Column Sheila Sitalsing

Maduro wil geen vergiftigde hulp uit de Verenigde Staten en de Europese Unie

Donderdagavond was de eerste lading hulpgoederen voor Venezuela onderweg vanuit Miami naar Curaçao, zo meldde de nieuwssite Koninkrijksrelaties.nu. Amerikaanse hulp, voedsel, medicijnen en andere goederen die dringend nodig zijn, niet afkomstig van de overheid, maar ingezameld door de Venezolaanse gemeenschap in Florida.

Dit zou je niet-politieke hulp kunnen noemen, maar hulp is zelden apolitiek. Zo is in dit geval een blik bonen uit Rusland met de groeten van Vladimir Poetin een volstrekt ander blik dan een blik bonen dat met de zegen van Donald Trump bij het Venezolaanse volk is bezorgd.

Het ene blik is een van de almaar schaarser wordende symbolen van vriendschap aan Nicolás Maduro, de man die zich met zijn vingernagels vastklampt aan de macht, de uitgedaagde president die weet dat zijn meest glorieuze jaren achter hem liggen. De man ook met de moed der wanhoop steeds wilder rondtwittert hoezeer zijn volk van hem houdt: hij stuurt filmpjes rond van een dichte menigte, zwaaiend met vlaggen de wereld in, opdat de wereld kan zien dat zich ‘duizenden mensen hebben verzameld bij de Colombiaans-Venezolaanse grens om hun steun aan Maduro te betuigen’. En hij deelt blijken van steun uit de hele wereld, afkomstig van een bonte stoet van oude communisten en van Amerika-haters die bozig van ‘imperialisme’ reppen.

Hij weet wel wat het deel van de wereld dat hem vijandig is liever zou zien: dat hij irrelevant wordt verklaard, opzij wordt gezet, dat de revolutie vergeten wordt, dat hij verpietert in een oudemannenhuis zoals dat gaat in oude Latijns-Amerikaanse dictatorromans.

Daarom wil hij die andere blikken niet, vergiftigde hulp uit de Verenigde Staten en de Europese Unie. Paarden van Troje zijn het. Als je ze opent, springen er imperialisten uit, en kapitalisten. Types die denken dat het anders zal zijn onder Juan Guaidó, die al hun ideeën en opvattingen op de nieuwe, zelfbenoemde hoop van het land hebben geprojecteerd. Want de Amerikanen en de Europeanen denken misschien dat ze dan een docieler Venezuela terugkrijgen, een land dat in de pas zal lopen met de wereldorde en dat niet al zijn olie aan China zal verkwanselen. Maar dat moet natuurlijk nog blijken.

Langs de grenzen van dat grote land heeft de ongewenste hulp zich opgehoopt. Wachtend op morgen, zaterdag, wanneer het ultimatum afloopt dat Guaidó in al zijn overmoed heeft gesteld aan Maduro. Zaterdag moet de voedselhulp het land in, en anders. Anders wat precies, dat durft niemand te voorspellen. Vrijwilligers zullen de hulp dan het land in slepen, misschien zal er geweld volgen van het leger dat de opdracht heeft alles tegen te houden, misschien ook niet. Maduro heeft de grenzen dicht verordonneerd, gisteren sloot hij nog per tweet de grens met Brazilië, ‘volgend op het opschorten van de verbindingen met de eilanden Aruba, Curaçao en Bonaire. Acties om de vrede te bewaren!’ Als er zaterdag hulp door naar binnen blijkt te kunnen, is hij verworden tot een tragische figuur naar wiens geblaf niemand meer luistert.

De ongewenste hulp op Curaçao zal netjes worden opgeslagen, heeft de regering nadrukkelijk verklaard. Er zal niets ‘op een geforceerde wijze’ naar Venezuela gaan. Ze kijken wel uit, op Curaçao. Want ook daar hebben ze hun dictatorromans gelezen: de verstotene vertrekt nooit zonder dat er bloed en tranen vloeien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.