Man & Mentor

Het is onwaarschijnlijk, ja eigenlijk zo goed als uitgesloten dat het nog eens zal gebeuren, want je wordt steeds ouder, wijzer, cynischer, hoe je het ook wilt noemen, en wat daar ook de voordelen van mogen zijn, onbevangener word je niet....

Ik heb het natuurlijk over verliefdheid, helemaal, hals over kop, nergens anders over willen praten; de verliefdheid op een boek.

Dit is wat ik me herinner: je begint aan de eerste bladzijden, zoals je de eerste happen neemt van je ochtendboterham. Daar komt nog weinig romantiek aan te pas. Maar al heel snel gebeurt er iets dat wel wat wegheeft van die commercials voor pindakaas of chocoladepasta: man is nog niet uitgeslapen, propt werktuigelijk wat naar binnen. Maar dan ineens begint hij te stralen en zet vreemde hoedjes op. Gaat dansend naar zijn werk. Man is gek op nieuwe chocoladepasta.

Die plotselinge versnelling, dat mateloze schrokken, pagina na pagina, waarvan je zelf niet kan geloven dat je het doet, zo herinner ik me het, en zo gebeurde het nu weer.

Het is een oud boek dat het me aandeed, relatief oud, verschenen in 1970; het is al zesentwintig jaar te koop en te lezen zonder dat ik van het bestaan wist (dit is de jaloezie van de verliefde die het niet uit kan staan dat zijn object van verliefdheid een verleden kent waar hij part noch deel aan heeft). Auteur noch titel zei me iets: Albert Murray, The Omni Americans.

Eerst iets over de auteur: die is zwart en stokoud, over de negentig. Hij woont in Harlem, New York of 'Uptown Manhatten' , zoals hij dat veelgeplaagde stadsdeel koppig blijft aanduiden. Wij zijn stadgenoten, dacht ik sentimenteel toen ik het las, want zelf geboren in Haarlem, Oude Wereld. Flauw. De echte band ontstond toen ik las wat hij schreef, en vooral hoe hij het schreef.

Murray schrijft tegen het tribalisme, elke vorm van tribalisme, of het nu van zwart komt of van blank, in Afrika wordt gepraktiseerd of in Amerika.

In 1970 was het in dit land ontzettend hip om te beweren dat zwart en blank elkaar niets te vertellen hadden. Zwarten verkondigden dat boos, en progressieve blanken bevestigden dat deemoedig. Het was de tijd van de Black Panthers, gebalde vuisten en 'by all means necessary' de tijd dat mensen serieus overwogen om de hele boel maar op te delen omdat een vergelijk tussen de partijen onmogelijk leek. Dat idee van separatisme om soort bij soort te laten en een scheiding van tafel en bed aan te brengen, zou later door de vrouwenbeweging worden overgenomen, nog weer later door de homo's, en recentelijk mocht het triomfen vieren in Bosnië en Midden-Afrika. Ik wil maar zeggen dat het niet zo'n goed idee is, toen niet en nu niet: desondanks heeft het actiegroep na actiegroep mogen inspireren, beweging na beweging, alsof het om een onschuldig probeerseltje ging dat nodig eens beproefd moest worden.

In 1970 had het daar misschien nog de schijn van, maar ook die schijn verblindde Albert Murray niet. Mijn god, wat was die man daar mordicus, niets ontziend op tegen. En dat niet op een ondogmatische manier, maar met het soort ingehouden woede dat zich uit via bijtende argumenten en sarcasmen.

Op het moment dat zwarte Amerikanen uitsluitend nog in het nieuws kwamen als probleemgroep, merkt hij op: 'Iemand zou toch eens moeten uitleggen wat negers in dit land leuk vinden aan het feit dat ze zowel zwart zijn als Amerikaan. Anders dan de berichten doen vermoeden, plegen zij niet massaal zelfmoord. Sterker nog: over het algemeen beschikken ze over een gevoel voor stijl en elegantie dat veel blanke Amerikanen alleen maar kunnen benijden.'

Ander voorbeeld: wanneer de mode om zich heengrijpt dat zwarte Amerikanen zich 'Afro-Amerikaans' beginnen te noemen, en zich laten voorstaan op een glorieus 'Afrikaans verleden, schrijft Murray, 'Typisch Amerikaans om een heel continent te verwarren met een natie. Daar zullen ze in Afrika nog van opkijken.'

Zwarte Amerikanen zijn in Murray's ogen eerst en vooral Amerikanen. Niet alleen hebben ze voor een belangrijk deel de geschiedenis van het land bepaald, het taalgebruik, de mode en muziekstijlen, maar ook belichamen ze in hun verscheidenheid de essentie van het land zelf. 'Amerika is, anders dan de hysterische propogandisten van het raciale verschil beweren, een mulatto-cultuur: een mengvorm van zwart en blank, joods en Italiaans, latino en indiaans.'

Murray is iemand die het specifieke en particuliere altijd gebruikt om een algemener idee te kunnen verduidelijken. Net zo min als Philip Roth's boeken uitsluitend joods zijn, of die van Reve homoseksueel, is het werk van Murray exclusief zwart. Alledrie proberen ze iets grootsers te grijpen (het neurotisch bestaan, de liefde, de Amerikaanse ervaring, om maar eens wat trefwoorden te noemen). In die zin is Murray net zo hoogmoedig als Flaubert destijds, want deze narrige zwarte man verkondigt met zoveel woorden: 'Amerika, dat ben ik.'

Je kan alleen maar hopen dat de zogenaamde 'etnische minderheden' in Nederland ooit dezelfde arrogantie aan de dag zullen leggen.

Genoeg over Murray's ideeën en argumenten, laat ik het hebben over zijn stijl, zijn woordkeuze, zijn muziek. Per slot van rekening is deze man een jazzkenner, die de blues net zo vanzelfsprekend ter sprake brengt als Wim Kok het financieringstekort . Pas toen ik de The Omni Americans las, realiseerde ik me hoezeer ik me gewend had aan de voorgekauwde toon van de collectieve verontwaardiging die de meeste boeken over kleur en kleurverschil zo onverteerbaar maakt. Wat Murray's werk ten enenmale ontbeert, is die groepsdreun, dat herderlijk spreken uit naam van een goegemeente. Hier is iemand aan het woord die in alles wat hij zegt enkelvoudig klinkt en persoonlijk: het maakt dat ik me aanvankelijk verslikte in The Omni Americans, omdat de stijl van het boek zoveel intiemer is dan het onderwerp doet vermoeden. Eerst wacht je nog op de platitudes en de voorgeschreven mantra's (slavernij, racisme, dreun, dreun, dreun) maar na een pagina of twintig begint het te dagen: deze man zingt geen bekende liedjes, hij flanst ter plekke een nieuw idioom in elkaar.

Elke verliefdheid vindt zijn hoogtepunt in de nacht, zo ook deze. Toen ik het boek om zes uur 's ochtends uit had, wilde ik nog maar één ding: 'Kan deze weerbarstige oude man niet mijn mentor zijn?'

Daar zal Murray waarschijnlijk weinig oor naar hebben, want niets zo griezelig als een over-enthousiaste fan. Bovendien heeft de man al een pupil: Stanley Crouch - de zwarte essayist die ik de vorige week ter sprake bracht - schrijft in zijn laatst verschenen boek: 'Ik ken Albert Murray nu zo'n vijfentwintig jaar, en er is niemand die mijn intellectuele ontwikkeling zozeer heeft beïnvloed. Deze grote man is mijn mentor en tegelijkertijd veel meer mijn vader dan de vent wiens bloed toevallig door mijn aderen stroomt. Sorry pap.'

De opmerking is mij om een aantal hoogstpersoonlijke redenen, die stuk voor stuk in deze krant hebben gestaan, uit het hart gegrepen. Mind over matter. Adoptie boven 'echte' ouders. Gelijkgestemden boven bloedgroep.

Ik kende al een paar oude mannen die in het verleden de mentorrol vervulden. En ik ga die Murray daar gewoon, wederrechtelijk aan toevoegen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden