Maandagavond

Op zich kan ik mijn telefoon best opnemen. Maar dat doe ik niet. Want ik kijk televisie. En om de dvr op pauze te zetten heb ik de afstandsbediening nodig en die ligt in de keuken, en opstaan is ook weer zoiets....

Eén keer belde mijn moeder na een optreden. Ik had net ergens voorgelezen en liep alleen naar de trein. ‘Hé’, deed mijn moeder aan de andere kant van de lijn, ‘je denkt natuurlijk dat ik bel vanwege je optreden. Maar dat is niet zo. Er is een brief voor je. Van de bibliotheek of iets.’ De telefoontjes van mijn moeder verlopen volgens vast stramien: zij zegt iets, ik antwoord: ‘Ja’, ‘o’, en soms ‘is er nog iets?’, en daarna hangen we allebei op want er is nooit nog iets. Daarom heb ik even geen zin om op te nemen.

Televisie uit, radio aan, ik ga zo slapen. ‘Alfred, je bent live in de uitzending!’, zegt 3FM-dj Robbert-Jan. ‘Weet je’, zegt beller Alfred, ‘ik sta op het punt er een eind aan te maken.’

‘Oh...’, zegt Robbert-Jan. Ik ren naar de radio en duw de volumeknop omhoog. ‘Hoezó?’

Alfred: ‘Niemand is nodig. We worden vergeten.’

‘Denk je dat?’

‘Dat weet ik zeker.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Als jij morgen een auto-ongeluk krijgt, mist niemand je.’

‘Mijn vriendin wel. Dat is toch genoeg?’

‘Nee. Als je geen Pim Fortuyn heet, herinnert niemand zich je. In deze wereld is leven onmogelijk. Mensen luisteren niet naar elkaar.’

‘Ik luister toch.’

‘Nou. Tegenover mijn huis is een meer. Ik heb gehoord dat je in het koude water niets voelt. Ik heb briefjes gemaakt over wat er met m’n kinderen moet gebeuren.’

‘Jezusmina.’ Robbert-Jan praat nog steeds in radiotaal, met zinnen als ‘effe rouw op me dak’ en ‘Jezus zeg’. Maar opeens beginnen zijn zinnen te haperen zoals ik dat nog nooit op de radio gehoord heb.

‘Heb heb je zelf wel eens iemand verloren?’

‘Me moeder.’

‘Hoe oud was je toen?’

‘44.’

‘Hoe voelde dat?’

‘Opgelucht.’

‘Shit. Nou, ik verloor mijn moeder toen ik 8 was.’

‘Da’s minder.’

‘Hoe oud zijn jouw kinderen?’

‘9 en 11. Maar niemand is nodig!’

‘Jouw kinderen hebben je twenty four seven nodig. Ik wou ik wou dat ik mijn moeder twenty four seven had.’

‘Jij had misschien een lieve moeder.’

Alfred hangt op, Robbert-Jan kondigt Queen aan: The show must go on. Freddy vraagt of ik weet waar we voor leven, maar ik denk aan Alfred. Even. Want ach, nadat Alfred morgen is bijgekomen van zijn kater wijdt hij zich vast weer gewoon aan zijn weblog over gemtrails of zijn collectie kooimankarpers. Maar die dj, Robbert-Jan. Die opeens begon te haperen. Aan hem blijf ik denken, ook al is het inmiddels 1 uur ’s nachts.

Ik pak mijn telefoon.

‘Waarom bel je zo laat nog?’, vraagt mijn moeder.

‘Ik bel je terug.’

‘O. Er is een brief van je creditcardmaatschappij. Je hebt 3 euro schuld en daarover moet je straks vast rente betalen.’

‘Was dat alles?’

‘Ja. Of nee. Ik wil dat je instanties eindelijk je eigen adres doorgeeft.’

‘Oké. En verder niets?’

‘Nee toch?’

‘Nee.’

We hangen op. Weer was er niet nog iets. Weer vroeg mijn moeder niet de dingen waarvan ik hoopte dat ze ze misschien wilde weten. Maar opeens geeft het niet. Omdat ik weet: wij hebben nog jaren samen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden