Maak museum beter

Musea spreken een te beperkt publiek aan, stelt het rapport Museum Minutes. De instellingen moeten zich bezinnen op hun tentoonstellingsbeleid. De marketing van kunst kan veel beter. Drie museummanagers reageren op de kritiek.

Begin dit jaar organiseerde cultuuradviseur Johan Idema samen met het Gemeentemuseum Den Haag en de Kunsthal een tentoonstelling waarbij nieuwe museumpresentaties werden onderzocht. Op basis van de ervaringen met bezoekers concludeert Museum Minutes dat de huidige presentatie van kunst (de zogenoemde 'witte doos') een te beperkt en eenzijdig publiek aanspreekt. De bezoekers spenderen bovendien te weinig tijd voor een kunstwerk: gemiddeld 9 seconden. Idema roept musea op te erkennen dat er meerdere doelgroepen zijn en die elk op een andere manier aan te spreken. Ook moeten tentoonstellingmakers beter samenwerken met educatie en marketing, en hun opstellingen vooraf testen bij het publiek.


Edwin Jacobs, directeur Centraal Museum Utrecht:

'Als je het mij persoonlijk vraagt: ik vind dit soort aanbevelingen altijd vrijblijvend. Ik ben een socialist: wil je iets laten werken, dan moet je het verplicht stellen. Meer verschillende doelgroepen in de musea begint met het instellen van een cultuurplicht, tenminste tot de leeftijd van 18 jaar. Dát zou onderwerp van discussie moeten zijn. Daarnaast is het van wezenlijk belang dat musea er naar streven dat de cultureel minder onderlegden minstens 10 procent van de bezoekersaantallen uitmaken.


'Dat gezegd hebbend: het is waar dat veel musea de inhoud op het eerste, en het publiek op het tweede plan stellen. Het Centraal Museum is sinds 2009 bezig om vraaggericht te presenteren. We werken sinds twee jaar met GLO's, generic learning outcome, een instrument dat door de British Museum Council is ontwikkeld om te meten welk effect museale inspanningen hebben op het publiek. Een van de conclusies die we daaruit hebben getrokken is: met tentoonstellingen die cultuurhistorisch worden aangepakt, waarbij je een verhaal vertelt dat context geeft, trek je een jonger publiek.


'De GLO hebben we ook toegepast op het concept van De Werkplaats: een tijdelijk atelier bij de tentoonstelling, waar bezoekers hun eigen creativiteit kunnen ontdekken.


'De afgelopen jaren hebben we De Werkplaats drie keer ingezet, met groot succes. Niet alleen blijft het publiek eens zo in het museum; omdat we in die werkplaats inzoomen op het proces van de maker, beleven ze de geboden kunst ook intenser.'


Hendrik Driessen, directeur Museum de Pont Tilburg:

'Het hoort bij je vak om nieuwe manieren van presenteren te bedenken. Maar om nou te zeggen dat 'de witte doos' niet deugt... Dat vind ik raar. De bezoekersaantallen van white cubes als MoMA en Tate Modern spreken dat tegen. Die miljoenen mensen komen echt niet met tegenzin.


'Dat we minder aansluiting vinden met een deel van de bevolking heeft meer te maken met het feit dat culturele vorming amper nog onderdeel uitmaakt van het onderwijs. Natuurlijk heb je als museumdirecteur zendingsdrang: zo veel mogelijk mensen met kunst in aanraking brengen. Maar net zomin als je van een bibliotheek mag verwachten dat ze hun leden eerst leren lezen, kun je van musea verlangen dat ze hun bezoekers direct vertrouwd weten te maken met visuele cultuur. Je kunt niet altijd bij nul beginnen.


'Wat die 9 seconden uit het onderzoek betreft: wie bepaalt dat dat te kort is? Soms is een seconde genoeg om verliefd te worden. Dat is de kracht van beeldende kunst: het kan in een oogwenk bij je binnen komen.


Ik geloof in de autonome kijker die zelf bepaalt hoe lang hij voor een schilderij staat. Maar ik ben realist genoeg om te weten dat de meeste mensen kunst oppervlakkig passeren. Prima dat je probeert het kijken te intensiveren, maar als de kunst interessant is, gebeurt dat vanzelf.


'We hebben het afgelopen jaar met drie tentoonstellingen ruim 120 duizend bezoekers getrokken - met hedendaagse kunst in een white cube, ver buiten de Randstad. Dat zegt genoeg.'


Loes Janssen, manager publieksbemiddeling Van Abbemuseum Eindhoven:

'In 2011 organiseerden we Play Van Abbe - deel 4, een tentoonstelling met als belangrijkste vraag: hoe komen we erachter wat het publiek wil? We hadden drie typen bezoekers bedacht: de pelgrim, de toerist en de flaneur. De pelgrim heeft behoefte aan kunsthistorische informatie. De toerist aan anekdotes. De flaneur laat zich niet leiden door informatie, maar is op zoek naar inspiratie.


'Bij binnenkomst konden bezoekers hun type kiezen en wat bleek: waar ze in eerste instantie kozen voor de meest herkenbare rol van pelgrim, kwamen de meeste bezoekers gaandeweg uit bij de rol van flaneur.


Play Van Abbe heeft ons veel geleerd. We hebben de hoeveelheid zaalteksten drastisch teruggebracht om ruimte te geven aan eigen interpretatie. Wij spreken ook niet meer over kijken naar kunst, maar over ontmoetingen met kunst. Voor de huidige tentoonstelling Lissitzky-Kabakov nodigden we bijvoorbeeld oud-sovjetburgers uit om hun ervaringen te delen met het publiek.


'Ik lees niet veel nieuws in deze publicatie, maar het is toch een goede stok achter de deur. Bij grote tentoonstellingen passen we bijna alle aanbevelingen toe, maar de kleine maken we nog op de oude manier: de curator bedenkt inhoud en vorm en als hij klaar is nodigt hij de afdeling educatie en communicatie uit: wat kunnen jullie hiermee, qua publiek.


'Dat is geen onwil, meer een kwestie van te weinig mankracht en geld om die extra's te realiseren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden