Marktwerking voor aio's leidt tot versnippering

HET artikel 'Promovendus is te afhankelijk van hoogleraar' van Rick van der Ploeg (Forum, 15 januari) is mij in veel opzichten uit het hart gegrepen....

H.B. ENTZINGER

Ik ben het voorts eens met Van der Ploeg dat ook de begeleiders meer gestimuleerd moeten worden om hun promovendi tijdig af te leveren. De vraag is, hoe dit kan. Geld is nog altijd de beste prikkel. Universiteiten ontvangen per promotie zestigduizend gulden, maar de meeste promotoren kunnen hiervan geen cent ten gunste van hun eigen onderzoek aanwenden, omdat het (bijna) compleet wordt 'afgeroomd' door alle bestuurslagen die zich tussen het ministerie en de betrokken hoogleraar bevinden.

Als oplossing voor deze lethargische situatie beveelt Van der Ploeg meer concurrentie aan, een gebruikelijk recept heden ten dage. Concurrentie tussen hoogleraren en onderzoekgroepen om plaatsen voor promovendi, maar ook concurrentie tussen excellente studenten, die hun eigen onderzoekvoorstel moeten ontwikkelen en op grond daarvan worden geselecteerd.

De kwaliteit van de afzonderlijke onderzoekprojecten zal met Van der Ploegs voorstellen ongetwijfeld zijn gebaat. Toch kleven aan deze competitieve benadering ook nadelen. Zij zal immers leiden tot versnippering van onderzoekinspanningen, en dat terwijl, ook vanuit de politiek, de roep om samenhang en cumulatie in het wetenschappelijk onderzoek sterker is geworden.

De grootschalige onderzoekscholen, die de laatste jaren als paddestoelen uit de grond zijn gerezen, trachten die samenhang en cumulatie te bevorderen. Ook NWO doet dat trouwens steeds meer. Alleen zo kan het Nederlandse universitaire onderzoek in Europa en daarbuiten blijven meetellen en interessant blijven voor een steeds veeleisender bedrijfsleven.

Meer samenhang in het wetenschappelijk onderzoek vraagt om meer planning en onderlinge afspraken, niet alleen tussen hoogleraren, maar zelfs tussen hele faculteiten en universiteiten. In onderzoekscholen werken faculteiten van verschillende universiteiten samen. Uiteraard is het in zo'n omvangrijke organisatie van belang ieders deskundigheid maximaal te benutten, maar tegelijkertijd stelt de organisatie wel grenzen aan de spreekwoordelijke vrijheid van de hoogleraar om uitsluitend zelf te bepalen wat hij of zij onderzoekt.

Juist nu iets meer sturing eindelijk lijkt te lukken, en zelfs de hoogleraren bereid zijn hun onderzoek op dat van collega's af te stemmen, komt Van der Ploeg met het voorstel de kandidaat-promovendi hun eigen onderzoekvoorstel te laten formuleren buiten enig programmatisch kader om. Vervolgens moeten ze dan met hun plan gaan 'winkelen' langs individuele begeleiders.

Dit is geen goed voorstel. De zorgvuldig opgebouwde samenhang kan hierdoor immers weer worden ondermijnd. Promovendi zullen zo te weinig worden gestimuleerd buiten de vaak nauwe grenzen van hun eigen project te kijken, iets wat voor de toekomstige academische elite nog onmisbaarder zal blijken dan voor de huidige.

De doeleinden die Van der Ploeg voor ogen staan - mondiger promovendi, meer internationalisering en een breder draagvlak voor promotiebeurzen - onderschrijf ik. Echter, de prijs hiervoor mag niet een versnippering van het wetenschappelijk onderzoek zijn. Op de onderzoekscholen rust de plicht deze tegenstelling te overbruggen. Zij zijn tenslotte belast met zowel de opleiding van promovendi als het bevorderen van samenhang in het onderzoek.

De balans tussen deze twee taken is delicater dan collega Van der Ploeg vermoedt. Om die balans te kunnen vinden, moeten onderzoekscholen voldoende autonoom kunnen opereren van de faculteiten en de vakgroepen die hun onderzoekers bij die scholen hebben gedetacheerd. Die autonomie geldt niet alleen het inhoudelijke, maar ook het financiële en het rechtspositionele aspect. De politiek zou hiervoor helderder waarborgen moeten scheppen dan zij tot dusver heeft gedaan.

Als de politiek de onderzoekscholen steviger in het universitaire landschap zou neerzetten, kunnen deze met meer elan werken aan het bevorderen van internationaal concurrerend onderzoek. Voor promovendi zou het dan aantrekkelijker worden daar hun onderzoekopleiding te ontvangen - met een beurs of met een arbeidsovereenkomst.

H.B. Entzinger

De auteur is hoogleraar algemene sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht en directeur van de onderzoekschool Arbeid, Welzijn en Sociaal-Economisch Bestuur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden