Marokko ontrafelt minutieus zijn jaren van lood

De Marokkaanse verzoeningscommissie reist stad en land af om te luisteren naar getuigenissen over misdaden die in opdracht van koning Hassan II zijn gepleegd....

'Met stokken hebben ze me geslagen. De hele tijd. In mijn gezicht en tegen mijn benen.' Haar woorden, met tussenpozen uitgesproken, blijven lang hangen in de Salle Palestine. 'We hadden veel te lijden. Ze lieten ons in de kou zitten. Ze gaven ons niets te eten.'

Hier in Errachidia, aan de voet van de Atlas en in het zicht van de Sahara-woestijn, heeft de karavaan van de Instance Équité et Réconciliation (IER) voor een avond haltgehouden. Het is de verzoeningscommissie die van koninkrijkswege de schendingen van de mensenrechten onder het regime van de in 1999 overleden Hassan II onderzoekt. Van stad naar stad trekt die commissie om burgers voor het eerst de gelegenheid te bieden in het openbaar, voor de radio en de televisie, hun verhaal te vertellen - de hoofdstad Rabat en de woestijnstad Figuig gingen Errachidia voor.

Uit de bergdorpen rondom zijn zeker vijfhonderd Berbers afgedaald naar de provinciehoofdstad. Het zijn veelal bejaarde mannen, die in de jaren vijftig nog in de onafhankelijkheidsstrijd tegen de Franse kolonialen hebben gevochten. Ze dragen soms wel twee dikke djellaba's over elkaar, zo'n ongewoon koude winter is het. Liefdevol drukt een zoon de witte tulband nog wat steviger op het kale hoofd van zijn blinde vader.

De Midden-Atlas staat in het acht uur autorijden verderop gelegen Rabat bekend om zijn radicale sympathieën. Op deze woensdagavond vertellen tien streekbewoners welke prijs ze hebben betaald voor hun opstandigheid in de jaren zestig, zeventig en tachtig. Tot leven komen les années de plombs, de jaren van lood, of ook wel al-sanawat al-sawda, de zwarte jaren - een geschiedenis die buiten Marokko weinig bekendheid geniet.

Al snel nadat Hassan II in 1961 aan de macht komt, kort na de onafhankelijkheid in 1956, zet hij zijn ordediensten in om critici de mond te snoeren. De eerste twee decennia worden vooral teleurgestelde onafhankelijkheidsstrijders en linkse activisten het slachtoffer van de staatsterreur, later laat Hassan II zijn critici van islamistische huize aanpakken. Bij arrestatiegolven die om de paar jaar plaatsvinden kijkt de politie niet op duizend arrestanten meer of minder. Martelingen en gevangenschap zonder proces zijn de gewoonste zaak van de wereld. De lichamen van gevangenen die aan de ontberingen bezwijken belanden in geheime graven.

Weggedoken in een forse bureaustoel achter de statige houten tafel op het podium in Errachidia oogt de breekbare Aïcha Ouharfou nog kleiner dan ze al is. Midden in zinnen mompelt ze af en toe 'ik kan het niet', om dan toch weer verder te gaan - ze spreekt in het Berbers.

Voor de familie Ouharfou beginnen de verschrikkingen in de nacht van 2 op 3 maart 1973, als socialistische strijders regeringsgebouwen en politiebureaus in de Atlas aanvallen. De wapens krijgen ze uit Algerije en Libië, sommige strijders zijn opgeleid in Syrië. Maar de revolutie mislukt. Het paleis ontketent zes maanden van ongekende repressie. Veel Marokkanen, nog gewend om besmuikt over het verleden te praten, hebben het eenvoudig over 'de gebeurtenissen van 1973'.

Vader Mohamed Omouha Ouharfou is volgens de staat betrokken bij de couppoging en wordt in 1974 geëxecuteerd. 'We waren ineens wezen. We huilden de hele tijd', zegt Aïcha terwijl ze, voor het oog van Marokkaanse televisiecamera's, met haar vinger aanwijst hoe de tranen over haar wangen liepen. Maar daarmee is het voor de familie nog niet voorbij, want ook Aïcha, haar moeder, broers en zussen moeten het ontgelden. Het terroriseren van de verwanten van staatsvijanden is de geëigende aanpak van het regime. Maandenlang zitten ze opgesloten in geheime gevangenissen in de bergen. De afranselingen gaan er zo hard aan toe dat zus Fadma in een cel in Agdz bezwijkt.

Het grote verdriet: het lichaam van Fadma is nooit gevonden. Aïcha knijpt haar ogen dicht. 'Waar is mijn zus?', stamelt ze.

Het verhaal van de familie Ouharfou is geboekstaafd in het archief van de Instance Équité et Réconciliation. Deze verzoeningscommissie huist op drie etages in een afgeleefde kantoorkolos in het centrum van Rabat. Meer dan 22 duizend slachtoffers hebben zich sinds de oprichting op 7 januari 2004 gemeld. In bijna 80 procent van de gevallen gaat het om 'willekeurige arrestatie', in bijna 2,5 procent om 'gewelddadige verdwijning' - dat zijn ongeveer 550 verdwijningen.

Tientallen medewerkers trekken er al maanden op uit om de verhalen te verifiëren, martelcentra te bezoeken en waar mogelijk graven terug te vinden. Officieel moet het eindrapport van de commissie al in april verschijnen, maar waarschijnlijk geeft koning Mohammed VI hen respijt tot juni.

De zestien leden van de verzoeningscommissie zijn gekozen in een balans van mannen en vrouwen, en van oud-gevangenen en specialisten op het vlak van de mensenrechten. De beraadslagingen zijn uitputtend en intens, vertelt IER-lid Abdelhay Moudden, die als linkse student in de jaren zestig steeds aan de politie is ontsnapt. 'Vooral de ex-gevangenen weten bij de vergaderingen van geen ophouden', zegt hij lachend. 'Zij hebben nog dat ritme van de cel: daar praatten ze gewoon net zo lang door tot ze midden in de nacht omvielen van de slaap.'

De hoorzittingen zijn het aangrijpendste deel van een stapsgewijze ontrafeling van de jaren van lood. Maar behalve de verborgen geschiedenis van de periode 1956 tot 1999 moet het IER-rapport straks ook advies aan de koning bevatten over herstelbetalingen en ontwikkelingsprogramma's voor de streken die opzettelijk zijn verwaarloosd. Ook moet de IER hervormingen van de staat voorstellen opdat schendingen van de mensenrechten in de toekomst worden voorkomen.

Het is onder dat laatste hoofdstuk dat de verzoeningscommissie Mohammed VI wellicht aanmoedigt daders strafrechtelijk te vervolgen. Tot nu toe spelen daders geen enkele rol in het verzoeningsproces - tijdens de hoorzittingen is het noemen van namen van agenten, bewakers of beulen verboden, ook omdat het bewijzen van schuld ingewikkeld is. Amnesty International en Human Rights Watch hebben er bij de commissie op aangedrongen zich breed te maken voor een justitieel vervolg van hun werk. 'Als de daders later niet verantwoordelijk worden gehouden voor hun gedrag doet dat afbreuk aan de betekenis van de commissie', zegt Eric Goldstein, die namens Human Rights Watch in 2004 het rapport Marokko - mensenrechten op een kruispunt heeft geschreven.

Vooralsnog doet het echter weinig af aan het belang van de hoorzittingen - een 'mijlpaal' voor de Arabische wereld, zegt Goldstein. De aanblik van de getuigen en IER-leden op het podium in Errachidia is ook onwerkelijk voor wie zich een uitspraak van koning Hassan II in herinnering roept uit 1989: 'Als ook maar 1 procent van de mensenrechtenschendingen die Amnesty International suggereert waar zou zijn, dan zou ik geen oog meer dichtdoen.'

Hoe omzichtig Marokko het pad naar gerechtigheid bewandelt maken de twee koninklijke portretten duidelijk die het podium in Errachidia flankeren: Hassan II hangt links en zijn zoon Mohammed VI hangt rechts. In de lezing van het paleis heet het dat Hassan II zelf de aanzet heeft gegeven tot de politiek van gematigde openheid waar Mohammed VI sinds zijn aantreden internationaal lof voor heeft gekregen. In de jaren negentig is een amnestie afgekondigd voor politieke ballingen, zijn de gevangenen vrijgelaten uit de tot dan toe geheime martelgevangenis Tazmamart in de Atlas, en zijn de eerste 112 namen bekendgemaakt van gevangenen die in de cel zijn overleden.

Maar Mohamed Ben Ibaghat weet desalniettemin aan wie hij en zijn 80-jarige vader Addi Ou Hssein te danken hebben dat ze vanaf rij 20 de getuigenissen van hun vrienden en bekenden in de Salle Palestine kunnen aanhoren. Op de tweede bladzijde in het eigenhandig vervaardigde dossier van zijn vader prijkt een foto van Mohammed VI - de papieren houdt hij trots op zijn schoot. 'Het is moeilijk aan de wereld uit te leggen wat ik voel', vertaalt Mohamed het Berbers van zijn vader. 'Zo'n groot gevoel van vreugde.'

Tussen 1971 en 1972 zat Addi Ou Hssein vast in Rabat. Zijn twee echtgenotes en zes kinderen moesten het in hun dorp Ksar Ouihlane alleen zien te rooien. In de map op schoot zit het halfvergane koopcontract van de loodmijn die zijn vader in 1970 kocht, ook de vergeelde verzekeringspolis uit 1963 van zijn jeep ontbreekt niet - noch de auto, noch de mijnschacht kreeg hij na gevangenschap terug.

'De belangrijkste betekenis van hoorzittingen als die Errachidia is dat de commissie namens de regering komt luisteren naar de bewoners', zegt IER-lid Abdelhay Moudden, die in Rabat aan de Universiteit Mohammed V politieke wetenschappen doceert. 'Met deze bijeenkomsten tonen we aan dat Marokkanen verantwoordelijke burgers zijn, met wie je kunt praten ook al ben je het niet altijd met ze eens. Tijdens de hoorzitting is het Berbers voor het eerst bij een officiële gelegenheid simultaan vertaald in het Arabisch - provisorisch, want er is geen tolk die daar ervaring mee heeft. Ook dat is een daad van verzoening. Wij moeten het alternatief bieden voor het gebruikelijke antwoord dat de staat heeft voor critici: geweld.'

De reflex van hardhandig optreden is het paleis nog niet verleerd, zegt Moudden - zie de grootschalige arrestatierondes in kringen van islamisten na de zelfmoordaanslagen in Casablanca in mei 2003. Honderden zitten er nog vast. 'Hoewel onze onderzoeksbevoegdheid tot gebeurtenissen in 1999 strekt, ontkomen we er niet aan over het heden te spreken. Immers, we worden geacht advies te geven voor het voorkomen van een herhaling van de misdaden.'

Als Chari El Hou in Errachidia aankomt, rent de cameraploeg van de Marokkaanse staatszender 2M op hem af - hij is een van de beroemde politieke gevangenen van het land sinds zijn getuigenis in Rabat rechtstreeks op televisie is uitgezonden. 'Hoe gaat het met u? Bent u blij dat u er weer bij bent?' De ogen van de gepensioneerde leraar Frans glimmen achter zijn sterke brillenglazen.

Vanaf 1963, zo vertelt El Hou even later, zat hij vier jaar vast. Zonder proces. 'Met veertien anderen ben ik opgepakt. Twintig maanden zaten we in Tagounite, aan de grens met Algerije - daar zijn er twee overleden. Later zaten we nog 22 maanden in Agdz - daar zijn er nog vijf overleden. In een vrachtwagen werden ze weggevoerd, we weten niet waar ze naartoe zijn gebracht. Hassan II was een crimineel.'

Vijfendertig jaar heeft hij moeten zwijgen - ter illustratie plakt hij met zijn hand zijn mond af. Maar hij heeft hoop voor Marokko, want: 'Ik kan zeggen wat ik wil.' Echt, 'c'est la réalité!', het is de werkelijkheid - als om zichzelf in de arm te knijpen herhaalt hij het zinnetje nog twee keer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden