Nieuws

Made in China met Oeigoerse dwangarbeid wordt langzaam een serieus bedrijfsrisico

Van zonnepanelen tot T-shirts en tomatensaus: Chinese producten waarvoor Oeigoerse dwangarbeid is ingezet gaan de hele wereld over. Maar vanaf dinsdag geldt in de VS een importverbod, en ook Europa wordt waakzamer. Wat betekent dat voor de Oeigoeren, voor China en voor de consument?

Marije Vlaskamp en Jonathan Witteman
null Beeld Elisa Maenhout
Beeld Elisa Maenhout

Het moet even slikken zijn geweest voor de Duitse automaker Volkswagen, toen het ministerie van Economische Zaken eind mei vier investeringsgaranties afwees voor bedrijven die zakendoen in de Chinese provincie Xinjiang. Volkswagen was volgens het Duitse tijdschrift Der Spiegel een van de bedrijven die voortaan zelf maar moeten opdraaien voor financiële risico’s van nieuwe investeringen in China.

‘Bescherming van mensenrechten weegt voor ons zwaarder’, aldus minister Robert Habeck. Ongekend, want voorheen liet Berlijn de oren hangen naar ondernemers als Volkswagen-topman Herbert Diess. Die verdedigde zijn joint venture met een Chinees staatsbedrijf in Xinjiang als ‘leidend bij de industrialisering’ van Xinjiang, waar etnische minderheden ‘integreren in de moderne economie’.

Vonden kenners van de Chinese architectuur van dwangarbeid in Xinjiang zulke uitspraken tijdens de oprichting van de fabriek in 2013 al problematisch, nu de Verenigde Staten, de Europese Unie en individuele lidstaten Oeigoerse dwangarbeid gaan bestrijden met wetgeving, wordt die fabriek een ongemakkelijk bedrijfsmiddel. Der Spiegel onthulde dat Volkswagen niet eens weet hoeveel Oeigoeren er precies werken, laat staan of ze geplaatst zijn door Chinese overheidsprogramma’s om Oeigoeren tewerk te stellen. Ook hielpen leden van de gewapende politie bij de ‘militaire en patriottische opleiding’ van het lokale personeel. Diess waste zijn handen in onschuld: in 2019 zei hij tegen de Engelse omroep BBC ‘zich niet bewust te zijn’ van het bestaan van interneringskampen in Xinjiang.

Nike

Volkswagen is niet de enige die de afgelopen jaren werd aangesproken op Oeigoerse dwangarbeid: Nike, Apple, Adidas, Google, BWM en tientallen andere multinationals overkwam het ook. Medeplichtigheid aan onvrijwillige tewerkstelling in Xinjiang was echter een bedrijfsrisico dat lang kon worden genegeerd.

Die tijden zijn voorbij met de Amerikaanse wet die import van alle goederen uit Xinjiang verbiedt. Zo’n importverbod wil het Europees Parlement ook, maar dat ligt met het oog op Chinese tegenacties gevoelig bij de Europese Commissie, die er in september over beslist. Duitsland neemt de vlucht naar voren met eigen wetgeving, die volgend jaar ingaat en bedrijven verplicht te voorkomen dat ergens in de toeleveringsketen dwangarbeid zit.

‘De Amerikaanse wet gaat ervan uit dat alle producten uit Xinjiang het resultaat zijn van dwangarbeid, tenzij bedrijven bewijzen dat dit niet zo is. Bij de Duitse wet ligt de bewijslast bij de autoriteiten, niet bij de importeurs’, zegt Björn Alpermann, sinoloog aan de Universiteit Würzburg.

In de praktijk hebben beide wetten een soortgelijk effect op globalisering, verwachten experts. Terwijl het Westen zoekt naar andere leveranciers van zonnepanelen, tomatenpuree en katoen, boren Chinese bedrijven razendsnel nieuwe markten aan voor goederen die de VS en de EU niet meer willen. Nieuwe afzetgebieden worden de 146 landen van het Belt Road Initiatief (BRI), het Chinese mondiale economische masterplan, en ontwikkelingslanden.

Twee werelden

Op termijn splitst de wereldeconomie dan in twee werelden: één waar met dwangarbeid besmette producten uit Xinjiang worden ingeruild voor duurdere en in sommige gevallen schaarse alternatieven, en één waar die goedkope Chinese goederen juist domineren. ‘Dit is een nieuwe stap in de economische ontkoppeling tussen China en het westen. Bedrijven hebben er nog meer belang bij om hun toeleveringsketens minder afhankelijk te maken van China’, zegt Alpermann.

Gemakkelijk wordt dat niet. Nergens ter wereld staat een alternatief industrieland klaar dat qua schaal en efficiëntie in de buurt van China komt. Kledingproductie is gemakkelijk te verplaatsen naar andere landen, maar het kost veel meer tijd om elders zonnepanelen te maken in de hoeveelheden die de Chinese industrie produceert.

Daardoor zijn hogere prijzen en zelfs tekorten niet uitgesloten, al doen landen die voorheen niet aan de bak kwamen omdat hun zonnepanelen duurder zijn dan de Chinese nu hun best het gat te vullen, zegt Laura Murphy. De specialist moderne slavernij van de Amerikaanse Sheffield Hallam Universiteit wijst erop dat India de zonnepanelenindustrie nu versneld uitbreidt. ‘Daar hebben arbeiders iets meer te zeggen dan in China, dat is verbetering. Cambodjaanse en Vietnamese zonnepanelenmakers voeren ook hun capaciteit op, maar daar zitten vaak Chinese ondernemers achter die grondstoffen uit Xinjiang blijven gebruiken.’

Foefjes

Dat fenomeen wordt ook een probleem in de kledingsector. Cijfers van de douane in Xinjiang tonen een explosieve stijging van export naar Vietnam, een aanwijzing dat Chinese textielondernemers uitwijken naar Vietnamese fabrieken om uit Xinjiang afkomstige katoenvezels wit te wassen als ‘Made in Vietnam’. Murphy verwacht een toename van dit soort foefjes en fraude.

Katoen uit Xinjiang werd in de VS in 2021 al verboden, maar Murphy prikt nu nog beloftes door van internationale kledingmerken die zeggen niet met van dwangarbeid verdachte toeleveranciers te werken. ‘Uit gegevens van Aziatische havenautoriteiten blijkt dat scheepsladingen kleding met katoen uit Xinjiang naar die merken wordt verzonden. Die bedrijven doen alsof hun neus bloedt.’

Volgens de Amerikaanse douanecijfers staan er 912 zendingen vast in havens, waarvan importeurs niet kunnen aantonen dat de inhoud vrij van Oeigoerse dwangarbeid is. Dat is winst voor de consument, zegt Murphy: ‘Die wordt door de nieuwe wetgeving niet meer automatisch medeplichtig aan dwangarbeid. Bedrijven willen gewoon niet weten hoe hun spullen gemaakt worden.’

null Beeld Elisa Maenhou
Beeld Elisa Maenhou

Zonnepanelen

Xinjiang is de droom van iedere zonnepanelenfabrikant. In de woestijnprovincie ligt kwarts voor het opscheppen. Door dat te pletten en verhitten onder extreem hoge temperaturen wordt polysilicium gewonnen. Goedkope stroom komt van steenkool. Xinjiang is goed voor 40 procent van de Chinese steenkoolreserves.

Geholpen door voordelige energie drukten Chinese zonnepaneelfabrikanten, die zich vanaf 2008 in Xinjiang vestigden, binnen vijftien jaar de internationale concurrentie uit de wereldmarkt. 71 procent van alle zonnepanelen ter wereld wordt in China gemaakt. In elders vervaardigde panelen zijn de wafeltjes polysilicium voor 97 procent ook afkomstig uit China.

Zonnepanelen maken zonder China kan. Twintig procent van de wereldvoorraad polysilicium wordt immers niet in China gemaakt. Maar de overgrote meerderheid wel: Xinjiang domineert met 45 procent van de wereldproductie, en nog eens 35 procent komt uit andere delen van China. Vrijwel alle Chinese fabrikanten in deze sector hebben een link met Xinjiang, waarmee het risico op blootstelling aan onvrijwillige tewerkstelling doorsijpelt naar de hele productieketen.

Bedrijven kregen al voor 2017, het jaar dat het beleid om Oeigoeren in kampen te interneren werd geïntensiveerd, subsidie om ‘overtollige arbeidskrachten te absorberen’, een eufemisme voor dwangarbeid. Daar kwam staatssteun bij voor transport naar de rest van China om de prijs van in Xinjiang gemaakte zonnepanelen zo laag mogelijk te maken, ook voor de export.

De grootste maker van polysilicium uit Xinjiang, het bedrijf Hoshine, wordt in de Chinese staatsmedia geprezen als ‘sleutelbedrijf voor beroepsopleiding’. Op het industrieterrein waar Hoshine is gevestigd staan volgens Australisch onderzoek ook beveiligde interneringskampen, waar Oeigoeren tot modelburgers worden ‘opgeleid’. Hoshine doet ook enthousiast mee aan overheidsprogramma’s voor ‘arbeidsoverdracht’, een ander eufemisme voor onvrijwillige tewerkstelling.

Hoshine levert aan het Chinese bedrijf Daqo, dat de vier meest verkochte merken ter wereld van wafeltjes voorziet. Via de solarreuzen Longi Solar, Jinko Solar, Trina Solar en JA Solar komen zonnepanelen overal terecht, ook in Nederland, waar zeker 80 procent van de zonnepanelen uit China komt, blijkens cijfers van Holland Solar, een belangenclub voor zonne-energie.

null Beeld Elisa Maenhout
Beeld Elisa Maenhout

Tomaten

‘Als mijn familie niet in interneringskampen zit, zijn ze tomaten aan het plukken’, vertelde een Oeigoerse vluchteling de Canadese nieuwszender CBC vorig jaar. Hij had anderhalf jaar in een kamp gezeten en moest in de tomatenindustrie werken: zaaien, plukken of de oogst indikken tot puree voor westerse voedselfabrikanten.

Volgens de Chinese lezing is dit ‘vrijwillige’ arbeid, zij het dat op werkweigering straffen staan. ‘Wie weigert, krijgt eerst een boete’, aldus de vluchteling. ‘Betaal je die niet, dan kunnen de autoriteiten jouw land, vee en huis confisqueren of je arresteren.’

China is met ruim eenderde van de mondiale productie de absolute grootmacht op tomatengebied, tonen cijfers van de VN-wereldvoedselorganisatie FAO. Het leeuwendeel komt uit Xinjiang. Er is een gerede kans dat de tomatenblokjes in onze bolognesesaus de vrucht zijn van Oeigoerse dwangarbeid, blijkt uit onderzoek van Italiaanse en Canadese onderzoeksjournalisten.

De grootste afnemer van tomatenpuree uit Xinjiang is de Italiaanse tomatenindustrie. In april vorig jaar nam de Italiaanse politie tomaten in beslag van fabrikant Petti, die volgens de rechercheurs ‘niet-Europese producten’ verkocht als ‘100 procent Italiaans’.

Net als andere Italiaanse fabrikanten kocht Petti zijn tomatenpuree deels in bij Cofco Tunhe, een voedselgigant in Xinjiang die ervan wordt beschuldigd onder het mom van ‘armoedebestrijding’ onvrijwillige arbeid door Oeigoeren en andere moslim-minderheden in te zetten. Ook Unilever, Nestlé en Del Monte behoorden tot hun klanten. Sinds vorig jaar vallen tomaten uit Xinjiang onder een Amerikaans importverbod.

null Beeld Elisa Maenhout
Beeld Elisa Maenhout

Katoen

‘De nachtelijke hemel boven Xinjiang was zo mooi dat ik me dankbaar voelde dat onze katoen uit zo’n prachtige plaats kwam.’ Hidetoshi Fujiwara, adviseur van het Japanse kledingmerk Uniqlo, bezocht katoenvelden van zijn Chinese leverancier Luthai. Deze Chinese textielreus prijkt als modelbedrijf in een Uniqlo-brochure over sociaal maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Onvermeld blijft dat Luthai zijn personeel deels opleidt in gesloten faciliteiten voor ‘gecentraliseerde training onder militair management’. Dat is een aanwijzing voor mogelijke dwangarbeid, net als een overheidssubsidie van 18.462 euro in 2017 voor nieuwe bewakers voor de Luthai-vestiging in Xinjiang.

Vandaar dat containers met Uniqlo-kleding niet door de Amerikaanse douane komen, al houdt Uniqlo vol dat er geen dwangarbeid aan te pas komt. Het is echter moeilijk te achterhalen of er in de ingewikkelde productieketen van katoenbol tot shirtje geen katoen zit die door de handen van een onvrijwillig werkende Oeigoer is gegaan.

Rechtstreeks van fabrieken in Xinjiang kopen doen internationale modemerken vrijwel niet; maar de Chinese fabrieken die kleding voor ze maken des te meer. Het aantal textielfabrieken in Xinjiang is explosief gestegen van 680 in 2014 naar zeker 3.500 in 2019.

22 procent van alle katoen ter wereld komt uit China, waarvan 85 procent uit Xinjiang. Tussenhandelaars vermengen oogsten uit verscheidene gebieden. In spinnerijen worden verschillende vezels tot een draad verwerkt. Deze halffabrikaten gaan naar fabrieken in heel China en worden ook geëxporteerd naar Zuidoost-Aziatische fabrieken die voor uiteenlopende internationale merken produceren. Zo waaiert mogelijk met dwangarbeid besmet katoen uit naar kledingrekken overal ter wereld.

De katoenvelden in Xinjiang zijn ooit deels ontgonnen door gevangenen die uit andere Chinese provincies naar Xinjiang werden overgeplaatst om voor een paramilitaire staatsorganisatie, het Xinjiang Productie en Constructie Corps (XPCC), te werken. Tegenwoordig vindt de XPCC, goed voor 33,5 procent van de Chinese katoenproductie, arbeidskrachten dichterbij. De gevangenissen in Xinjiang zitten vol na een arrestatiegolf onder Oeigoeren en andere moslims – in 2017 werden 230 duizend leden van etnische minderheden in Xinjiang opgepakt op verdenking van extremisme, separatisme of terrorisme. Daarnaast komen Oeigoeren vanuit heropvoedingskampen op de fabrieksvloer terecht.

De architectuur van dwangarbeid

De Chinese staat heeft sinds de communistische revolutie van 1949 uiteenlopende groepen aan ‘hervorming door arbeid’ onderworpen. Rechtse intellectuelen, contrarevolutionairen, kruimeldieven, sekswerkers, kritische twitteraars: wie onder staatstoezicht verplicht werkt, blootgesteld aan een semi-militair regime en propaganda, wordt een gehoorzame modelburger.

Althans, dat gelooft de Communistische Partij, die het recht op economische ontwikkeling tot een van de belangrijkste mensenrechten heeft verheven. Overheidsdocumenten typeren Oeigoeren als een lui volk dat ‘leert’ te willen werken – vandaar dat de Chinese staat altijd zegt dat van dwangarbeid geen sprake is. Bijkomend voordeel is dat opstandige minderheden door werk ‘verchinezen’ door de Han-Chinese cultuur op de werkvloer.

In 2019 bevestigden gelekte Chinese overheidsdocumenten het bestaan van VSETC, oftewel Centra voor Beroepsopleiding en Training. Oeigoerse getuigenissen over deze interneringskampen lijken op verhalen over de beruchte laojiao (letterlijk opvoeding door arbeid), waar Chinezen vanaf 1957 zonder proces een tot drie jaar konden worden vastgehouden. Deze buitengerechtelijke detentie is in 2013 afgeschaft, maar maakte in Xinjiang de afgelopen zeven jaar onder de naam VSETC juist een comeback.

Oeigoeren en andere moslims worden voor onbepaalde duur vastgehouden voor politieke indoctrinatie, lessen Chinees, en ‘training’ in fabrieken die soms pal naast interneringskampen staan. Deelnemende bedrijven krijgen 255 euro subsidie per opgeleide geïnterneerde, en ruim 700 euro extra als ze er een in dienst nemen. Als Oeigoerse geïnterneerden al worden betaald komt hun salaris niet boven de 174 euro uit, het minimumloon in Xinjiang.

In maart 2019 zei de Chinese overheid dat alle geïnterneerden waren ‘afgestudeerd’ en bij werkgevers werden geplaatst. Dwang en drang zijn impliciet: mensen die weigeren zijn nog niet ‘getransformeerd’, dan dreigt opnieuw heropvoeding. Ook Oeigoeren die tot gevangenisstraf worden veroordeeld, moeten net als alle andere Chinese veroordeelden ‘productiequota halen’, oftewel werken.

Een andere vorm van tewerkstelling draait om ‘overtollige arbeidskrachten’, zoals werklozen, seizoensarbeiders, keuterboeren of vroeg-gepensioneerden. Die zouden bij gebrek aan bezigheden bevattelijk zijn voor religieus extremisme, dus worden ze in ‘gesloten faciliteiten’ aan ‘gecentraliseerde training’ onderworpen. Deze variant heeft een vaste tijdsduur en is korter dan het verblijf voor onbepaalde tijd in een VSETC. Het doel is hetzelfde: dociele werkers kweken. Volgens overheidsrapporten zijn in 2020 2,6 miljoen leden van etnische minderheden uit Xinjiang ‘afgeholpen’ van hun status als ‘overtollige arbeidskracht’.

Sinds jaar en dag verzamelen plaatselijke autoriteiten in Xinjiang ‘overtollige arbeiders’ voor de katoen- en tomatenoogst, maar tegenwoordig ook voor fabriekswerk. Door de staatsgeleide industrialisatie van Xinjiang krijgen steeds meer dorpen fabrieken. Betrouwbaar geachte Oeigoeren worden overgeheveld naar fabrieken in het Chinese binnenland, waar ze volgens Chinese krantenberichten afgezonderd van hun collega’s leven en permanent onder toezicht staan. Officieel gebeurt dit vrijwillig, maar oud-deelnemers voelen wel degelijk dwang door beloftes van de autoriteiten dat hun deelname leidt tot betere behandeling of vervroegde vrijlating van in kampen opgesloten familieleden.

Tewerkstelling is vaak onderdeel van armoedebestrijding, maar belangrijkere doelen zijn assimilatie en verdunning. Spreiding van Oeigoeren over industriegebieden in heel China rukt Oeigoerse families en gemeenschappen uit elkaar, en de overplaatsingen veranderen de bevolkingssamenstelling in gebieden met hoge aantallen Oeigoeren.

Verantwoording

Voor dit artikel zijn gesprekken gevoerd met zes deskundigen op het gebied van Xinjiang, Chinese productieketens en dwangarbeid in China . Ook zijn een tiental rapporten geraadpleegd van denktanks, journalisten en academici.

Handelscijfers 2021

In 2021 daalde de directe handel tussen Xinjiang en de Verenigde Staten met ruim 60 procent, tot 372 miljoen dollar. Ondanks die daling, waarschijnlijk als gevolg van Amerikaanse sancties, groeide de totale handel met het buitenland in 2021 met 5,8 procent.

Opvallend is de handel met Vietnam, die in een jaar met meer dan honderd procent steeg tot 408 miljoen dollar. Ook de handel tussen Xinjiang en de Europese Unie nam met met 13,6 procent toe tot 1,24 miljard dollar, door goederentransporten via de spoorlijnen van China naar Europa die via Xinjiang lopen.

Bron: Jamestown. (https://jamestown.org/program/unemployment-monitoring-and-early-warning-new-trends-in-xinjiangs-coercive-labor-placement-systems/)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden