'Lucht en leegte' NIEUWE BIJBELVERTALING WIL OPTIMAAL BEGRIJPELIJK ZIJN

ER IS ONTSTEMD gereageerd op de proeve van een nieuwe bijbelvertaling, zo stond in alle kranten te lezen toen de bundel Werk in uitvoering met de vertaling van vijf bijbelboeken, een verantwoording en een toelichting begin vorige week werd gepresenteerd....

Uiteraard waren de reacties overwegend negatief. En zeker niet alleen in orthodoxe kring. Laat een representant van de gereformeerde bond (de rechterflank van de hervormde kerk) en een in dit verband blijkbaar onvermijdelijke beroepsafvallige als Maarten 't Hart samen opdraven in NOVA om op zo'n nieuwe bijbelvertaling te reageren en ze zullen het direct roerend met elkaar eens zijn. Nog voordat ze ook maar een letter in de nieuwe vertaling hebben gelezen, staat hun standpunt vast: er gaat niets boven de Statenvertaling, alias de Schrift, Gods onversneden Woord.

Pogingen dat monnikenwerk van weleer nog eens over te doen, al is het met de modernste middelen, aan de hand van nieuwe bronnen en op grond van de nieuwste wetenschappelijke inzichten, lijken bij voorbaat gedoemd te mislukken. Men kan er vergif op innemen dat de ontvangst koel zal zijn en er ontstemd zal worden gereageerd. Het zou pas werkelijk nieuws zijn als het andersom is. Kreeg 361 jaar geleden die nu alom geprezen Statenvertaling bij verschijning immers niet eenzelfde ontvangst?

Het is nu nauwelijks meer voor te stellen, maar toen, in 1637, pleegden het gelovig volk en hun zielenherders lijdelijk verzet tegen de invoering van een bijbelvertaling die zij als nieuwlichterij beschouwden. Liever hielden zij vast aan de hun vertrouwde, maar weinig betrouwbare versies van de Heilige Schrift, zoals de Delftse (uit 1477), de Liesveldt- (1526), de Biestkens- (1560) en de Deux-Aesbijbel (1562).

Maar natuurlijk was dit verzet deels ook een gevolg van het feit dat de introductie van de Statenbijbel in de kerken een min of meer gedwongen karakter had, en nota bene plaatsvond op last van de 'Hooghmogende Heeren der Staten Generael van de Vereenighde Nederlanden', die voor deze manoeuvre zo hun eigen redenen hadden: niet alleen godsdienstige, maar vooral ook politieke.

Niets nieuws onder de zon, om met de Prediker te spreken, die ook in de nieuwe vertaling in hoofdstuk 1 vers 9 gelukkig nog steeds deze zelfde, door eenieder gekende woorden spreekt.

Anders gesteld is dat met het tweede vers van ditzelfde bijbelboek. Het in de loop der eeuwen gemeengoed geworden 'ijdelheid der ijdelheden' heeft in de bij wijze van proef gepresenteerde vertaling het veld geruimd voor 'lucht en leegte'. En vooral deze inderdaad nogal revolutionair ogende ingreep is ter linker- en ter rechterzijde aangegrepen om de vertalers eens flink de oren te wassen.

Hun argumenten klonken overigens zuiver en wetenschappelijk verantwoord. Zo is er in de Hebreeuwse brontekst sprake van '(v)luchtigheid' of 'lucht', wat - zoals de vertalers terecht opmerken - wel even iets anders is dan 'ijdelheid'. En omdat 'lucht', samen met 'leegte', dat mede dankzij de alliteratie hier nog wat extra nadruk geeft en beter past bij de rest van dit eerste hoofdstuk, dat vol staat met aan de natuur ontleende beelden, zoals zon, wind en rivieren, dachten de vertalers dat ze er wel mee weg zouden komen. Zij rekenden buiten de waard (en 't Hart).

Minder overtuigend is het motief, dat door de vertalers als extra argument voor deze noviteit wordt aangevoerd, dat het woord 'ijdelheid' doorgaans wordt begrepen als 'pronkzucht' en 'eigendunk'. Daardoor zou de oorspronkelijke betekenis in de zin van 'nietigheid' en 'vergankelijkheid', naar de achtergrond zijn geraakt, met als gevolg dat de meeste lezers de tekst weleens verkeerd zouden kunnen begrijpen.

Het is de vraag of dit argument steekhoudend is. De context van het woord in eerdere vertalingen maakt voldoende duidelijk dat de Prediker hier geen pronkzucht of narcisme aan de kaak stelt, maar de zinloosheid van het leven predikt (wat in het kader van de Bijbel als zingevend boek bij uitstek overigens hoogst opmerkelijk mag heten). En in plaats dat de vertalers zich opwerpen als verdedigers van zo'n kennelijk bedreigde betekenislaag van het woord 'ijdelheid', bevorderen zij met hun voorkeur voor een alternatief nu in feite zelf het versneld afsterven ervan.

Door dit soort bevoogdende overwegingen - de nieuwe vertaling moet voor zoveel mogelijk mensen optimaal begrijpelijk zijn - doen zij afbreuk aan hun eigen, openlijk beleden intentie om bij het vertalen de Nederlandse taal in haar volle rijkdom te benutten. Als de veelgehoorde kritiek op de nieuw vertaalde bijbelboeken, als zou het resultaat wat taal betreft nogal vlak en ambtelijk van toon zijn, terecht is, ligt hier dus een begin van een verklaring.

Ondanks de haast onmogelijke eis die de vertalers zichzelf oplegden om hun vertaling tegelijk 'brontekstgetrouw' en 'doeltaalgericht' te laten zijn, blijkt hun angst voor gelaagdheid en dubbelzinnigheid zo groot te zijn geweest dat waar mogelijk voor een eendimensionaal idioom lijkt te zijn gekozen. Zeker waar het gaat om bijbelboeken met een hoog poëtisch gehalte - naast de Prediker bijvoorbeeld ook het nog te vertalen Hooglied, de Spreuken en uiteraard de Psalmen - is meerduidigheid echter inherent aan de tekst.

Een overdreven angst voor dubbelzinnigheden zal onherroepelijk tot verarming leiden en veel van de kleur- en klankschakeringen die de oorspronkelijke tekst in de grondtaal, maar zeker ook de Statenvertaling kenmerkte, doen verdwijnen.

Het doel dat de vertalers en hun gezamenlijke opdrachtgevers nastreven, oogt alleszins sympathiek. De initiatiefnemers, die in 1993 voor het eerst bij elkaar kwamen, staat niets minder voor ogen dan straks - en dat zal niet voor het jaar 2004 zijn - een standaardvertaling voor het gehele Nederlandse taalgebied af te leveren.

Uniek in de geschiedenis van de Nederlandse bijbelvertalingen zijn de grootschalige opzet van dit project - er is een slordige twintig miljoen gulden voor uitgetrokken - en het interconfessionele karakter ervan. Het protestantse Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting zijn beide bij de productie betrokken, terwijl vijftig supervisoren, die samen twintig kerkgenootschappen vertegenwoordigen, over de schouders van de vertaalteams (bestaande uit oudtestamentici, nieuwtestamentici, neerlandici en vertaalwetenschappers) meelezen.

Onder de betrokken kerkgenootschappen bevinden zich bovendien het Nederlands- en het Portugees-Israëlitisch Kerkgenootschap en het verbond van Liberaal-Religieuze Joden in Nederland. Een Vlaams lezerspanel gaat proberen de teksten te vrijwaren van taaluitingen die door onze zuiderburen als exclusief Hollands worden ervaren.

De hele onderneming doet onwillekeurig denken aan het grootscheepse karwei waarmee een delegatie theologen uit verschillende Nederlandse provincies in november 1626 begon en dat - geheel in overeenstemming met de tijd die het team van vertalers nu denkt nodig te hebben - elf jaar zou duren: een vertaling van alle canonieke bijbelboeken vanuit de grondtaal in het Nederlands.

Niet alleen het rechtstreeks vertalen uit de grondtaal was toen opmerkelijk; nieuwe bijbeledities waren steeds bewerkingen geweest van eerdere uitgaven, zodat in de eindresultaten steeds minder van het origineel doorschemerde. Ook het streven naar een voor iedere ingezetene begrijpelijk Nederlands was bijzonder, omdat er van zo'n ABN nog helemaal geen sprake was.

De ontwikkeling van een eenheidstaal waarmee men zich in alle gewesten van het land verstaanbaar zou kunnen maken, was daarom heel uitdrukkelijk ook een van de doelen die met deze Statenvertaling werden nagestreefd. Als er maar flink uit die nieuwe Bijbel werd voorgelezen, zouden de mensen vanzelf wel Nederlands gaan spreken, was de gedachte.

HOEWEL HET PROJECT in eerste aanleg een religieuze aanleiding had - er werd toe besloten in de roemruchte synode van Dordrecht, die in 1618 en 1619 plaatsvond - diende het vooral ook een politiek doel; reden waarom de Staten-Generaal de vertaling financierden en het gebruik ervan na verschijnen krachtig bevorderden.

Door een uniforme bijbelvertaling die in iedere kerk op de kansel zou liggen, hoopten kerkelijke én politieke leiders een einde te kunnen maken aan de schadelijke godsdiensttwisten die het land verdeeld hielden. Deze theologenstrijd, aangezwengeld door de Leidse godgeleerden Arminius en Gomarus en instandgehouden door elkaar op dit punt tegensprekende bijbelvertalingen, ging over de vraag of de mens zelf in dit leven nog iets toe of af kan doen aan zijn eeuwig lot in het hiernamaals, en had Johan van Oldenbarnevelt, mede door toedoen van diens directe tegenstander, prins Maurits, in 1619 de kop gekost.

Aan de godsdiensstrijd tussen Arminianen en Gomaristen en hun adepten, de latere rekkelijken en preciezen, wier gedachtegoed wij ook nu nog nagenoeg ongeschonden in de vrijzinnige, respectievelijk orthodoxe stromingen van het Nederlands protestantisme kunnen terugvinden, heeft de Statenvertaling, ondanks 314 jaar alleenheerschappij op de Nederlandse kansels, geen eind weten te maken.

De invloed van deze Statenbijbel op de taal is daarentegen onvoorstelbaar groot geweest. Het Nederlands dat wij spreken, is nog steeds doorspekt met taalvondsten en gezegden die in feite nieuw waren toen ze voor het eerst een plaats kregen in de Statenvertaling. En daaronder waren nogal wat hebraïsmen: wijzen van zeggen die voordien onbekend waren en letterlijk uit het Hebreeuws waren vertaald, zoals het veelbesproken 'ijdelheid der ijdelheden'.

Of het boek der boeken (nog zo'n voorbeeld van dezelfde, door de Statenvertalers geïntroduceerde Hebreeuwse genitief) in de nieuwe vertaling een vergelijkbare invloed zal hebben, valt te betwijfelen. Wie voor Jan en alleman verstaanbaar wil zijn, zal zich niet snel bezondigen aan taalvondsten en nieuwvormen.

WEL KAN de nieuwe vertaling, mits zij daadwerkelijk door alle betrokken partijen als standaard wordt geaccepteerd, in principe een geduchte concurrent worden van de vier vertalingen die nu in gebruik zijn: de Statenvertaling, nog onverkort in zwang bij de orthodoxe stromingen van het Nederlands protestantisme (zij het doorgaans in een in 1977 verschenen, enigszins herziene versie); de NBG-vertaling, genoemd naar het Nederlands Bijbelgenootschap dat deze in 1951 ter vervanging van de verouderd geachte Statenvertaling uitgaf; de Willibrordvertaling van de Katholieke Bijbelstichting; en als laatste aanwinst de Groot Nieuws Bijbel als uitvloeisel van het populaire verlangen vanuit met name de oecumenische beweging om de Bijbel in een eigentijds jasje te steken.

De begeleidingscommissie houdt de bij het vertaalproject betrokken kerkgenootschappen vooralsnog liever te vriend door te wijzen op het onbetwiste bestaansrecht van deze vier bijbelvertalingen. Want die hebben, schrijven de vertalers in hun toelichting, 'hun geheel eigen karakter'.

Dit soort bescheidenheid benadrukt nog eens extra de grootschaligheid van de hele operatie. Niemand zal zich daarbij helemaal kunnen onttrekken aan de vrees dat een project waarmee zoveel uiteenlopende belangen zijn gediend en zoveel uiteenlopende smaken, voorkeuren en behoeften moeten worden bevredigd, hoe dan ook tot fletse compromissen leidt. Het zullen compromissen zijn waaruit elke nuance die exegetisch dan wel dogmatisch voor wie dan ook een steen des aanstoots zou kunnen vormen, zorgvuldig is vermeden.

Maar evenmin is uitgesloten dat de nieuwe vertaling eenzelfde lot zal zijn beschoren als de toren van Babel in het bekende verhaal uit het boek Genesis, dat in een nieuwe vertaling helaas nog niet voorhanden is. Toen de aarde, in de fraaie formulering van de Statenvertaling, nog 'van enerlei spraak en enerlei woorden' was, wilden de mensen een toren bouwen die tot in de hemel zou reiken, 'opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden'

Die toren is nooit gereedgekomen. Het bouwwerk was de Heere onwelgevallig. Het was kennelijk helemaal niet Zijn bedoeling dat wij 'van enerlei spraak en enerlei woorden' zouden blijven en daarom greep Hijzelve in en zaaide Hij spraakverwarring, waarna de mensheid uitwaaierde over de gehele wereld.

Het is met deze proeve in handen nog niet goed te voorzien waar het met deze nieuwe vertaling op zal uitdraaien.

Gert J. Peelen

Werk in uitvoering -Nieuwe Bijbelvertaling. Eerste deeluitgave: Ester, Prediker, Jona, Judit, Handelingen. Met verantwoording en toelichting. Nederlands Bijbelgenootschap/Katholieke Bijbelstichting; 280 pagina's; * 14,95. ISBN 90 6126 856 7.

1 De woorden van Prediker, den zoon van David, koning te Jeruzalem.

2 IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid!

3 Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onder de zon?

4 Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt, maar de aarde blijft altoos staan.

5 De zon komt op en de zon gaat onder en hijgend ijlt zij naar de plaats waar zij opkomt.

6 De wind gaat naar het Zuiden en draait naar het Noorden, aldoor draaiend gaat hij voort en op zijn kringloop keert de wind weer terug.

7 Alle beken stromen naar de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats waarheen de beken stromen, daarheen stromen zij altijd weer.

8 Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend; het oog wordt niet verzadigd van zien, en het oor wordt niet vervuld van horen.

9 Wat geweest is, dat zal er zijn, en wat gedaan is, dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon.

10 Is er iets, waarvan men zegt; ziehier, dat is nieuw - het was er al in verre tijden, die vóór ons waren.

1 De woorden van de prediker, de zoon van David, de koning te Jeruzalem.

2 IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker, ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.

3 Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, die hij arbeidt onder de zon?

4 Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in eeuwigheid.

5 Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.

6 Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat rond naar het noorden; de wind gaat steeds rond, en de wind keert weer tot zijn omgangen.

7 Al de beken gaan in de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats, waar de beken heengaan, derwaarts gaande keren zij weer.

8 Al deze dingen worden zo moede, dat niemand het zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd van zien; en het oor wordt niet vervuld van horen.

9 Hetgeen er geweest is, dat zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, dat zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.

10 Is er enig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Ziet dat, het is nieuw? Het is alreeds geweest in de eeuwen, die vóór ons geweest zijn.

1 Hier volgen de woorden van Prediker, zoon van David en koning in Jeruzalem.

2 Lucht en leegte, zegt Prediker, lucht en leegte, alles is maar leegte.

3 Welk voordeel heeft de mens van alles wat hij heeft verworven, al zijn moeizaam gezwoeg onder de zon?

4 Geslachten gaan, geslachten komen, maar de aarde blijft altijd bestaan.

5 De zon komt op, de zon gaat onder, en altijd snelt ze naar de plaats waar ze weer op zal gaan.

6 De wind waait naar het zuiden, dan draait hij naar het noorden. Hij draait en waait en draait, en al draaiend waait de wind weer terug.

7 Alle rivieren stromen naar de zee, en toch raakt de zee niet vol. De rivieren keren om, ze gaan weer naar de plaats vanwaar ze komen, en beginnen weer opnieuw te stromen.

8 Alles is vermoeiend, zozeer dat er geen woorden voor te vinden zijn. De ogen van een mens kijken, en vinden geen rust, zijn oren horen, en ze blijven horen.

9 Wat er was, zal er altijd weer zijn, wat er is gedaan, zal altijd weer worden gedaan. Er is niets nieuws onder de zon.

10 Wanneer men van iets zegt: 'Kijk eens, iets nieuws,' dan is het altijd iets dat er sinds langvervlogen tijden is geweest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden