Macabere visie op zelfdoding

VOORUITLOPEND op de uitspraak die het medisch tuchtcollege over enige weken zal doen over de klacht tegen de Haarlemse psychiater B....

Allen schreven eerder over dit onderwerp, nu zingen ze met elkaar een meerstemmig 'nee' - helaas met valse noten. De ontsporing begint al bij de aanleiding. Sinds de Hoge Raad in juni 1994 in het Chabot-arrest uitsprak dat hulp bij zelfdoding van mensen die niet lichamelijk lijden, onder bepaalde omstandigheden mag, zou volgens de schrijvers een nieuwe situatie zijn ontstaan.

Bij euthanasie - de flaptekst spreekt zelfs van 'gewettigde euthanasie' - ging het volgens hen tot nu toe uitsluitend om 'terminale gevallen, mensen die ondraaglijk leden terwijl zij op sterven na dood waren'. Deze stelling spoort noch met de medische praktijk, noch met de jurisprudentie. De eerste uitspraak van de Hoge Raad over euthanasie, in 1984, betrof ontslag van rechtsvervolging van een huisarts die in 1982 het leven had beëindigd van een 92-jarige niet-zieke vrouw die er zeker van was dat ze niet verder wilde leven. In de omschrijving van een noodsituatie noemt de raad de stervensfase niet.

Op grond van deze uitspraak is bij herhaling afgezien van strafvervolging van artsen die hulp bij sterven hadden geboden aan mensen die ondraaglijk en uitzichtloos leden, maar niet in een eindfase van hun leven waren. De eis dat iemand in een terminale fase moet verkeren, is dus niet vervallen; die is er nooit geweest. Behalve in de opvatting van de vorige minister van Justitie, Hirsch Ballin, maar het gaat te ver zijn particuliere dwaling te projecteren op tien jaar euthanasiegeschiedenis.

Deze misser is nog maar het begin: er volgt een bonte stoet van ongefundeerde en, mede hierdoor, gevaarlijke beweringen. Achterhuis stelt dat de dood maakbaar is geworden, een ultiem kenmerk van de utopie waarin alles beheersbaar is en ruimte voor individuen ontbreekt. Artsen hebben volgens hem onevenredig veel macht .

In Koerselman en Otten vindt hij medestanders. Het verlangen 'goed' te doen, te 'helpen' voedt volgens Koerselman de grootheidsfantasieën die mede ten grondslag liggen aan de keuze dokter te worden. Otten schrijft dat Chabot aan het eind van zijn omgang met zijn patiënte de grootste macht heeft gesmaakt die een mens over een ander kan hebben. 'Ze had het finale gebaar nodig - zijn hand die haar het laatste drankje gaf. '

Door dit gebaar te maken heeft de psychiater zich volgens Otten 'definitief tot willoos instrument gereduceerd, en in principe de sluizen van andermans willekeur geopend'. Hij schept een macaber, maar op niets gebaseerd scenario: 'Doordat de Hoge Raad bepaald heeft dat een daad als die van Chabot aanvaardbaar kan zijn, is het nog weer vanzelfsprekender geworden voor mensen om voor anderen te gaan bepalen of ze mogen leven of niet.'

Otten moet kromme wegen gaan om wat hij zelf zijn 'ontzag voor het taboe' noemt, een schijn van aannemelijkheid te geven. Voortdurend verwart hij - en met hem Goud, Koerselman en Achterhuis, ook al beweert de laatste het tegendeel - euthanasie en hulp bij zelfdoding. Bij euthanasie dient de arts iemand een dodelijk middel toe. Bij Chabot's patiënte ging het om hulp bij zelfdoding. Dat is: een situatie waarin iemand vraagt om bij de door hem of haar zèlf genomen beslissing om zèlf het leven te beëindigen, een zekere vorm van hulp te krijgen.

Schalken is de enige die een cruciale vraag durft te stellen: kan het niet zo zijn dat het beëindigen van het leven, gelet op de staat waarin iemand verkeert, niet indruist tegen de eerbied voor het leven, maar juist getuigt van respect daarvoor? Met deze vraag komt hij in de buurt van de centrale positie van degene die hulp vraagt.

Geen van de andere scribenten neemt de mensen om wie het gaat, serieus. 'Zelfdoders' (de term is van Goud) zijn 'op z'n best een beetje autonoom' (Goud), ten prooi aan 'het irrationele en destructieve dat in de kinderziel van de volwassene huist' (Koerselman), of worden gedreven door imitatiegedrag (Achterhuis).

Met deze kwalificaties, gevoegd bij de reeds vaak weerlegde absurde vergelijking 'hulp bij zelfdoding = euthanasie = nazi-praktijken' (Goud) en onzinnige insinuaties als zou hulp bij zelfdoding vooral een oplossing zijn voor het ontbreken van - vriendelijke - zorg (Achterhuis), maken de schrijvers - Schalken uitgezonderd - zich als gesprekspartners onmogelijk. Ze exploiteren angst voor een normloze maatschappij waarin zieken of ongelukkigen gedood worden - angst waarvoor geen enkele deugdelijke grond is.

Hun pamflet is niet alleen een gemiste kans in een moeilijke discussie. Het is ook gevaarlijk door de verwarde analyse van de vragen rond hulp bij sterven en de stemmingmakerij.

Hans van Dam

Hans Achterhuis, Johan Goud, Frank Koerselman, Willem Jan Otten, Tom Schalken: Als de dood voor het leven - Over professionele hulp bij zelfmoord.

Van Oorschot; ¿ 24,90.

ISBN 90 282 0882 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden