'Lucht van gepofte erwten, stank van rottende garnalen'

'Want ik haatte mijn stad om alle vernederingen, pesterijen en verschrikkingen die er in mijn jeugd hebben plaatsgevonden.' Aldus R.J....

EERST EEN waarschuwing: deze literaire wandeling vraagt nogal wat verbeeldingskracht en zelfs fantasie. Want Geert van Oorschot schreef onder zijn nom de plume R.J. Peskens al eind jaren zeventig: 'Het oude centrum was bijna geheel verdwenen en had plaatsgemaakt voor een winkelcentrum met parkeerplaats.'

En nóg erger: 'Mijn geboortehuis was verdwenen en ook de drie huizen, waarin wij gewoond hadden, waren aan de oorlog of de stadsvernieuwing ten prooi gevallen.'

Op een kaart die in het gemeentearchief hangt, is in een donkere kleur aangegeven welke stadsdelen van Vlissingen tussen 1940 en 1944 het zwaarst werden gebombardeerd. Weinig bleef over van de wijk tussen Boulevard De Ruyter en de Spuistraat. Dáár speelden zich grotendeels Van Oorschots jeugdjaren af.

Ook donker gearceerd is het gebied rond de Gravestraat aan de Oosterhaven. Op de rand van die arcering werd Van Oorschot geboren, op 15 augustus 1909, in de Paardenstraat.

R.J. Peskens noemde de uitgever later zijn alter ego, de schrijver. De R van Richard Minne, de J van Jan van Nijlen, zijn twee lievelingsdichters. En Peskens naar een Vlissingse anarchist.

'Ik besluit om naar mijn geboortehuis te gaan kijken. Mijn ouders hebben altijd verteld dat ik geboren ben in het pand Paardenstraat nummer vier. Op een hete augustusnamiddag. Op een zolderkamer achter. De Paardenstraat is een nauwe, kromme straat, waar geen paard in kan omdraaien.'

Tal van jaren later is de augustusnamiddag opnieuw heet, maar is de Paardenstraat nauw noch krom. Integendeel, ze is tamelijk rechtlijnig en van een gemiddelde breedte. Aan de oneven kant liggen veelal oudere woningen; de nieuwbouw heeft zich veel van de even huisnummers toegeëigend.

Een anonieme straat zoals er duizenden in Nederland zijn. Afwijkend is het militair magazijn uit 1649, dat een hoek met de Wijnbergse Kade vormt. Eind vorige eeuw borg het Nederlands Loodswezen in de kelders van het arsenaal zijn baaktonnen op; negen jaar terug werd het opgedeeld in appartementen.

'Ik sta voor mijn geboortehuis. Ik denk dat mijn moeder haar plezier wel op gekund zal hebben op die namiddag in augustus. Ze had een betere plek voor die gebeurtenis kunnen opzoeken. De breedte van het pand beslaat een smalle voordeur en één venster. Niet meer dan drie manspassen.'

Ik sta voor wat ik vermoed dat nummer 4 moet zijn geweest, en ik kijk tegen de bouwstijl van de jaren tachtig aan. Een stukje van de straat heet hier ineens Landingstraat. Toch laten plattegronden uit 1937 wel degelijk de Paardenstraat doorlopen tot de Oranjedijk. Achter die dijk roert zich de Westerschelde. Tegen de blauwe lucht steekt de drie eeuwen oude Oranjemolen af, als uit zwart papier geknipt.

'Ik loop door het Groenewoud. De straat heeft niets van een woud en iets groens heb ik er nooit gezien. Ik heb er eerst gewoond op nummer negentien, later op nummer drieëntwintig. (. . .) Beide huizen zijn verdwenen. De straat lijkt een langgerekt gebit waar de tanden en kiezen uitgeslagen zijn.'

Om Peskens' vergelijking door te trekken: het gebit is gesaneerd. En het is een gebit om jaloers op te zijn. Het geeft het Groenewoud van vandaag iets chics. Terwijl op een steenworp afstand de dagjesmensen in luidruchtige drommen naar het maritiem pretpark Arsenaal trekken, ademt Groenewoud - de lengte van de straat ten spijt - de rust van een hofje uit, waar bankjes noden tot het lezen van een goed boek. Mijn tante Coleta bijvoorbeeld, van R.J. Peskens.

Wat een merkwaardig toeval: Peskens' woonhuizen 19 en 23 zijn niet alleen afgebroken, maar ook zijn die nummers geschrapt. De straat begint met een set gloednieuwe appartementen, houdt na nummer 17 even de adem in en ademt weer uit bij nummer 33. Er valt geen gat, er is geen bouwput, er zijn gewoon zeven cijfers weg.

Het lijkt bijna een weinig subtiele wraakneming op de man die, evenmin subtiel, schreef: 'Sinds de dood van mijn moeder en vader ben ik niet meer in mijn geboortestad geweest. Ik had mij voorgenomen er nooit meer een voet te zetten. Want ik haatte mijn stad om alle vernederingen, pesterijen en verschrikkingen die er in mijn jeugd hebben plaatsgevonden.'

(Verderop draagt nummer 55 nog een oud nummerbordje 23, maar dit vier verdiepingen hoge pand met trapgevel past absoluut niet in Peskens' jeugd.)

'Het Bellamypark is een ruim plein met wijde gazons in het midden. Het Roosje van Jacobus Bellamy. En het standbeeld van Betje Wolff en Aagje Deken.'

Het standbeeld is veeleer een fontein uit 1884, met medaillons van de schrijfsters. Wolff, de Vlissingse, kijkt naar het water, Deken, de Amstelveense, naar de stad.

Zou nog wel eens iemand de gedichten van Jacobus Bellamy lezen? Roosje bijvoorbeeld?

Zijn park met het afgetrapte gras dient vooral uitgelaten honden en vermoeide toeristen, die vanaf de bankjes uitzicht hebben op Reptielenzoo Iguana of op de terrassen aan de oostzijde. Ook staat er een bronzen man die aandachtig het Stedelijk Museum gadeslaat.

Het park vormt ook het bruggehoofd tussen Groenewoud en Hellebardierstraat, de straat die rechtstreeks naar het hart van Peskens' jeugd voert.

'Als een politieagent plotseling uit een steeg het Bellamypark op komt wandelen, loop ik in tegenovergestelde richting en verdwijn in de Hellebardierstraat. Ik loop langs het oude gasthuis, een oud in elkaar gezakt gebouw. Daar is de vader van mijn vader in de derde oorlogswinter gestorven.'

Het gemeentearchief gaat achter de ene, met engelenkopjes omlijste ingang schuil. Om de hoek, aan de Breewaterstraat, ligt nog een toegang (naar appartementen), met leeuwenkoppen. Ook staat er een gedenksteen uit 1858 die verhaalt van bouwmeester W. de Kruyff en aannemer J.B. Laernous. Het vroegere Groot Heerenlogement, later gasthuis, weer later bejaardentehuis, was toen al 197 jaar oud.

Vanaf hier laat ik me met gesloten ogen door Twee vorstinnen en een vorst aan de hand nemen langs 'uit de scharnieren hangende voordeuren, uit de gevels gevallen brokken steen, ontbrekende voordeurdrempels, lekkende dakgoten'. Onder mijn voeten voel ik 'kapotte trottoirtegels, hondedrollen op de stoepen.' Ik ruik 'lucht van gebakken vis en gepofte erwten, stank van rottende garnalen'.

LLEEN NOG op oude stadskaarten en in de herinnering van bejaarde Vlissingers bestaat die volkswijk. De werkelijkheid is heel anders. Die bezit een na-oorlogse, kleurloze degelijkheid van huisje-boompje-beestje. De werkelijkheid ruikt naar niets en houdt zich ook niet meer aan de warrige stratenstructuur van weleer.

'De straat waarin wij woonden heette de Slijkstraat. Je begrijpt dat het voor een kind niet plezierig is in de Slijkstraat te wonen. (. . .) In ons dialect zeiden we bovendien niet slijk, maar slik, en slik was nog veel stinkender en verachtelijker dan slijk. Je weet toch waar de Slikstraat liep? Van de Koestraat naar de Breewaterstraat.'

Slijkstraat en Koestraat lopen tegenwoordig parallel.

Peskens spaarde zijn wijk niet: 'Troep, stront, verval, smurrie, ontbinding, kortom nogmaals onze Slikstraat. Wij woonden op nummer drie, aan het begin dus. Nog een vrij ordentelijke woning. Weet je wat voor huur die deed: ¿ 1,50 in de week. Vanaf nummer vijf waren alle huisjes min of meer in elkaar geflikkerd.'

Nummer 3 is een ordentelijke etagewoning, schuin tegenover de Grote Markt en OBS De Branding, mogelijk de plek waar Peskens school is gegaan. 'Mijn oude kinderschool aan de Grote Markt was in vervallen, verveloze staat en de oude lindebomen en de ouderwetse waterpomp waren weg en vervangen door zandbakken met klimhekken waar ik nooit een kind in heb zien spelen.'

Ook nu is er geen kind te bekennen in de zandbakken of op het klimrek.

Wat eens de Paardenmarkt was waar de kolenboer Daalhuyzen woonde (wiens boompjes door een van de twee vorstinnen werden omgezaagd), is nu de Gasthuisstraat. Aan de Weststraat huisde de groenteboer Cyvat (wiens stal door diezelfde vorstin in brand werd gestoken); een straatje van niks dat nu Westerstraat heet en dat destijds in de buurt van de Bomvrije kazerne uitkwam.

'Wij woonden een tijdlang achter de Bomvrije kazerne. Nooit heb ik geweten wat dat Bomvrije betekende. (. . .) De smalle straat, die vanuit de straat waarin wij woonden naar de kazernepoort leidde, heette het Gevangenhuisstraatje. Mijn vader zei altijd dat dat straatje naar de gevangenis van de kazerne leidde.'

Welke gevangenis destijds eufemistisch Depot van Discipline werd genoemd. Net als de kazerne bleef het Gevangenhuisstraatje in de puinhopen van WO II achter. De Bakkersgang handhaafde zich, 'het kleine, vierkante pleintje, met het transformatorhuisje in het midden', een verstilde straat nu met een kinderspeelplaats aan het Waaigat.

K GEBRUIK de Molenstraat als ontsnappingsroute, de straat waar de joodse voddenman Vic Cracqau zich 'aan de hijsbalk buiten de gevel van zijn huis heeft opgehangen en die ik als tienjarige jongen aan zijn lus heb zien bengelen'.

Vrijwel aan het einde, tegenover de Bussestraat, liggen vier Belgische Loodshuizen, Jugendstil-villa's in crème en rood, met de namen Ivonne, Blanche, Mario en Louise. Een jaar na Van Oorschots geboorte ontworpen door architect Smagge. Peskens rept er niet over.

Nee, heel iets anders haakte als een doorn in zijn vlees: 'En wat heeft men aan het memoreren van de Paul Krugerstraat, als ik niet vertel dat daar het door mij meest gehate, uit gele baksteen opgetrokken gebouw staat. . .' (Die gele baksteen is al van verre herkenbaar en heet Theo van Doesburg-centrum waar Vlissingers een kaartje kunnen leggen.) '. . . dat ik nog altijd in mijn dromen in brand steek of met de grond gelijkmaak, die vervloekte Hogere Burgerschool, waar ik vijf jaar lang spitsroeden heb gelopen, omdat we arm en trots en koppig en socialist waren.'

Geert van Oorschot en R.J. Peskens overleden in 1987. Hun HBS als klaverjascentrum, wat zouden ze daarvan gevonden hebben?

Bron: R.J. Peskens: De Vlissingse verhalen (Van Oorschot, 1995).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden