'Machtig, maar ver weg en niet sexy'

euronestors..

BRUSSEL Elmar Brok, Duitse europarlementariër van het eerste uur, herinnert zich levendig die eerste keer dat hij het Europees Parlement betrad. Daar, in de imposante hal, stond Willy Brandt, voormalig bondskanselier. Iets verderop liep Otto von Habsburg, de laatste kroonprins van Oostenrijk-Hongarije, geflankeerd door Philipp von Bismarck (oud-stafofficier van de Wehrmacht) en Michel Poniatowsky, erfgenaam van de laatste Poolse koning.

‘Deze families hadden elkaar decennialang bevochten op het slagveld. En nu zaten ze samen in hetzelfde parlement met één doel: nooit meer oorlog.’

Brok haalt nog een herinnering op uit die begintijd. ‘Ik had een diner met Von Bismarck en een Britse europarlementariër. Tijdens het eten kwamen we erachter dat ze in dezelfde sector hadden gezeten tijdens het Ardennenoffensief. Dat ze waarschijnlijk op elkaar geschoten hadden, elkaar hadden moeten doden. Toen ze dat beseften, vielen ze elkaar huilend in de armen.’

‘Das war einmal’, grinnikt Brok (62) achter een biertje in de ledenbar van het Europees Parlement. ‘Emotioneel was het toen veel rijker, qua macht zijn we nu beter af.’ De christen-democraat behoort, net als zijn landgenoot Klaus Hänsch (70, socialist), de Fransman Francis Wurtz (61, communist) en de Brit Bill Newton Dunn (67, liberaal), tot de steeds kleiner wordende oerlichting europarlementariërs die sinds de eerste Europese verkiezingen in 1979 de Brusselse en Straatsburgse spiegelpaleizen bevolkt. Brok: ‘Het is een wonder dat het parlement überhaupt functioneert.’

In dertig jaar is er veel veranderd, verzekeren de vier euronestors. Wurtz: ‘Destijds waren we pioniers. We kwamen in een parlement dat zich nog moest vormen. Alsof we een groot blanco blad langzaam maar zeker mochten volschrijven.’ Newton Dunn: ‘Ik had geen idee wat ik verwacht werd te doen. Dat had niemand trouwens, alles was nieuw.’

‘Elke avond waren er diners en discussies’, weet Hänsch. ‘Het enige minpunt was de logistiek: we deelden met zes man één kamer en één telefoon.’

In die eerste jaren had het parlement nagenoeg niets te vertellen. ‘De regeringsleiders wilden een stempelmachine. Een schaamlapje om hun achter gesloten deuren genomen beslissingen legitimiteit te geven’, stelt Newton Dunn. Hänsch staan de ‘duizenden vrijblijvende resoluties’ uit die begintijd nog steeds bij. ‘We lazen de ochtendbladen en ’s middags hadden we onze teksten gereed. Te veel papier door te weinig macht.’

Brok: ‘We waren een soort studentenparlement. Zeer begaan met de grote politieke vraagstukken riepen we bij resolutie anderen op in het geweer te komen.’

Anno 2009 beschikt het Europees Parlement over aanzienlijke zeggenschap, zegt Brok. ‘Gevolg is dat we nu volop in de details van wetten zitten. We besteden eindeloos veel tijd aan artikel 12, paragraaf 7-b en hoe daarvan de laatste zin te herformuleren. Het is niet leuk, maar het is wel macht.’

Brok: ‘Meer macht voor het parlement was de enige oplossing. De EU kan niet steeds meer besluiten nemen over steeds meer mensen als het enige democratisch gekozen orgaan geen inspraak heeft.’

De toegenomen invloed van het parlement heeft niet geleid tot meer populariteit, integendeel. Stemde in 1979 nog 62 procent van de burgers bij de Europese verkiezingen, de laatste keer (2004) was dat gedaald naar 45 procent.

De communist Wurtz is het meest uitgesproken over de oorzaak: de EU is vervreemd van haar burgers doordat zij een harde liberale koers vaart. Hij vertelt hoe bij een door hem georganiseerd debat de Europese Commissie voorstelde de rechten van werknemers te moderniseren. ‘De zaal vol vakbondsmensen brandde het plan af. De betrokken Commissie-ambtenaar kon niet bevatten dat niemand enthousiasme had getoond voor zijn ideeën.’

Brok en Hänsch zijn minder ideologisch in hun verklaringen over de tanende populariteit van het Europees Parlement. Zij wijzen op de dalende opkomst bij veel meer verkiezingen. Hänsch: ‘Daarnaast hebben wij een paar specifieke handicaps. Nationaal kun je een regering wegstemmen, dan ziet de kiezer direct het effect van zijn stem. In Europa heeft hij het idee: wat ik ook stem, het maakt niet uit. Het parlement heeft weinig invloed op de keuze van de nieuwe Commissievoorzitter.’

Brok wijt de magere opkomst ook aan het gebrek aan kennis bij de burger. ‘De mensen weten nog steeds niet dat wij echt macht hebben. We zitten ver weg en zijn niet sexy voor de media. Europese verkiezingen gaan over een instituut, niet over mensen.’

Het antwoord schuilt volgens beide Duitsers beslist niet in het verder optuigen van het europarlement. Brok waarschuwt: ‘Als het parlement nog meer macht krijgt, wonen we straks in een Europese federatie.’ Hänsch spiegelt het schrikbeeld voor van een echte Europese regering met een echt Europees parlement. ‘Dat betekent dat een deel van de lidstaten jarenlang in de oppositie zit, lees: niet meebeslist. Ik denk niet dat de Nederlandse of Duitse burger daarop zit te wachten.’

Brok en Hänsch dringen aan op consolidatie van de macht van het Europees Parlement.Brok: ‘We moeten ons niet bemoeien met het zoutgehalte in brood. Het parlement moet minder wetten goedkeuren, maar wel betere.’ Hänsch: ‘De burger is bang voor het machtige Brussel. Die angst neem je niet weg door nog meer bevoegdheden naar Europa over te hevelen.’

Spijtig voor Turkije, maar de christen- en de sociaaldemocraat vinden niet dat dit land lid van de EU moet worden. Hänsch: ‘Turkije is te groot en verschillend. Als we ja tegen Turkije zeggen, hebben we geen enkel argument om Oekraïne buiten te houden. Dit is grootheidswaanzin, daar gaat de EU nog eens aan kapot.’ Brok: ‘Praten met Ankara mag, maar ik betwijfel of het ooit tot een lidmaatschap leidt. Kijk naar de manier waarop Turkije de keuze van de nieuwe NAVO-baas traineerde. De kloof tussen Ankara en Brussel is groot.’

Brok is opnieuw kandidaat, net als Newton Dunn. De andere twee houden het na dertig jaar voor gezien. Zou uitdunning van het aantal europarlementariërs – 736 na de verkiezingen – de effectiviteit ten goede komen? ‘Zeker’, antwoordt Newton Dunn. ‘Met 450 kan het werk ook gedaan worden.’ Brok stelt dat 300 leden volstaan. ‘Technisch kunnen die het werk moeiteloos aan. Alleen ligt dat politiek gevoelig: minder leden betekent meer burgers per lid, waardoor de afstand tot de burger nog groter wordt.’

Hänsch en Wurtz verbazen zich over hun collega’s. Hänsch: ‘Halvering van het aantal europarlementariërs betekent dat kleine landen er maar een of twee overhouden. Moeten die zich dan opsplitsen over alle partijen? Het vierendelen van mensen is sinds de Middeleeuwen verboden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden