Marcel van Dam: 'De generaties na de babyboomers zijn niet slechter af'

Voor het eerst heeft het generatieconflict betrekking op de vraag of de welvaart over de generaties wel eerlijk is verdeeld. Wat zijn daarvan de politieke en morele gevolgen, vraagt Marcel van Dam zich af.

De Maagdenhuisbezetting van 1968.

Het gezeur over de vraag welke generatie het beste af is gaat maar door. Zoals in het artikel van Huub Mous in deze krant van jongstleden dinsdag. Zijn stelling dat de babyboomers in de jaren zestig de weg zijn kwijtgeraakt, wordt begrijpelijker tegen de achtergrond van zijn bijdrage aan het boek Tegen de tijdgeest, waarin hij de psychose die hem in 1966 trof in de context plaatst van zijn geloofsafval. Voor mij betekende het afscheid van de religie in dezelfde tijd een bevrijding.

Persoonlijke ervaringen bepalen je kijk op de wereld, maar veranderen helaas de feiten niet. Zoals het feit dat het eigen woningbezit verreweg het laagste is onder de babyboomers en die generatie dus het minst heeft geprofiteerd van de prijsexplosie in de jaren negentig.

Zijn generaties na de babyboomers slechter af? Als het om besteedbaar inkomen gaat zeker niet. Trendmatig ging het besteedbaar inkomen sinds 1945 gestaag omhoog. In tijden van economische neergang, zoals begin jaren tachtig en nu, even niet. Maar het gemiddelde welvaartspeil over de levensloop van jongere generaties is veel hoger dan dat van de babyboomers. Bij zijn berekeningen waarmee de houdbaarheid van de overheidsuitgaven in de toekomst wordt berekend, gaat het Centraal Planbureau (CPB) uit van een jaarlijkse koopkrachtstijging van 1,7 procent. Volgens het CPB is het ook niet zo dat de babyboomers meer profijt van de overheid hadden dan latere generaties.

Veel belangrijker dan deze feiten vind ik de morele en politieke impact van het gezeur over de vraag welke generatie het beste af is. Ik ben ervan overtuigd dat in de hele geschiedenis van de mensheid alle generaties streefden naar betere kansen en meer welvaart voor hun kinderen. Voor het eerst heeft het generatieconflict betrekking op de vraag of de welvaart over de generaties wel eerlijk is verdeeld. Eerder was die vraag niet aan de orde, want niemand was in staat het uit te rekenen. Gelukkig maar. Want stel dat het CPB in 1950 hetzelfde computermodel had gehanteerd waarmee nu de toekomst wordt berekend. Dan had dat model waarschijnlijk grote onrust veroorzaakt onder de toenmalige beroepsbevolking.

Als toen met dat model de kosten van de AOW voor de komende honderd jaar waren berekend en de kosten van de doorbraak van het onderwijs, was er misschien wel een volksopstand uitgebroken. In 1957 ging de beroepsbevolking premie AOW betalen voor generaties die er zelf nooit een cent aan hadden betaald. In 1950 bedroegen de kosten van het onderwijs nog geen drie procent van het bruto binnenlands product. In 1975 was dat ongeveer zeven procent. In termen van nu: een stijging van uitgaven met ongeveer 25 miljard euro per jaar.

Toch is het welvaartsniveau van nu mede aan die maatregelen te danken. Zonder AOW was de arbeidsparticipatie van vrouwen nooit van de grond gekomen, omdat de zorg voor hulpbehoevende ouderen prioriteit had gekregen. Zonder verbreding van het onderwijs was onze economie blijven steken in verouderde productieprocessen en producten die geleidelijk zouden zijn overgenomen door lage-lonenlanden, ons opzadelend met massawerkloosheid.

Gelukkig kan niemand in de (verre) toekomst kijken. Telkens wanneer we dat wel probeerden, werden grote fouten gemaakt. In de jaren vijftig subsidieerde de staat emigratie, omdat we zelf nooit in staat zouden zijn voldoende werkgelegenheid te creëren. In de jaren zestig moesten we buitenlanders gaan rekruteren om het gebrek aan arbeidskrachten op te vangen. In de jaren tachtig dachten velen, waaronder ik, dat de moderne technologie zou zorgen voor een baanloze economische groei. Dat geloof leidde tot structurele arbeidsduurverkorting, die ons in de jaren negentig opzadelde met grote tekorten aan arbeidskrachten en een oververhitte economie.

Het CPB heeft nu een toekomst berekend op basis van de veronderstellingen dat de productiviteit (en koopkracht) de komende dertig jaar groeit met 1,7 procent per jaar, maar dat we over die hogere koopkracht geen extra belasting betalen zoals nu in ons progressieve belastingstelsel het geval is. Een mooi voorbeeld van wensdenken. Daardoor dalen de belastinginkomsten met meer dan 30 miljard euro per jaar, die door vrijwel alle politieke partijen - ook PvdA, D66 en GroenLinks - zijn ingeboekt als noodzakelijke bezuinigingen. Daarmee hebben die partijen zich de gevangene gemaakt van een berekende toekomst, die een gewenste toekomst onmogelijk maakt. Ze noemen dat een hervormingsgezinde visie.

Marcel van Dam is socioloog en columnist van de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden