Marktnormen dicteren beleid

Het neoliberalisme bestaat wel degelijk en vormt niet alleen een bedreiging voor sociaal-democraten, maar ook voor echte liberalen.

In de rubriek Pro & Contra (O&D, 1 maart) werd gedebatteerd over het al dan niet bestaan van het neoliberalisme. Patrick van Schie (Teldersstichting) stelde dat het neoliberalisme louter een links spookbeeld is, terwijl Paul Kalma (voorheen Wiardi Beckman Stichting) betoogde dat Van Schie, door van het neoliberalisme een linkse stroman te maken, de negatieve gevolgen ervan niet wil zien. Deze discussie is kenmerkend voor het debat over het neoliberalisme. Maar waar twee vechten, is de waarheid vaak in het geding. Van Schie heeft in eerste instantie gelijk dat er zo goed als geen zelfbenoemde neoliberalen bestaan. Daaruit volgt echter niet dat de tegenstanders het bij het verkeerde eind hebben als ze het over een opmars van het neoliberalisme hebben.


In zijn reactie wijst Kalma op een verharding en versmalling van het liberale denken en noemt hij voorbeelden waarin de verzorgingsstaat omwille van de economie zonder nadere discussie onder druk is gezet. Zijn voorbeelden zullen Van Schie echter nauwelijks overtuigen omdat niet direct duidelijk is waarom deze specifiek neoliberaal zouden zijn. Het neoliberalisme lijkt ongrijpbaar, maar er is meer over te zeggen dan uit dit debat naar voren komt. Liberalen als Van Schie en sociaal-democraten zoals Kalma zouden beiden hun voordeel kunnen doen met een scherpere afbakening van wat het neoliberalisme nieuw en bijzonder maakt. En voor beiden blijft er voldoende reden om zich er zorgen over te maken.


De reden waarom het neoliberalisme vaak niet goed wordt begrepen is dat het een heel nieuwe vorm van marktpolitiek betreft. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw mobiliseren tegenstanders de term neoliberalisme om een mutatie in het liberale denken over de markt te benoemen die tot op vandaag maar mondjesmaat wordt onderkend. Het liberale denken wordt traditioneel gekenmerkt door een naturalistische opvatting over de markt gebaseerd op de gedachte dat markten van nature ontstaan en functioneren. De rol van de politiek is om die naturalistische markten zo goed mogelijk te besturen. De centrale vraag in het liberale denken is in hoeverre de markt gereguleerd dan wel vrijgelaten dient te worden. Liberalen pleiten voor het laatste en stellen voor alleen in te grijpen wanneer markten falen. Ook sociaal-democraten bedienen zich van het 'liberale' denken, maar dan om te benadrukken op welke wijze markten gestuurd moeten worden richting sociale uitkomsten.


In toenemende mate komt men tegenwoordig echter beleidsvoorstellen tegen die zich moeilijk laten rijmen met de liberale visie en die daarom eerder neoliberaal genoemd kunnen worden. Naast schoolvoorbeelden van neoliberale beleidsmaatregelen zoals liberalisering van markten, privatisering of de vervanging van keynesiaans macro-economisch beleid door monetaristische markt-discipline, moet men dan vooral denken aan handel in emissierechten of nudging door middel van economische prikkels zoals bij filemijden. Dit zijn namelijk maatregelen waarbij de overheid niet markten reguleert, maar deze zelf construeert dan wel markt-achtige oplossingen instelt. Om milieuvervuiling tegen te gaan, stelt de overheid - in dit geval de EU - een markt in waar niet eerder bestaande goederen zoals emissierechten worden verhandeld. Bij filemijden probeert de overheid door markt-achtige prikkels fileproblemen op te lossen. Van werkloosheidsbestrijding door arbeidsreïntegratie, thuiszorg, kinderopvang of schoolkeuze, tot ontwikkelingsbeleid of terrrorismebestrijding; de overheid construeert steeds vaker markten of werkt met markt-achtige oplossingen. Dergelijk beleid heeft weinig meer van doen met traditionele liberale regulering van naturalistische markten. In het neoliberalisme is de markt niet langer het voorwerp van bestuur, maar wordt zij verheven tot een middel voor regulering en een norm voor politiek handelen. Populair samengevat, is het neoliberalisme marktpolitiek 2.0.


Het voornaamste bezwaar tegen een neoliberale marktpolitiek is dat zij, omdat de politiek zich steeds meer laat leiden door marktnormen, steeds minder in staat is een onafhankelijke positie in te nemen en nog democratische greep te houden op markt en economie. Als markten en marktdenken ingezet worden om politieke problemen aan te pakken, wordt het steeds moeilijker om deze vervolgens ter verantwoording te roepen.


Sociaal-democraten zoals Kalma zouden er bij gebaat zijn om niet al hun verzet tegen de markt op een neoliberale hoop te gooien, maar beter te benoemen of ze ageren tegen de liberale of neoliberale markt. Voor dat laatste zouden ze zelfs steun kunnen krijgen aan de overkant van de Tweede Kamer. Want ook liberalen zoals Van Schie hebben alle reden om op hun hoede te zijn voor de neoliberale ondermijning van de liberale orde. Daarmee worden immers belangrijke liberale noties zoals gelijkheid of democratie stilletjes ondergeschikt gemaakt aan de individuele vrijheid van de markt.


PETER WIM ZUIDHOF is universitair docent Politieke Economie van Europa aan de UvA .

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden