Machtige Gouden Eeuw eindigt in deceptie

Het was aangekondigd als een cultureel experiment – de nieuwe inrichting van de Philipsvleugel van het Rijksmuseum. Een vooraankondiging van wat straks, als het hele museum in 2008 zal zijn verbouwd, door alle zalen zou worden doorgevoerd....

Maar, zei directeur Ronald de Leeuw bij de voorbezichtiging gisteren, die gemengde presentatie is er 'nog niet'. Wat klopt. Wellicht was dat ook te hoog gegrepen. Een interne verhuizing geeft op zich al problemen genoeg. Vijftienduizend vierkante meter moest worden teruggebracht tot veertienhonderd vierkante meter. En dan weet je bij voorbaat: daarin past alleen wat het beste, het mooiste en meest aantrekkelijke is voor de ruim vijfhonderdduizend bezoekers die het Rijksmuseumjaarlijks zullen bezoeken.

De rest van de collectie wordt de komende jaren uitbesteed aan tien musea in Nederland, Duitsland en België. Bovendien organiseert het Rijksmuseum vanaf 2005 drie tijdelijke zomerpresentaties in De Nieuwe Kerk in Amsterdam, en enkele tentoonstelligen in de Rotterdamse Kunsthal en in Amerika.

Een enorme uittocht dus, maar de meesterwerken van het Rijksmuseum blijven in het gebouw aan het Museumplein. Uit de naar schatting 1,2 miljoen werken die de collectie rijk is, zijn er ruim vierhonderd opgesteld. Een zilvervloot aan hoogtepunten die in al hun verscheidenheid één ding gemeen hebben: ze dragen de grootsheid uit van het Hollandse 'wonder van de Gouden Eeuw'.

Wat al blijkt bij binnenkomst. Geconfronteerd met de parafernalia van de macht – een oorlogsschip,kanon, harnas en geweren – begrijp je het direct: die Hollandse Gouden Eeuw, met al zijn beroemde schilderijen, was er alleen dankzij het geweld dat werd gebruikt om anderen te overwinnen. De toon is gezet. Waarna in de volgende zalen de verworvenheden van de VOC worden geprezen, de handel, en de weelde waarin men in de zeventiende eeuw leefde.

Een rijkdom die zich als vanzelfsprekend in de schilderkunst op de bovenverdieping laat herkennen. Reden om de oorspronkelijke opstelling als een historische ontwikkeling (zoals in 'oude' Rijksmuseum) los te laten.

Ondersteunend daarvoor zou de inrichting van de Philips-vleugel moeten zijn, die door architect Wim Quist nog in 1996 is verbouwd. Interieurarchitect Eveline Merkx moet er een behoorlijke kluif aan hebben gehad om de 'afstandelijke, maar, eh, bijna perfecte architectuur' van Quist te veraangenamen', zoals ze het werk omschreef, zonder haar voorganger voor het hoofd te stoten.

Dat is haar ten dele gelukt. Want rigide is het zalencircuit gebleven, dankzij de doorgangen in de hoeken van de zalen, die al door Quist waren ontworpen en waaraan Merkx en het Rijksmuseum zich niet hebben gewaagd, mede uit vrees voor mogelijke juridische stappen van Quist.

Dat diagonale patroon van doorzichten maakt het museum behoorlijk onrustig: vanuit de ooghoeken zijn steeds drie of vier zalen tegelijk te zien. Als remedie tegen die visuele verwarring heeft Merkx gekozen voor een huiselijke inrichting. 'Warm, ingetogen en klein van maat.' Wat zich bij Merkx heeft vertaald in grijs tapijt op het parket, ingetogen grijstinten en goud tegen de wand, waar overheen grote sjablonen van zeventiende-eeuwse damastmotieven zijn geschilderd, afgewisseld met hier en daar een zwarte muur.

Het ontwerp houdt de aandacht inderdaad binnenskamers, gericht op wat er aan de muur hangt, maar verplaatst daarmee het probleem.Te grote naambordjes, uitgebreide educatieve teksten tegen de wand, het dessin van damastbloemen en glanzende hekjes voor ieder werk – in alles is de detaillering opvallend en afleidend.

Veel houvast zal de bezoeker niet hebben, hoe duizelingwekkend mooi de schilderijen ook zijn. Wat voor de opstelling wel van belang is geweest, zijn logistieke motieven. Want hoe kun je voorkomen dat alle bezoekers en masse afrennen op de dertien schilderijen van Rembrandt of zich als een kluitje verzamelen voor het werk van die andere coryfeeën uit de zeventiende eeuw, zoals Vermeer, Hals en Ruisdael?

De oplossing is eigenlijk heel eenvoudig: door de schilderijen van Rembrandt, Hals en Vermeer te verspreiden over de zeven zalen van de bovenverdieping. De vier schilderijen van Ruisdael, drie interieurs van Vermeer, de portretten van Hals – ze hangen in plukjes bij elkaar. De hoeveelheid Rembrandts is op drie verschillende locaties te bewonderen. Waarbij het klapstuk voor het laatst wordt bewaard – De Nachtwacht.

Maar wat als uitsmijter zou moeten werken is, zoals de Nachtwacht er nu bij hangt, een regelrechte deceptie. Het 'rijtuiggroene' zaaltje is te klein en heeft eerder iets van een doorgang naar de uitgang, dan dat het aanzet tot bewondering. Het beeld van een machtige vlootschouw, dat het Rijksmuseum vanaf de eerste zaal met zorg heeft opgebouwd, en waarvoor straks duizenden bezoekers in de rij staan, kapseist in de laatste zaal: het meesterwerk van de Hollandse mondiale hegemonie in de zeventiende eeuw helt over aan een schotje, alsof het ieder moment van de muur kan vallen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden