Marjolein van de Water neemt afscheid als correspondent in Latijns-Amerika

Marjolein van de Water moet u nog één verhaal vertellen voordat ze vertrekt uit Latijns-Amerika

Na ruim zeven jaar neemt correspondent Marjolein van de Water afscheid van haar geliefde Latijns-Amerika. Voordat het zover is, heeft ze nog één verhaal te vertellen. 

In gesprek met migranten in El Salvador die willen proberen in een karavaan de VS te bereiken, november 2018. ‘Op een simpele vraag volgde vaak een heel levensverhaal. De wereld kent een chronisch gebrek aan toehoorders.’Beeld Victor Peña

Het is voorjaar 2019, samen met fotograaf Pablo Piovano rijd ik van Buenos Aires naar Bariloche, in het zuiden van Argentinië. Pablo zit achter het stuur, ik schenk maté en we luisteren naar de gezongen gedichten van Mercedes Sosa. Terwijl we over een eindeloos lange weg de droge pampa doorkruisen, vliegen honderdduizenden vliegende mieren tegen de voorruit kapot.

Tijdens deze reis begint het afscheid van mijn leven als Latijns-Amerika-correspondent, al besef ik dat nog niet echt. ‘De verhalen hebben zich in mij opgehoopt’, zeg ik als we in Patagonië zijn aangekomen. ‘De ruimte raakt op.’ Pablo kijkt me zwijgend aan en stopt de auto. We lopen naar de oever van het Nahuel Huapi-meer, waar volgens de overlevering een dinosaurus op de bodem woont. Die zien we niet, wel verschijnt een kraakheldere regenboog boven het water.

Er zijn geen vastomlijnde regels over hoelang een correspondentschap moet duren. Vroeger, toen correspondenten nog in vaste dienst waren, was vijf jaar de norm. Nu de meeste posten door freelancers worden vervuld, is die richtlijn vervaagd. We blijven zolang het goed gaat. Dat kan twee jaar zijn, maar ook tien. Ik heb er na zevenenhalf jaar een punt achter gezet. Want, zoals ik die dag zeg tegen Pablo: ‘Het is tijd om afstand te nemen.’

De relatie tussen correspondent en werkgebied is gecompliceerd. Om bevlogen over een regio te kunnen schrijven, moet je je er volledig in onderdompelen. Tegelijkertijd is het zaak een zo objectief mogelijke blik te behouden en de wereld om je heen te beschouwen als een onuitputtelijke bron van personages en verhaalwendingen. Je moet een buitenstaander blijven.

Ik stortte me als het ware vol overgave in een liefdesaffaire, maar met een dubbele agenda.

Parasiet?

‘Waarom zou ik met jou praten?’ Clifford Campbell vuurt de vraag op me af, onder zwaaropgemaakte wimpers kijken twee zwarte ogen me wantrouwig aan. Het is begin 2015, ik ben in een open riool in de Jamaicaanse hoofdstad Kingston, waarin tientallen door de samenleving uitgekotste homo’s en transgenders leven. Veel van hen zijn minderjarig, met op hun tengere lijven rafelige littekens van messteken en zuuraanvallen.

Clifford stelt een goede vraag. Want wat levert mijn bezoek eigenlijk op? Voor mij een verhaal over homofobie in Jamaica, ik verdien mijn geld met schrijven. Maar wat hebben deze jongeren eraan dat krantenlezers in Nederland kennismaken met de hel waarin ze leven? Waarom zouden ze mij vertellen dat ze zich tegen betaling seksueel laten vernederen in smoezelige motels, dat voorbijgangers hen met stenen bekogelen en dat zelfs hun eigen ouders hen doodwensen?

Ik probeer een gepast antwoord te formuleren, maar ben afgeleid door de gigantische kakkerlakken en ratten die over de glibberige bodem en muren van het riool krioelen. ‘Ik denk niet dat het je iets oplevert’, zeg ik dan maar. ‘Maar misschien heb je gewoon zin om te kletsen?’ Clifford denkt even na. Dan ontspannen zijn magere schouders en begint hij te praten.

Die avond zit ik fris gedoucht met fotograaf Rafael Fabrés in de binnentuin van ons hotel. Er is een roodgekleurde fontein, uit de speakers schalt reggae en een vriendelijke ober neemt uitgebreid de tijd om de menukaart toe te lichten. Rafael en ik praten over muziek en liefdesverdriet, en bestellen nog een drankje. Ik denk terug aan het riool: van wat die jongens per pijpbeurt verdienen, zouden ze hier niet eens twee biertjes kunnen kopen.

En zoals wel vaker bekruipt me een onaangenaam gevoel. Ben ik een parasiet?

Ik reisde het continent over, waaide aan op afgelegen plaatsen, klopte onaangekondigd op deuren, stelde allerhande vragen en bleef urenlang hangen. Overal waar ik kwam, mocht ik binnenkijken in levens en werd ik ontvangen met een hartverwarmende generositeit. Ik zoog de informatie gulzig op, de verzamelde flarden van levensverhalen vormden de bouwstenen voor mijn artikelen. Dat was mijn werk. Maar zij dan?

De journalistieke ethiek schrijft voor dat je bronnen niet mag betalen. Een goede regel, je wilt niet dat mensen hun verhaal vertellen uit economisch winstbejag. Dat zou een perverse prikkel zijn die het risico op verzinsels vergroot. Maar een groot deel van de personen die ik ontmoette, waren stukken armer dan ik. In elk geval in materiële zin. Ze hadden niet het privilege te zijn geboren in een van de welvarendste landen ter wereld en hadden vaak ook in andere opzichten meer pech gehad.

Dus worstelde ik met de grenzen van de ethiek.

Marjolein van de Water met Mexicaanse burgermilities in 2015. ‘Iedereen heeft een verhaal, besefte ik telkens opnieuw.’ Beeld Julius Schrank

Dilemma’s

Begin 2019 leer ik de 21-jarige kankerpatiënt Carmen Pérez kennen in een ziekenhuis in Caracas. Zoals in alle openbare ziekenhuizen in Venezuela zijn er lakens noch medicijnen. Er is geen stromend water, uit het mortuarium komt een indringende stank omdat de stroom is uitgevallen. Sinds mijn eerste bezoek in 2012 is de democratie in Venezuela langzaam de nek omgedraaid, de socialistische president Nicolás Maduro heeft het land in een diepe economische afgrond gestort.

De moeder van Carmen vertelt me dat het haar niet lukt een lege dvd te bemachtigen, nodig om de CT-scan van haar zieke dochter aan de arts te tonen. Winkels verkopen ze wel, maar betalen is onmogelijk. Cashgeld is vanwege de extreme inflatie niet te krijgen, pinapparaten zijn vaak stuk, ter plekke geld overschrijven kan alleen als je een rekening bij dezelfde bank als de ontvanger hebt. Ik heb cashdollars bij me en koop na afloop van het ziekenhuisbezoek een paar dvd’s.

Terug in het hotel gebruik ik Carmen, haar moeder en het gebrek aan dvd’s in mijn verhaal. Kan dat wel nu ik die aankoop heb gedaan, vraag ik me af. Ik gaf hun de dvd’s pas achteraf, zo overtuig ik mezelf, dus heb ik de quotes van de vrouwen niet ‘gekocht’. De twee zijn bovendien slechts figuranten in een artikel over gezondheidszorg in Venezuela. Een schamele anderhalve alinea in een lange serie verhalen over mensen die door de puinhopen van een mislukte revolutie strompelen.

Maar wat als de arts vanwege de bekeken CT-scan de behandeling aanpast? Wat als de jonge patiënt daardoor overleeft in plaats van sterft? Ik heb het nummer van de moeder genoteerd, wilde de familie later deze week eigenlijk thuis bezoeken. Maar, zo besluit ik, ik kan niet nog eens over ze schrijven. Want met die dvd’s heb ik ingegrepen in de gebeurtenissen waarover ik bericht – ook al kostte die ingreep maar 2 dollar – en dat is verraad aan mijn publiek.

Het Publiek. De Lezer. U.

In ontelbare hotelkamers hijgde u in mijn nek, terwijl ik koortsachtig naar de juiste woorden zocht om u voor te schotelen bij het ontbijt. Ik was ook maar een toeschouwer, maar wel degene op wie u vertrouwde. Dat hoopte ik althans. Daarbij ontleende ik mijn bestaansrecht aan u, dus ik was u nogal wat verschuldigd. Tegelijkertijd was u zo ver weg. En soms, zonder dat u het wist, koos ik niet voor u, maar voor hen. Voor degenen over wie ik schreef.

Zoals eind 2016, op de grens tussen Mexico en Guatemala. Aan de oever van de Suchiate-rivier zit de Hondurese Seidi Sánchez op een rotsblok te wachten op een goed moment om met haar 4-jarige dochter over te steken. Een man op een vlot van plastic tonnen en houten planken vaart langs: ‘Voor 5 quetzal per persoon breng ik jullie naar Mexico.’

Fotograaf Marcel van den Bergh en ik hangen de hele middag rond met Seidi en een groep Salvadoranen die zich bij haar hebben gevoegd. We zien de twijfel. Een vlot nemen? De rivier is niet diep, maar lopen is riskant door de stroming. Anderzijds, iedere cent die ze kunnen besparen is meegenomen: de weg naar de VS is nog lang. Marcel en ik hopen dat ze de oversteek gaan maken, we zijn hier immers voor een reportage over migranten die de VS proberen te bereiken.

Dan hakken ze de knoop door: ze gaan lopen. Om foto’s te kunnen maken van de overtocht, moeten wij zelf wel een vlot nemen. Maar kunnen we hen dan naast ons door een gevaarlijke rivier laten ploeteren met een 4-jarig kind? Wat als het meisje verdrinkt? Goed voor het verhaal, dat wel: het zal u, de lezer, zeker aangrijpen. Fuck de lezer, besluit ik en betaal een vlot voor ze. In het artikel laat ik in het midden of ze oversteken.

Slecht voor het verhaal. Maar u heeft er niets van gemerkt. Toch?

Op moeilijke dagen voelde ik me een parasiet, op de meeste dagen besefte ik dat dat onzin was. Niet omdat mijn werk zoveel impact had – er is slechts een handvol Kamervragen gesteld over misstanden die ik onthulde – maar simpelweg omdat ik luisterde. De gretigheid waarmee mensen de gelegenheid van een luisterend oor aangrepen, is veelzeggend. Op een simpele vraag volgde vaak een compleet levensverhaal. De wereld kent een chronisch gebrek aan toehoorders.

Soms werd die beroepsmatige interesse verward met iets anders. ‘Je bent mijn beste vriendin’, appt Rudi Chiliceo, een 30-jarige man uit El Salvador me nog steeds met enige regelmaat. Zijn poging om eind 2018 met een migrantenkaravaan de VS te bereiken, strandde al op de grens van Guatemala. De dagen die aan zijn deportatie voorafgingen, luisterde ik aandachtig naar zijn relaas over een eenzaam en gebutst leven. Dat had kennelijk nooit eerder iemand gedaan.

Vergetelheid verdrijven

In september 2014 zit ik op een hotelkamer in La Paz, Bolivia. Buiten op straat is een of ander volksfeest gaande, met luidruchtige dronken mannen verkleed als dieren. Ik probeer een interview voor te bereiden over lithiumwinning op de zoutvlakten, maar kan me slecht concentreren. In het zuiden van Mexico zijn tientallen studenten spoorloos verdwenen, nadat ze door de politie onder vuur zijn genomen. Een medestudent is op straat gevonden met de huid van zijn gezicht gestroopt en zijn ogen uitgestoken. Ik cancel de trip naar de zoutvlakte en neem de eerste vlucht naar Mexico.

Sinds de aanvang van de ‘drugsoorlog’ in 2006 zijn meer dan zestigduizend Mexicanen verdwenen, het land is een gatenkaas van illegale massagraven. De ouders van de studenten gaan met spaden de bergen in en graven op plaatsen waarboven aasgieren cirkelen. Ze vinden tientallen lijken, maar de lichamen van hun kinderen zitten er niet bij. ’s Avonds in het hotel drink ik met collega’s mescal, in een vergeefse poging de tweedehandspijn uit mijn hoofd te jagen.

Vier jaar later zijn de 43 jongens nog altijd niet terecht. Inmiddels is duidelijk dat zowel leger als politie tot over de oren betrokken is bij de zaak, die symbool is komen te staan voor de verdorven corruptie en de nauwe banden tussen drugskartels en regering in Mexico. Ik reis opnieuw naar de bergdorpen in Guerrero.

De ouders van de studenten zijn gesloopt, maar ontvangen me met open armen. ‘Blijf nog even’, zeggen ze als ik klaar ben met interviewen. ‘Heb je honger? Eet met ons!’ Ik weet waarom ze zich aan me vastklampen: ik verdrijf de vergetelheid. Mijn aanwezigheid geeft bestaansrecht aan hun verdriet. Een verhaal, ook al staat het geschreven in een taal die niemand begrijpt, is een levensteken. Als hun zoon straks in de Volkskrant staat, is hij heel even iets minder verdwenen.

Maar van alle ouders die ik spreek, komen alleen de vader en moeder van Christian in de krant. De rest blijft hangen in mijn notitieblok. De namen en leeftijden van hun verdwenen kinderen staan in de kantlijn gekrabbeld: Jorge (19), Abel (19), Benjamin (20). De geur van hun simpele huizen, het gekakel van rondscharrelende kippen, de tranen. Het heeft allemaal het verhaal niet gehaald.

Veruit de meeste mensen die ik de afgelopen zeven jaar sprak, kwamen nooit in de krant. Ze pasten niet in de verhaallijn, of hun relaas leek te veel op dat van een ander, van wie betere foto’s waren. Tijdens het schrijven ging het niet meer om hen, maar om u. Schrijven is kiezen, schrappen, kille afwegingen maken. Te veel namen opvoeren werkt verwarrend, voor je het weet, bladert of klikt u alweer verder. En hoe kon ik vergetelheid verdrijven als u al na enkele alinea’s afhaakt?

Psychologen zijn het erover eens dat de meeste mensen pas empathie voelen voor anderen, als ze hun persoonlijke verhalen kennen. ‘Empathie is de motor van sociale verandering’, aldus diezelfde psychologen. Uit uw hartverwarmende reacties bleek dat het lot van mijn hoofdpersonen u raakte. Soms wilde u hun zelfs geld sturen, een nobel gebaar. Maar ik zat dan des te meer in mijn maag met degenen die het verhaal niet hadden gehaald en wier namen u daardoor nooit zou kennen.

Boze lezers

Af en toe was u ook boos. Omdat ik ruimte gaf aan in uw ogen verwerpelijke figuren. Zoals Alejandro, die ik in november 2015 bezocht.

‘Wil je nog wat chips?’ Alejandro wacht het antwoord niet af, gooit de schaal vol en spuit er een flinke lading tabascosaus overheen. ‘Waar was ik gebleven?’, vraagt hij als hij weer is gaan zitten. ‘De martelingen’, antwoord ik. Alejandro neemt een slok bier. ‘Ik heb slachtoffers nooit gevild’, verzekert hij. ‘Ik hing ze wel ondersteboven aan het plafond en ranselde ze af met houten planken.’

Het is net na middernacht en ik zit nu al zo’n vijf uur aan Alejandro’s keukentafel. Alejandro werkte jarenlang voor Los Zetas, Mexico’s bloeddorstigste drugskartel. Hij vertelt over het moment dat een van zijn collega’s iemands hoofd afhakte en beschrijft de geur van in zuur opgeloste lijken. Pas als het bier op is, geeft hij toe dat de doden hem achtervolgen. ‘Ze zitten ’s nachts op het randje van mijn bed’, fluistert hij. ‘Dan hoor ik ze ademen.’

Ik eet chips, drink een biertje mee en lach om Alejandro’s grapjes. Ondanks alles vind ik hem aangenaam gezelschap. Dat fascineert me. Hoe kan ik sympathie hebben voor een man die dergelijke gruweldaden heeft begaan? Die vraag stelt u me ook na publicatie, in boze tweets en mails. Ik keur zijn daden en keuzes niet goed, probeer ik u uit te leggen. Ik wil alleen maar inzichtelijk maken hoe iemand zo kan verdwalen in het leven.

Niemand is alleen maar slecht.

‘Ik reisde het continent over, waaide aan op afgelegen plaatsen, klopteonaangekondigd op deuren, stelde allerhande vragen en bleef urenlang hangen.’

Net mensen

Ook marxistische Farc-rebellen zijn net mensen, zo blijkt als ik in 2016 een kleine week met de Colombiaanse guerrillero’s over een onherbergzame bergketen trek. Na ruim een halve eeuw burgeroorlog staan de Farc en de Colombiaanse regering op het punt een vredesverdrag te tekenen. De grote machinegeweren die de guerrillastrijders nu nog in de stromende regen meezeulen, zullen worden omgesmolten tot een vredesmonument.

Vol hoop ploegen de guerrillero’s nog een laatste keer door de modder. Ze dragen allemaal dezelfde blauwe rubberlaarzen, maar fantaseren over witte Nikes. Tijdens de barre tocht naar de plek waar ze de wapens zullen neerleggen, spreken ze over pizza’s, roomijs en andere lekkernijen die de vrede zal brengen.

Ik ben vaak bang tijdens die tocht. Als de brug over een kolkende rivier instort en we voetje voor voetje over boomstammen naar de overkant moeten. Als we de nacht doorbrengen in een gehucht dat leeft van de cocaïneproductie, waar 90 procent van de bevolking uit mannen bestaat, die allemaal laveloos door de straten zwalken. En wanneer op nauwe rotspaadjes zwaarbepakte en met zwepen opgejaagde muilezels ons tegemoetrennen, en me bijna in gapende ravijnen doen storten.

Maar hoewel ontvoeren lange tijd het belangrijkste verdienmodel van de Farc was, ben ik geen moment bang voor de guerrillero’s zelf. Onderweg vertellen ze me waarom ze zich aansloten bij de guerrilla, vaak nog voordat ze 16 jaar oud waren. Tussen hun karige bezittingen zitten versleten knuffelberen en vergeelde foto’s van afwezige vaders. Iedereen heeft een verhaal, besef ik voor de zoveelste keer.

Laatste verhaal

Dat besef hield mijn hart warm. Het hielp me, toen ik op een warme avond voor de ingang van mijn huis in Rio de Janeiro het koude mes van piepjonge crackverslaafden tegen mijn huid voelde. Of kort daarna, toen ik midden in de nacht werd klemgereden door een motorrijder en een pistool op mijn hoofd kreeg. En toen een bron in Venezuela een poging deed me af te persen en ik angstig mijn hotel ontvluchtte. Het lukte me hen niet te haten, en dat bleek de beste remedie.

Dit laatste verhaal had moeten gaan over Brazilië, het land waar ik woonde, en de politieke aardverschuiving die ik zich daar met lede ogen heb zien voltrekken. Toen bedacht ik dat ik het continent dat me zo onbarmhartig heeft omhelsd, daarmee tekort zou doen. Dus probeerde ik een eerbetoon aan Latijns-Amerika te schrijven. Een ode aan de plaats waar mensen vol nieuwsgierigheid de dag plukken en waar ik leerde dat je leed kunt verzachten door er collectief overheen te dansen.

Maar uiteindelijk besloot ik dat dit afscheid over mezelf moest gaan. Want dat was het enige verhaal dat ik u nog niet had verteld.

Marjolein van de Water is de nieuwe chef Buitenland van de Volkskrant. Haar correspondentschap in Latijns-Amerika wordt vanaf 14 februari overgenomen door Joost de Vries. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden