Mars is kinderspel

Het sciencefiction-verhaal is sinds lang verdrongen door Tolkien-achtige fantasy. Maar het Mars-project van president Bush geeft de space opera een nieuwe kans....

De planeet Mars.Beeld AFP / ISRO

Mocht president Bush vorige week gedacht hebben dat hij met zijn plannen voor een bemande missie naar Mars iets revolutionairs poneerde, dan vergiste hij zich lelijk. Allemaal ouwe koek. Sla er The Moon is euro Harsh Mistress van Robert Heinlein maar op na. Maanbasis, interplanetair verkeer - allemaal al in 1966 door Heinlein uitgedokterd. Of neem Journey into Space uit 1954 van Charles Chilton; ook die wist al dat je voor een retourtje Mars niet om de maan heen kunt.

Kinderspel

Een reis naar de rode planeet is in sciencefiction-termen slechts kinderspel. Schrijvers als Isaac Asimov, Larry Niven, A.E. van Vogt, Arthur C. Clarke en Jack Vance hebben heel wat verder gekeken. Ze verkenden de uithoeken van tijd en ruimte, sneller dan het licht voortgestuwd dankzij foton-motoren en andere vindingen die Albert Einstein ook niet had voorzien.

Angelsaksische sciencefiction-auteurs werden in de late jaren zestig in Nederland veel gelezen, vertaald en uitgegeven, soms meer dan in hun eigen taalgebied. Maar gaandeweg begon de belangstelling voor hun space opera's te tanen. Als symbolisch omslagpunt kan december 1972 dienen, toen gezagvoerder Gene Cernan van Apollo 17 als voorlopig laatste man op de maan stond, de NASA zijn interplanetaire ambities op de lange baan schoof en ook de sciencefiction de fut begon te verliezen. Intussen is het genre zo in betekenis verschrompeld, dat haast niemand nog aan de oude Chilton en Heinlein denkt, als de Amerikaanse president zijn visioen van een permanente maanbasis presenteert.

Laag pitje

De klassieke sciencefiction, met intergalactische smokkelroutes en amoureuze verwikkelingen op Pluto, is vrijwel uit de boekhandel verdwenen. Ervoor in de plaats kwamen de fantasy-schrijvers, die in navolging van J.R.R. Tolkien hun eigen droomwerelden vol elfen, draken en magische zwaarden scheppen. Sciencefiction kan fantasy-trekken hebben, en omgekeerd. De grenzen tussen beide genres zijn grillig. Maar als vuistregel geldt dat de technologie in fantasy op een laag pitje staat. Volgens het adagium van J.R.R.: 'Geen werktuigen ingewikkelder dan een blaasbalg, watermolen of weefgetouw.'

'Fantasy loopt bij ons heel goed', bevestigt Gabi Putzmann van boekhandel Donner in Rotterdam - en bepaald niet alleen de onvermijdelijke Ring. Terry Pratchett, Robin Hobb en Robert Jordan horen er tot de best verkochte fantasy-auteurs, met kloeke tetralogiewaarvan de omstandige titels (Een lied van ijs en vuur - Boek 3A: Een storm van zwaarden) wekenlang leesplezier beloven.

Volgens Putzmann valt de gemiddelde fantasy-koper niet te typeren: 'Het is een gevarieerde groep. Je zou misschien denken dat meer mannen dan vrouwen fantasy lezen, maar het gaat gelijk op. En er zijn veel jongeren bij.' Van de enkele verdwaalde sciencefiction-klant valt al helemaal geen profiel te geven. 'Die vormt echt een minderheid.'

Verdoemhoekje

'Sciencefiction zit in het verdomhoekje', bevestigt redacteur J Snoeren van uitgeverij M (onderdeel van De Boekerij), die samen met concurrent Luitingh'-Sijthoff het merendeel van de sciencefiction en fantasy in Nederland op de markt brengt. 'Eind jaren zestig had het genre enige standing. Ook academici lazen het. Maar die generatie koopt intussen geen sciencefiction meer. Ze blijven misschien nog wel verzamelen, maar hooguit via antiquariaten.'

Volgens inkoper Schellevis van tweedehandsboekhandel De Slegte vertoont de vraag naar sciencefiction weinig schommelingen. 'Er is altijd wel vraag naar. Dat is al 31 jaar, zo lang als ik hier werk. Er wordt ook redelijk wat aangeboden. Door de bank genomen is het geen razend interessant spul, maar het is er altijd geweest en het zal er ook altijd wel blijven.'

Klaas de Vries uit Drachten heeft vergelijkbare ervaringen. De verkoper van 'industri rubberproducten' beheert in zijn vrije tijd de website www.essef.nl, die is uitgegroeid tot een druk koop- en verkooppunt van tweedehands sciencefiction. Hoewel de tijd van grootheden als Asimov en Heinlein volgens De Vries voorbij is ('auteurs van kaliber schrijven tegenwoordig geen sciencefiction maar fantasy'), blijft er vraag naar hun werk. 'Tweedehands boeken van Vance, Heinlein of Frank Herbert staan meestal niet lang op mijn website te koop. Ik denk dat uitgevers als De Boekerij en Luitingh'-Sijthoff de vraag toch onderschatten.'

Volgens J Snoeren van De Boekerij is het probleem dat de afgehaakte oudere liefhebbers niet zijn opgevolgd door jonge lezers. 'De twintigers van nu zijn opgegroeid met sciencefiction op tv. Want in de beeldcultuur is het genre alleen maar gegroeid. Het is visueel ook heel aantrekkelijk.'

Een andere vorm

Sciencefiction is dus niet weg, maar heeft een andere vorm gevonden, in videospelletjes en speelfilms. Het zegt genoeg dat de schaarse herdrukken van klassieke sciencefiction-boeken vaak aan een verfilming te danken zijn. Paul Verhoeven deed Robert Heinleins Starship Troopers, uiteenlopende regisseurs herontdekten de neurotische toekomstfantasievan Philip K. Dick: Do Androids Dream of Electric Sheep (Bladerunner), We Can Remember it for you Wholesale (Total Recall) en Minority Report (idem, van Steven Spielberg). En volgens de laatste geruchten laat de grootscheepse Hollywood-versie van Asimovs Foundation-trilogie niet lang meer op zich wachten.

Het zijn stuk voor stuk titels uit de bloeitijd van het genre, die in Nederland voorzichtig begon met het pionierswerk van Sybren Polet. De later vooral om zijn experimentele proza bekend geworden schrijver stelde in 1957 twee bundels samen voor uitgeverij Bert Bakker: De stenen bloedzuiger en De vuurballons, met korte verhalen van auteurs als Asimov, Clarke, Theodore Sturgeon, en Ray Bradbury.

'Ik was al vroeg fan', herinnert Polet zich. 'Dat kwam door mijn belangstelling voor de natuurwetenschappen. Nieuwe ontwikkelingen op dat gebied drongen als eerste in de sciencefiction door, veel sneller dan in andere genres. Dat fascineerde mij.' Bij de samenstelling had Polet de vrije hand. 'De uitgever hoefde toen nog geen rechten voor overname te betalen. Ik kon de beste verhalen nemen die ik kon vinden.'

De sciencefiction beleefde zijn eerste populariteitsgolfje in Nederland, ook dankzij de spannende hoorspelserie Sprong in het heelal op de KRO-radio, naar het origineel van Charles Chilton. Diens werk werd vanaf 1955 vertaald door de Roermondse rechter Edmond Franquinet, die het beter leek zijn enthousiasme voor vliegende schotels en marsmannetjes geheim te houden en publiceerde onder het pseudoniem P.R.O. Peller.

Net als zijn landgenoot H.G. Wells een halve eeuw voor hem beschreef Chilton hoe Marsbewoners snode plannen beramen om de Aarde te onderwerpen. Dat intussen de eerste kunstmatige satelliet zijn rondjes om de aarde draaide (de Russische Sputnik, gelanceerd in oktober 1957) heeft ongetwijfeld bijgedragen aan het gevoel dat ruimtereizen misschien toch meer waren dan fantasie.

Polet herinnert zich dat zijn bundels goed verkochten, maar dat er geen herdruk kwam. 'Pas tien, vijftien jaar later kwam de echte belangstelling.' Tegen die tijd had hij zelf zijn interesse voor het onderwerp verloren. 'De meeste thema's en perspectieven waren toen wel verkend. En het begon op te vallen dat de literaire kwaliteit vaak niet geweldig was.'

In 1961 volgde nog een verzamelbundel bij Het Spectrum, vertaald door C. Buddingh' (die zich jaren later nog geneerde voor 'het supermelige damesbladenverhaal' van Judith Merrill, dat er van de uitgever in moest), en in 1967 begon dan eindelijk de eerste zelfstandige Nederlandse sciencefiction-serie, onder de hoede van uitgeverij Meulenhoff. Die had zich door de jonge fan Ruurd Groot laten overtuigen dat er een markt was voor goed gepresenteerde vertalingen van auteurs als Heinlein en Vance. Groot mocht zijn gang gaan en ontfermde zich ook over vormgeving en omslagillustraties.

'Meulenhoff had de wind mee, de wind van de jaren zestig', zegt uitgever Jacques Post van M/De Boekerij, die sinds twee jaar het oude sciencefiction- en fantasy-fonds van Meulenhoff en Het Spectrum onder zijn hoede heeft. 'Er was een grote bereidheid tot experimenteren. Reclamemakers en andere trendy lezers pikten het op.'

Met de witte Meulenhoff-kaftjes kon je je gerust in gezelschap vertonen. Het ruimteverhaal begon zich los te maken van zijn minderwaardige pulp-imago, daarbij geholpen door 'serieuze' schrijvers als Kurt Vonnegut, die in vermakelijk zwartgallige romans als The Sirens of Titan de grenzen van het genre opblies. Doorgewinterde lezers konden gniffelen om het vernuft van Larry Niven, die zijn miljarden jaren overspannende verhalen stoffeerde met aan Lewis Carroll, Jonathan Swift en Homerus ontleende creaturen.

'Er was een kleine groep liefhebbers die die boekjes in het origineel las', zegt oud-Meulenhoff redacteur Theo Sontrop. 'Wij moesten proberen een nieuw publiek te vinden, en dat is gelukt. Ik herinner me oplagen van minstens tienduizend stuks per titel. Die pocketjes liepen uitstekend.'

Onvolgroeide literatuur?

Voor veel lezers is de witte Meulenhoff-reeks een ijkpunt gebleven, hoeveel het genre intussen ook van zijn sense of wonder verloren mag hebben. Hoe ernstig de situatie is, dringt pas goed door bij lezing van de recent verschenen Cambridge Companion to Science Fiction, waarin twintig deskundigen het onderwerp vanuit vele academische invalshoeken belichten.

Dat valt niet mee. In menige beschouwing doemt het beeld op van een onvolgroeide literatuur, waaruit hopelijk ooit iets fatsoenlijks zal groeien. Zo legt Veronica Hollinger enkele schrijvers langs de feministische meetlat, wat de conclusie oplevert dat 'conventionele mannelijke machtsfantasie ook in de ruimte nog welig tieren: 'Boy loves girl. Boy loses girl. Boy builds girl.'

Op het stuk van Queer Theory en Race and Ethnicity doet de ruimteroman het nauwelijks beter: de heteroseksualiteit viert hoogtij en van racisme lijken de meeste auteurs nog nooit gehoord te hebben: 'The majority deals with racial tension by ignoring it.'

Interessanter is Kathryn Cramers beschouwing over Hard science fiction, waarin het genre uit zijn marginale positie tevoorschijn komt. Cramer gaat in op de wederzijdse beloeding van sciencefiction en de exacte wetenschappen. Een flink aantal auteurs is wetenschappenlijk onderlegd, onder wie de scheikundige Asimov. Arthur C. Clarke, samen met Stanley Kubrick onderscheiden met een Oscar voor de film 2001, A Space Odyssey, geldt zelfs als de bedenker van het concept van de geo stationaire satelliet. De afgelopen dagen verscheen de 86-jarige ruimtevaartpatriarch herhaaldelijk op de Amerikaanse tv om het hoe en wat van het nieuwe NASA-programma toe te lichten.

Hoe ver de verknooptheid van fictie en wetenschap kan gaan, bleek begin jaren tachtig. Jerry Pournelle, Heinlein, Niven en Poul Anderson maakten toen deel uit van een schrijversgroep die president Reagan adviseerde bij de ontwikkeling van diens Star Wars-programma. 'Sciencefiction-schrijvers hielpen raketwetenschappers in het verwoorden van hun idee, schrijft Cramer. 'Ze maakten er proza van dat Ronald Reagan kon snappen, en Ronald Reagan, die sciencefiction las, zei: ''Waarom niet!''' Het eindigde in on enigheid tussen twee grand old men: Heinlein, voorstander van Reagans Star Wars, versus de scepticus Clarke.

Sciencefiction heeft nog altijd toekomst, concludeert Jacques Post. 'Het beknotten van het NASA-budget heeft het genre de das om gedaan. Maar je zult zien: met het Mars-programma van Bush leeft de galactische sciencefiction weer op.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden