders (samen bekleedden ze diverse commissariaten), vroeg hij voor de fundraising als voorzitter van de Stichting Steun het Concertgebouw. Floris Maljers (ex-Unilever) werd voorzitter van de programma-stichting van het Concertgebouw.

Met hem verzorgde Sanders lunchvoorstellingen voor zakenlui op de ambassades van Engeland en Japan. Maljers benadrukte de noodzaak van het geld en Sanders sprak over het belang van het Concertgebouw voor Amsterdam, Nederland en de wereld.

Maar de tijd zat ook mee. Het bedrijfsleven had zich hersteld van de recessie, en het geld brandde in de zakken. Het Concertgebouw was een prachtig 'politiek-correct' sponsor-vehikel. Het was nog niet dringen op de sponsormarkt, en geld was er wel. Toen de renovatie gedaan was, kon de directeur niet alleen beschikken over een blinkend gebouw met sluiproutes naar hoekjes voor sponsor-onderonsjes, hij had ook een adressenbestand dat goud waard is.

Sanders is zelf de eerste om te eenzijdige loftuitingen over dit staaltje hogeschool-kunstmanagement te temperen. Het was niet zijn verdienste, maar een samenspel van krachten. 'Martijn was de centrale figuur', zegt Gerrit Wagner.

Voor de bijna wonderbaarlijke wederopstanding van het Filmmuseum in Amsterdam wil hij wel enige credits aanvaarden. Hij werd op persoonlijke titel geroepen door het ministerie van WVC. Wilde hij eens kijken of die door spinnerag omweven filmbandenopslagplaats in het Vondelpark weer stofvrij en toegankelijk te maken was? In een jaar tijd hadden Sanders en zijn bestuur, waarvan hij nog steeds voorzitter is, de turnaround voor elkaar.

Sanders is snel, constateert Wagner, evenals zijn vader. Ze doen in plaats van kletsen. Bikkelhard kan hij zijn, zegt Jan van Waveren van het Nederlands Impresariaat. Hij onderhandelt desnoods met het mes op tafel.

'Wie zegt dat?', reageert Sanders gebeten. Hij denkt daar anders over. Wel kan hij heel boos worden als mensen misbruik maken van hun positie, als een impresario bijvoorbeeld een onzinnig hoog bedrag vraagt voor een gewilde violist die alleen via hem te boeken is. Men moet in onredelijkheid geen eisen stellen. Maar welke macht heeft hij? De baas van de mooiste zaal van de wereld kan hoogstens zeggen: 'Sorry, ik kan u niet uitnodigen.'

Kenmerkend voor zijn stijl is het verhaal van het afscheidsconcert van Elly Ameling. Sanders had haar op de koffie uitgenodigd en gezegd dat, mocht ooit de tijd van haar afscheid komen, hij graag haar afscheidsconcert wilde organiseren.

Moeilijk had hij dat gevonden, want in feite zei hij daarmee: lieve Elly, het wordt tijd dat je ermee ophoudt. Maar ze had heel plezierig gereageerd.

Toen hem ter ore kwam dat zij desalniettemin nog een keer in het Weense Konzerthaus zou optreden, had hij haar geschreven: dat het hem vreselijk speet dat hij haar een afscheid had opgedrongen terwijl ze er blijkbaar nog niet aan toe was, en dat het voor hem geen probleem was het concert nog even uit te stellen.

Op haar verzoek had hij contact gezocht met zijn vrind in Wenen, die begrip had getoond en het concert makkelijk kon verplaatsen. Zo is het gegaan. Zelf ziet hij het niet als een voorbeeld van hard onderhandelen, maar van 'samen naar een oplossing zoeken'.

Mocht hij ooit van baan veranderen, dan koerst hij recht op een groot museum af, denken velen, en misschien wel in Amerika. Was hij niet tot twee keer toe de gedoodverfde directeur van het Stedelijk Museum? Hij is nooit gepolst, zegt hij zelf, en hij zou het ook niet willen. Een kunstverzamelaar zoals hij kan geen museumdirecteur zijn.

Maar wat dan? Martijn zit goed, zegt Frans de Ruiter, het Concertgebouw is een prima uitvalsbasis. Is Sanders sinds kort voorzitter van de ISPA, de International Society for the Performing Arts (gezeteld in Grand Rapids, Michigan), De Ruiter bekleedt diezelfde functie bij de European Festivals Association.

Het tweetal wil elkaar nog wel eens tegen het lijf lopen op deze of gene luchthaven, als ze niet samen reizen. Om de as Den Haag-Amsterdam draait derhalve de internationale lobby voor samenwerking en expertise-overdracht in de klassieke-muziekwereld.

Martijn is een echte samenbinder, aldus De Ruiter. 'Zijn rol bij de oprichting van Kunsten '92, de landelijke vereniging die zich hard maakt voor een optimaal kunstbeleid, was groot. Hij was voortrekker van Amsterdam Kunstenstad, dat de collegialiteit tussen Amsterdamse kunstmanagers wilde bevorderen. En op zijn initiatief bijvoorbeeld hebben de belangrijkste zalen in de wereld een clubje gevormd. Ze wisselen informatie uit en organiseren concerttoernees langs hun prestigieuze podia.'

'Maar ik vind het wel jammer', zegt collega Peter Smids, 'dat hij niet op ''ons'' overleg van concertzaaldirecteuren komt. Ook Ajax moet de martelgang door de eredivisie volbrengen voor een plek in de Champions League. Martijn heeft ons niet nodig, denk ik. Hij denkt kosmopolitisch, zijn speelpodium is de wereld.'

'Een martelgang?', luidt verwonderd het commentaar van Sanders, 'als ze me uitnodigen kom ik graag.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden