Luchtbrug naar het verleden

Het rommelhok van het Rijksmuseum; zo kon de verzameling gebouwen aan de zuidkant het best worden betiteld. Een chaotisch stelsel van zaaltjes, trappen en doorgangen, waar het naar armoede en verwaarlozing kon ruiken....

Het was een hokkerig complex, waarin een geur van verwaarlozing hing alsof elk moment het behang van de muren los zou komen. Er kwam wel eens iemand kijken naar de collectie negentiende-eeuwse schilderijen of de afdeling Aziatische kunst die er huisden; voor anderen was de verscholen ingang aan de Hobbemastraat een sluiproute als het bij de hoofdentree te druk was. Niet dat het veel uitmaakte, je verdwaalde subiet in het chaotische stelsel van zalen, zaaltjes, trappen en doorgangen, waardoor de tijdwinst alsnog verloren ging.

Het gebouw bestond uit een warrig stelsel van verschillende aanbouwen met een overkapping ertussen. Er was eind jaren zestig al eens om sloop geroepen. Twintig jaar later werd aangedrongen op ontmanteling van de collectie negentiende-eeuwse schilderkunst ter wille van een nieuw, op het voorbeeld van het Parijse Musée d'Orsay geënt, nationaal museum voor de negentiende eeuw. Even dreigde ook die andere pijler, de afdeling Aziatische kunst, naar Leiden ter verhuizen.

Het complex had geen naam en geen gezicht, zelfs geen entree. Er was talloze malen aan verbouwd en vertimmerd, maar een klimatologische installatie ontbrak en er waren nauwelijks voorzieningen voor bezoekers. Het rook er naar een andere negentiende eeuw dan het wilde laten zien, naar armoede.

De omslag kwam, zoals zo vaak, toen een heldere geest het vergeten gebouw een paar jaar geleden een naam gaf en tot 'Zuidvleugel' doopte. Pas daarmee kreeg het een eigen identiteit. Het was, opeens, een volwaardig en onverbrekelijk deel van een rijksmonument. In een groots gebaar werden nog eens meer dan driehonderd schilderijen uit de negentiende eeuw getoond - net als toen rijen dik boven elkaar - om te laten zien dat die verzameling 'de moeite waard was en in het Rijksmuseum moest blijven, dichtbij de Gouden Eeuw waarin zoveel negentiende-eeuwse schilders hun bron hadden gevonden'.

Het pleit was gewonnen. Drie jaar geleden begon de verbouwing. Vandaag wordt de Zuidvleugel door de koningin als 'een nieuw, middelgroot museum' heropend, vanaf maandag is het publiek welkom. Het oude, dichtgeslibde stelsel van zalen, zaaltjes en doorgangen is doorbroken. Tussenwanden zijn gesloopt en ondoorzichtige doorgangen verplaatst. Het heeft een ruime entree en een licht, doorzichtig lift- en trappenhuis gekregen, en twee etages hoog een enorme glaswand, die een doorkijk biedt op het oude Rijksmuseum, het historische totaalkunstwerk van Pierre Cuypers. Vroeger dichtgetimmerde ramen zijn vrijgemaakt, het daglicht stroomt weer binnen.

De verbouwing van huisarchitect Wim Quist, die daarmee afscheid van het museum neemt, heeft vooral betrekking gehad op het interieur. De Zuidvleugel heeft van buiten nog alle kenmerken van een reeks toevallige uitbreidingen. Het begon, direct na de opening van het Rijksmuseum in 1887, met het Fragmentengebouw. Dit architectonisch hoogst merkwaardige hoogstandje werd opgetrokken uit bouwresten uit de oude binnensteden van Nederland, waar aan het eind van de eeuw stadspoorten en wallen voor stadsuitbreidingen werden gesloopt en statige patriciërshuizen sneuvelden ter wille van een nieuw weg- en treinverkeer.

Geen mens zal ze als zodanig meer herkennen, maar in het gebouw werden monumenten als de Waterpoort van Gorkum, de Admiraliteitspoort uit Rotterdam, de bogen uit het trappenhuis van Constantijn Huygens' woning aan het Plein in Den Haag en de muur van het Prinsenhof in Breda aaneen gemetseld. Het nieuwe restantengebouw werd met het oude museum verbonden door een gang, die langs een buitenmuur was gelegd en vandaar betreden werd door een uitgebroken raam - het begin tekende al de latere verwording tot stiefkind. De bovenzalen werden ingericht voor de negentiende-eeuwse schilderkunst, beneden was er ruimte voor de collectie kostuums en textiel.

Bij de opening van het Rijksmuseum kreeg ook de moderne kunst er een plaats. 's Rijks Verzameling van Kunstwerken van Moderne Meesters, voorheen in Haarlem gevestigd, verhuisde naar Amsterdam en de activiteiten van de Vereeniging tot het Vormen van eene openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst werd erin ondergebracht. Tot de vereniging later, met zijn verzameling, verhuisde naar het net geopende Stedelijk Museum. Ondanks die concurrentie bleef de verzameling van toenmalige hedendaagse kunst groeien, uitmondend in een grote schenking van het echtpaar Drucker-Fraser, waaronder topstukken van Mauve, Maris, Israëls en Breitner. De schenking vormt nog steeds de kern van de collectie negentiende-eeuwse schilderkunst.

Het echtpaar schonk zijn verzameling op voorwaarde dat deze in een eigen gebouw met een aparte ingang zou worden ondergebracht. In twee fasen kwam de Druckersuitbouw tot stand. De ruimte tussen de nieuwe afdelingen en het Fragmentengebouw werd overkapt en bestempeld tot Rijtuigenzaal, jarenlang decor voor koetsen en arresleden. De verzameling Aziatische kunst, gegrondvest door de Vereniging van Vrienden der Aziatische Kunst, werd in de jaren vijftig ook in dit hokkerige stelsel opgenomen.

Aan de constructie van drie aparte gebouwen is aan de buitenkant niet echt getornd. Maar van binnen is veel veranderd. De oude rijtuigzaal is afgebroken, voorzien van een depotkelder, opnieuw overkapt en vormt nu het hart van het herboren complex. In het midden is een open ovale lift gebouwd, waar een ranke trap als een wingerd omheen slingert. Een loopbrug verbindt de zalen op de eerste verdieping met elkaar. Aan het eind rijst de hoge glazen wand op, die over een rustiek binnenhof met een vijver, nu even verdwenen onder de bloesem van bloeiende kersenbomen, uitzicht biedt op het oude gebouw van Cuypers.

Wie het museum betreedt, loopt niet meer tegen een kleine balie en een paar kapstokken op. De ingang is verplaatst naar de vroegere Rotterdamse Admiraliteitspoort. Er is een glazen uitbouw voorgezet, die de poort als een vitrine omsluit. De entree is een ruime hal die allereerst toegang biedt tot de grote zaal, waar ieder cultuurgebied zijn eigen tint heeft - Indonesië kleurt zich indigoblauw, China donkerrood, India violet en Japan goudgeel. Midden voor Quist's hoge glaswand prijkt de Dansende Shiva, topstuk van de Azië-collectie.

De bovenverdiepingen - door de luchtbrug en het trappenhuis tot een rondgang verbonden- zijn, op een zaal na voor de collectie Kostuums & Textiel, gewijd aan de schilderkunst. In het linkerdeel heerst de achttiende eeuw, net als toen in rijen boven elkaar gehangen. Het rechterdeel is opgedragen aan de negentiende eeuw in een reeks zalen die door ingenieuze openingen in de hoeken met elkaar verbonden zijn. Er ontstaat zo een doorkijk die een stelsel van zalen verraadt, maar elke zaal houdt zijn eigen intimiteit.

Eindelijk kunnen die collecties tot hun recht komen, in een helder en doorzichtig gebouw, vooral de vroeger altijd benauwd geëxposeerde schilderkunst. Die altijd miskende achttiende eeuw, elders gepresenteerd in de expositie De lelijke tijd, heeft eindelijk de ruimte gekregen. De negentiende eeuw overbrugt in de nieuwe opstelling twee gedachten, een teruggrijpen op de glorie van een verloren Gouden Eeuw en de roep van een nieuw tijdperk, verbeeld in een jonge Mondriaan en Van Gogh - waarmee de collectie een brug slaat naar de verzameling van het Van Gogh Museum en het Stedelijk even verderop.

In een verstopt hoekje gaat de eigen tijd verborgen. Op het einde van de doorgang naar de hoofdgebouw, in de hemel van een plafondschildering, hebben de restaurateurs, heel klein, een Fokkervliegtuig verwerkt - ook dat is tenslotte geschiedenis geworden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden