Mark Rothko

Joost Zwagerman vindt troost in het feit dat ook Henk van Os kan huilen om een schilderij.

In Groningen vertelde ik tijdens een lezing voor een studentenvereniging over een bezoek in 2008 aan Tate Modern in Londen, waar de Seagram Murals van Mark Rothko bijeen waren gebracht. Deze Seagram Murals, een reeks sereen en verstild getoonzette bijna-monochromen, waren oorspronkelijk bedoeld om permanent de wanden van een chic restaurant op Manhattan te sieren. Maar Mark Rothko (1903-1970) besloot op zeker moment de schilderijen niét aan de opdrachtgever te leveren, omdat hij zowel het restaurant als de cliëntèle te vulgair vond om zijn ijle, frêle werken aan bloot te stellen. De Seagram Murals raakten vervolgens verspreid over diverse musea in Tokio, New York en Londen.


Die dag in de Tate Modern bleef ik uren rondhangen in de zalen. Ik kan me niet herinneren ooit méér tijd te hebben doorgebracht met en bij een tentoonstelling. En sprekend of schrijvend over die werken van Rothko lijken grote woorden onvermijdelijk. Het volstaat niet te zeggen dat ik de Seagram Murals bekeek en bleef bekijken; ik was er om de werken te ondergaan.


Ik beken: als een ander zoiets schrijft, wend ik mij doorgaans discreet doch beslist af. Kunst ondergáán? Van kunst houden is één ding, erin opgaan en er zelfs door verzwolgen raken is een tweede. Maar oog in oog met die Rothko's was ik weerloos. Na het bezoek schreef ik in Vrij Nederland: 'We zien het grootste, het sacraalste, het monumentaalste, het subliemste. En tegelijkertijd is er het besef dat de kunstenaar wenst dat we worden omhuld door het teerste, warmste, ijlste, stilste, ja, het menselijkste wat de kunst kan voortbrengen. Zijn dit grote woorden? Dat moet dan maar.'


Behalve dat de Murals me die dag in 2008 in de greep hadden, probeerde ik ook de bezoekers te observeren, vertelde ik in Groningen. Hoe beleefden ánderen die opgloeiende, aanzwellende, wegstromende kleurvlakken, opkomend uit het niets en uitvloeiend in het Al? Sommigen gingen er naar mijn idee schandelijk haastig aan voorbij. Anderen draalden er net zo lang als ikzelf. En nu komt het: meer dan eens zag ik toeschouwers huilen. Een enkeling verholen en licht beschaamd, een ander zo te zien nauwelijks bewust van de eigen tranen.


Toen ik dit in Groningen prijsgaf, ontstond er in het zaaltje gemurmureer. Iemand uit de zaal riep uit: 'Onzin! De kleren van de keizer!'


De protesterende verklaarde zich nader. Dat gesnotter was hooguit een proeve van exhibitionistische zelf-felicitatie van kunstsnobs. Wat viel er te janken om acht of negen monochrome schilderijen op een rij? Die bezoekers hadden braaf gelezen dat Mark Rothko had gepoogd het Goede, Ware en het Schone te vangen in die kleurbanen en -vlakken. En dus vonden die snobs van zichzelf dat ze in vervoering moesten raken. Janken omdat je vindt dat het goed op je cv staat als je om Rothko jankt - zoiets.


Het trof me dat die smart onder de bezoekers zo makkelijk kon worden weggezet als pose en sentimenteel snobisme. En ik begon ook ter plekke licht te twijfelen - want: wanneer een abstract beeld je aan het huilen brengt, waar huil je dan precies om?


Ik dacht terug aan die avond in Groningen en aan de wenende passanten in Tate Modern bij het lezen van Kijk nou eens, het nieuwe boek van oud-directeur van het Rijksmuseum Henk van Os. Eén verhaal heet Tranentrekkende schilderijen. Daarin noemt Van Os een boek dat ik niet kende: Pictures & Tears. A History of People Who Have Cried in Front of Paintings. Als er nu iémand is die, eertijds in het tv-programma Beeldenstorm en nu nog steeds in zijn boeken, met onverslijtbare geestdrift maar zonder ooit een spoortje snobisme en dweepzucht spreekt over kunst, dan onze nationale kunst-ambassadeur Henk van Os.


In Tranentrekkende schilderijen benadrukt Van Os dat het laten van een traan bij het zien van een kunstwerk helemaal niets zegt over de kwaliteit ervan. Het zijn het gemoed en de - soms benarde - situatie waarin de toeschouwer zich bevindt, waardoor de traan ineens kan wellen. Van Os haalt een even luchtige als beladen herinnering op aan de eerste en enige keer dat hij het zélf niet droog hield bij het zien van een schilderij. Het was een werk waar de kunsthistoricus in hem niet bepaald warm voor liep. Sterker, hij vond het redelijk klef. Het was When Apples Were Golden and Songs Were Sweet van de pre-rafaëliet John Melhuish Stradwick.


Stradwicks schilderij toont twee etherische meisjes die aanminnig en devoot een boekske lezen en een ukelele bespelen. Van Os zag het werk in 1963 in Manchester - en was tot zijn eigen verbazing en schrik acuut in tranen. Van Os was nog jong, en zijn verloofde had het kort tevoren uitgemaakt. Ontroostbaar was hij het museum binnengegaan - en ja, dan brengen meisjes met ukeleles en een boek op schoot je, ondanks jezelf, aan het wenen.


Terugkijkend is Van Os nuchter en zelfs cabaretesk gestemd over zijn bevangenheid bij het zien van het schilderij. Maar interessant is wat hij vervolgens schrijft over het boek Pictures & Tears: 'Uit Elkins rondvraag blijkt dat (..) de meeste respondenten zijn gaan huilen voor een schilderij van Mark Rothko.'


Aha. Zo uitzonderlijk was het dus niet wat ik in de Tate Modern had zien gebeuren. En laat Rothko nu óók de kunstenaar zijn aan wie Van Os een ánder verhaal wijdt: Een kunstwerk dat er echt toe deed. Van Os vertelt er over de eerste keer, in 1960, dat hij tegenover een werk stond van Rothko. Het was in Basel, in 1968. Van Os liep er nietsvemoedend een museum binnen - en zag daar Rothko's Red, White and Brown. Hij stond 'aan de grond genageld'. Een hele ochtend bracht Van Os door voor het schilderij, want: 'je verloor jezelf in een bedding van licht en kleur. (..) Nog nooit had ik mij zo sterk gerealiseerd wat ik (..) in kunst zocht. Nu wist ik het: opgaan in een verheven stilte. Ontkomen aan jezelf in sublieme rust.'


Rothko's sferisch opgloeiend universum van frêle, bijna bovenzinnelijke kleurbanen als voertuig naar Selbstverneinung- hier bezigt ook de nuchtere Henk van Os zijn de grootst denkbare woorden, om een sensatie te verwoorden die veel ingrijpender en substantiëler is dan het plengen van een traantje.


In een eertijdse aflevering van Beeldenstorm, terug te zien op de dvd Hoogtepunten uit Beeldenstorm, gebruikte Van Os over Rothko's schilderij in Basel identieke woorden: 'Je verdween in een eindeloze kleurbedding. Je werd stil vanwege het sublieme.'


Een stil verdwijnen in een eindeloze kleurbedding - als dat niet zweemt naar je reinste religieuze of dan toch mystieke ervaring. Vergeleken bij die sensatie is een vochtig wordend oog een peulenschil. Toen ik het las, beving mij een zekere troost. Ik was niet langer alleen. Henk van Os had een soortgelijke sensatie ondergaan.


Van Os' woorden indachtig is het toch echt een feit dat de confrontatie met een meesterwerk van Rothko ons kan meevoeren naar verten van - nee, niet van zelfvertedering of zelf-felicitatie, maar van zelfvergetelheid en zelfverlossing.


Wéér die grote woorden. Ik laat ze staan. Soms zijn grote woorden nodig om te raken aan een ijle stilte en aan broze diepten van het gemoed. Met nieuwe kleren van de keizer heeft die sensatie van het aanschouwen van Rothko niets te maken. Wel met een op te vangen glimp van naakte nietigheid, van een fluisterend (en verlossend) nee tegen de wereld en een ja tegen de door Rothko onontkoombaarheid van het Niets.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden