Magiër en pestkop

Vandaag verschijnt de verzamelde poëzie van Lucebert. Acht jaar na zijn dood is het verloop van zijn dichterschap stap voor stap te volgen....

ANALFABETEN, zo wordt in een recente studie aangetoond, denken anders dan geletterden. Doordat analfabeten niet geleerd hebben een grafische afbeelding te maken van de klanken die zij onbevangen uitstoten, zijn ze niet in staat hun taal als op zichzelf staande werkelijkheid te beschouwen. Logische redeneringen blijken ze niet te kunnen volgen en ze menen dat mededelingen die volgens het gezond verstand evident onjuist zijn, niet opgeschreven kunnen worden. Voor analfabeten is, net als voor kleuters, de eenheid van ding en woord nog niet verbroken. Kleine kinderen en ongeletterden weten weliswaar dat het mogelijk is te liegen, maar in hun magische beleving, waar een woord een wereld van verschil maakt, is het spreken van onwaarheid een revolutionaire daad.

Een van de merkwaardigste aspecten van veel twintigste-eeuwse poëzie is dat ze, terwijl haar dichters over het algemeen erudiete lieden waren, keer op keer serieuze pogingen in het werk heeft gesteld de magische eenheid van woord en ding te herstellen. Zo constateerde Gerrit Kouwenaar met overtuigend gespeelde teleurstelling dat de woorden 'brood' en 'perzik' oneetbaar waren, wat hem er niet van weerhield jarenlang steeds opnieuw dat ene gedicht te willen schrijven waarin de werkelijkheid hem nu eens een keer net niet zou ontglippen. Zijn onderneming verschilt niet wezenlijk van die van Gerrit Achterberg, die bundel na bundel probeerde een afwezige vrouw zo op te roepen, dat ze uit de taal zelf tevoorschijn zou komen. Iedereen begrijpt dat wat Kouwenaar en Achterberg willen, domweg niet kan. Hun radeloze optimisme is primitief en kinderlijk.

Maar 'poëzie is kinderspel', zegt Lucebert, en Lucebert heeft in dezen gezag als geen ander. Die onontkoombare autoriteit, die hem de titel 'keizer der vijftigers' opleverde toen hij nog maar net publiceerde, is een constante in alles wat de laatste halve eeuw in Nederland over poëzie is geschreven. Natuurlijk, je kon het schoorvoetend met Lucebert oneens zijn, maar je kon niet om hem heen. Lucebert had als dichter, als schilder en zelfs als mens een mythische status verworven.

Ook zijn biografie vertoont mythische kenmerken. Lubertus Swaanswijk werd in 1924 als zoon van een huisschilder in de Amsterdamse Jordaan geboren. Doordat zijn moeder het gezin al vroeg verliet, had de dichter een betrekkelijk eenzame jeugd, waarin hij al vroeg veel las en tekende. Na de lagere school bezocht hij de driejarige ULO, waarna hij in 1939 een beurs kreeg om aan het Instituut voor Kunstnijverheid te gaan studeren. Zijn vader, stiefmoeder en oudere broer vonden dat echter een weinig zinvolle opleiding en haalden hem er na een halfjaar af. Swaanswijk moest gaan werken, wat hij met wisselend succes in diverse baantjes probeerde. In 1943 werd hij tewerkgesteld in Duitsland, in een munitiefabriek aan de Elbe, maar na enkele maanden wist hij zich te laten afkeuren en kon hij terug naar huis. Tot het einde van de oorlog zat hij ondergedoken bij zijn broer.

De jaren tussen 1945 en 1952 hebben in de beeldvorming over Lucebert - want zo was hij zich inmiddels gaan noemen - waarlijk hagiografische trekken aangenomen: Christus of Antonius in de woestijn. De dichter zou het leven van een gekwelde zwerver en gulzige minnaar hebben geleid, overnachtend in parken en op het pontje over het IJ, terwijl hij intussen zijn natuurlijk genie voedde, om in 1949 schijnbaar vanuit het niets los te barsten in magistrale zangen die heel poëzieminnend Nederland op zijn grondvesten deden trillen. Zo is het niet helemaal gegaan, maar de mythe is te goed om niet in stand te houden.

Een feit is dat Lucebert aan het eind van de jaren veertig bevriend raakte met de schilders Karel Appel, Corneille en Constant en met de dichters Jan Elburg, Bert Schierbeek en Gerrit Kouwenaar. Zijn debuut als dichter maakte hij met de 'minnebrief aan onze gemartelde bruid indonesia', gedateerd zondag 19 december 1948, toen de politionele acties begonnen. Het is een drie pagina's lang voortrollend, radeloos, woedend gedicht, dat zo eindigt:

ik ben de bruidegom zoete boeroeboedoer

hoeveel wreekt de bruidegom de bruid

als op java plassen bloed zij stuiptrekt

uitbuiters hun buit haar ogen oesters inslaan en uitzuigen?

En het sloeg in als een bom. Dat kwam niet alleen doordat hier de legitimiteit van het koloniaal bewind keihard werd aangevallen, maar ook door de in de Nederlandse literatuur ongeëvenaarde vrije vorm van het gedicht. Geen hoofdletters, nauwelijks leestekens, een meerduidige zinsbouw, maar vooral tientallen over elkaar heen buitelende beelden waarvan de betekenis niet eenvoudig viel vast te stellen, en een dansende muzikaliteit: 'ik met de maniakken modder en tin groef bunkers waanzin/ overalin spande egels om mijn kaak en bond speren op mijn tong'.

Hoewel het volkomen duidelijk is wat dit gedicht wil, staat het direct al garant voor wat we maar de 'Lucebert-ervaring' zullen noemen. Talloze lezers en luisteraars - want Lucebert was een begenadigd vertolker van eigen werk - hebben van meet af aan getuigd van de betovering die van deze poëzie uitging: dat je je, aanvankelijk misschien nog tegenstribbelend, binnen enkele regels volstrekt laat overrompelen en meeslepen, ook al begrijp je er geen moer van. En het merkwaardige is dat die ervaring zich keer op keer laat herhalen. Je kunt je voornemen de gedichten nu eens rustig en nuchter te gaan bekijken, want misschien heb je je wel laten beetnemen door een grijnzende charlatan, maar of je het nu wilt of niet, je raakt onherroepelijk in de ban en voor je het weet zit je weer met heel je lichaam mee te deinen en prevel je ademloos aantoonbare onzin mee:

de vallende ratten

dragen schalen vol contrastpap aan roest

brandt tussen je tenen en je vingers

kleven aan de deuren op een kier

achter elke deur ligt een rat zo groot

als een dirigent een directeur als een dier

dat nooit rat was

Er zijn binnen ons taalgebied weinig andere dichters die zo bedwelmend kunnen raaskallen. Hugo Claus steekt zijn illustere generatiegenoot naar de kroon met zijn Oostakkerse gedichten, maar Claus is een veelzijdiger dichter die, met wisselende virtuositeit, ook totaal andere noten op zijn zang heeft. H.H. ter Balkt, die oud-testamentisch debuteerde als Habakuk II de Balker, schrijft in de traditie van Lucebert; ook hij overweldigt en sleept mee, maar hij is grilliger en knoestiger dan zijn voorganger. Luceberts belangrijkste literaire nazaat van dit moment is Ilja Pfeijffer, die liever niet wil weten wat Luceberts woorden 'meepse barg' betekenen en zelf graag aanstekelijk orakelt. Maar bij Pfeijffer, die van epateren een tweede natuur heeft gemaakt, weet je nooit zeker of hij niet gewoon met een spelletje bezig is - en spelen is kinderwerk, nietwaar?

Door Lucebert ook als inventief speler te beschouwen, doen we hem geen onrecht. In ons collectief geheugen staat het beeld van Lucebert als magistrale magiër, als ongrijpbare dichter-profeet centraal, maar we moeten niet uit het oog verliezen dat hij daarnaast ook een onverbeterlijke pestkop was, die niet terugdeinsde voor de meest flauwe woordspelingen. Tekenend is het voorval dat hij een psychologisch onderzoek naar het associatievermogen van moderne dichters versjteerde door als proefpersoon quasi-spontaan een goed doordacht cryptogram op te geven. Ook strofen als de volgende vallen zonder meer onder de noemer pesterij:

de pohesie de poempaan de stattoor

slaan sideriese zoen aan de hekken der aanwakkeraars

der der der

van telkens toen telkens teer

der schwingel der zwarte sjwaas panaan pnaanteer

Er valt niet aan te twijfelen of hooggeleerde interpreten als Anja de Feijter en Jan Oegema zijn bereid zelfs dergelijke flauwekul au sérieux te nemen, maar het is de vraag of je daar als eenvoudige poëzielezer op zit te wachten.

Lucebert heeft zeker niet uitsluitend 'moeilijke' gedichten geschreven. De programmatische verzen waarin hij stelling neemt als dichter, zijn over het algemeen tamelijk helder, hetgeen ze dan ook een enorme bekendheid heeft gegeven.

Iedereen die iets van poëzie weet, kent deze regels: 'ik ben geen lieflijke dichter', 'lyriek is de moeder der politiek' en vooral:

ik tracht op poëtische wijze

dat wil zeggen

eenvouds verlichte waters

de ruimte van het volledig leven

tot uitdrukking te brengen

Ook Luceberts politieke statements liegen er niet om: 'er komt geen einde aan het leed/ met elk nieuw gezicht vermenigvuldigen zich de noodkreten/ nooit is iets zonder geweld en nergens is het stil'. Tot het einde toe is deze dichter een strijdbare linkse intellectueel gebleven die terecht van mening was dat poëzie zich uitstekend leent voor het aan de kaak stellen van maatschappelijke misstanden. In dat opzicht heeft hij bij ons nauwelijks school gemaakt.

Het typische Lucebert-gedicht is echter noch poëticaal, noch politiek. Ook spreekt hij vrijwel nooit over zichzelf, althans tot de laatste jaren voor zijn dood, maar ook dan worden autobiografische elementen zo verpakt dat ze een bovenpersoonlijk karakter krijgen. Vanaf zijn eerste bundel, apocrief/de analphabetische naam uit 1952, die overigens pas verscheen na zijn tweede bundel, zijn er twee soorten gedichten die voortaan alle bundels zullen kenmerken. In de eerste plaats zijn dat de zorgvuldig gestructureerde kleinoden waarvan 'de visser van ma yuan' het bekendst is:

onder wolken vogels varen

onder golven vliegen vissen

maar daartussen rust de visser

De laatste door de dichter zelf voor publicatie gereedgemaakte bundel, van de maltentige losbol, eindigt met een kwatrijn ter ere van de schilder Gérard Grassère (1915-1993), dat al even precieus is:

dwars door mistroostige mist

blijft hij van herfst naar lente ons vervoeren

deze lachende alchemist

met zijn picturale partituren

Het tweede type is dat van de schijnbaar ongeremd voortdenderende beeldenmachine: lange, breed uitwaaierende gedichten, waarbij je de indruk krijgt dat de dichter zijn woordenkraan heeft opengezet en de taal heeft laten stromen totdat de bron - tijdelijk - was opgedroogd. Het zijn met name deze gedichten die de 'Lucebert-ervaring' veroorzaken. Gillis Dorleijn heeft aannemelijk gemaakt dat Lucebert tot op zekere hoogte hetzelfde deed als jazzmuzikanten die, na jarenlang oefenen van toonladders en licks, hun geïmproviseerde solo associatief opbouwen. Dat Lucebert associatief en vaak per regel dacht, valt vaak gemakkelijk te zien. Het lijkt erop dat hij, als een gedicht op die manier tot stand was gekomen, geen behoefte had vervolgens met het ontstane materiaal aan de slag te gaan om er een hecht doortimmerde constructie van te bouwen. De lange gedichten missen vaak een dwingende architectuur, hoe overtuigend ze ook zijn.

Nu acht jaar na 's dichters dood het verzameld werk is verschenen, kunnen we het verloop van het dichterschap stap voor stap volgen. Bij herlezing blijkt hoe strak de eerste bundels zijn gecomponeerd en hoe verstandig Lucebert eraan heeft gedaan de zogeheten 'ongebundelde gedichten', die in 1974 werden verzameld, niet in zijn reguliere bundels op te nemen. Ook valt waar te nemen dat hij na zijn ruim vijftienjarige zwijgzaamheid (ruwweg tussen 1965 en 1980) nogal moeizaam op gang komt, nogal wat zwakke, vaak cynische gedichten schrijft, om pas met het magistrale van de roerloze woelgeest weer zijn oude niveau te bereiken. Die bundel, en de erop volgende, het postuum uitgegeven van de maltentige losbol, bevatten gedichten die tot het mooiste behoren dat Lucebert schreef.

De belangrijkste aanwinst in het verzameld werk is uiteraard de reeks van 26 nieuwe gedichten die de dichter in de laatste fase van zijn ziekte maakte. Net als in alle vorige bundels vinden we ook hier min of meer eenduidige poëticale uitspraken en politieke schimpscheuten naast flauwe woordspelingen en gewilde cryptogrammetjes, compleet met verwijzingen naar Paul Celan, Dante (een lievelingsauteur van Lucebert) en de bijbel. En ook hier weer de kleine juweeltjes naast de bruisende bergbeken. 'hier staat stevig dwarskop naast plaaggeest', beseft de dichter, en: 'klip en klaar fiksen en faksen de koop en de geit wereldwijd'. In het allerlaatste gedicht vergelijkt de doodzieke profeet zich, als ik het goed zie, met de geketende Simson die de pilaren van de tempel van hun plaats duwt.

Tot het eind toe is Lucebert zijn roeping trouw gebleven en heeft hij geprobeerd 'analphabetisch' de wereld te veranderen door de taal te vervormen. 'een dichter dringt door tot de aarde', zegt hij. Maar ook:

met vochtige ogen schaduwt de lichtschuwe schilder

ondergedompeld in de plooien van zijn droom onmetelijk

groot het slapende naakt in de naam der liefde

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden