Loyaal & ondeugend

Twee juffrouwen gespeeld door twee brave komieken: de travestie-act van Snip & Snap, in 1937 uit 'noodzaak' ontstaan, was nooit venijnig....

Het werkt nog steeds op verjaardagsfeest jes met wat oudere gasten: een imitatie van Willy Walden over het boutje aan een nippeltje van een transistortje. Of anders wel: 'Het is niet mijn broer, maar toch is het de zoon van mijn vader.' De imitator heeft niet de kwaliteiten nodig van Robert Paul. Gewoon een castratenstemmetje en een beetje olijk kijken, is voldoende voor een herkenningslach.

Precies, Snip & Snap. Wie het correcte beeld en geluid erbij wenst, kan terecht bij de zojuist verschenen video-/cd-box Snip en Snap Souvenirs, samengesteld door Henk van Gelder. Alle hits op een rijtje, keurig ingeleid in een klein boekje - dat kan worden gezien als een toespraak op de begrafenis van de revue.

Piet Muyselaar en producent René Sleeswijk zijn in 1978 gestorven. Willy Walden is 97 jaar en woont al jaren in een verzorgingstehuis. Joop van den Ende heeft de revuetraditie een tijdje voortgezet met André van Duin, maar het onrendabele theatergenre met ballet, veren en glitter is inmiddels vervangen door het moderne familievermaak, de musical.

Willy Walden en Piet Muyselaar: juffrouw Snap en juffrouw Snip, twee mannen op leeftijd in een tuttig jurkje. Het was burgermanshumor van het allerbraafste soort door twee vriendelijke heren die in het dagelijks leven geruisloos in de massa van een drukke winkelstraat opgaan. Met het tempo van de jaren vijftig (dat ook in de jaren zestig en zeventig standhield): geen harde grappen, geen venijn.

Toch was Walden degene die als eerste 'kut' riep op de radio. Vlak na de bevrijding maakte Walden live een paar grappen over Tudderen, een stukje Duitsland dat ter compensatie van het oorlogsleed aan Nederland zou worden gegeven - in plaats van over een Tudderse koe had hij het per ongeluk over een Toederse kut.

De act van Snip & Snap was hooguit 'ondeugend'. Het was humor van de man die zich al een hele schuinsmarcheerder vindt als hij een paar uurtjes langer in het café met de jongens blijft kaarten. Veel kwebbelen over het herkenbare dagelijkse ongerief, aangekleed met wat absurdisme. Sleutel tot het succes was de combinatie van een pinnig karakter (Willy Walden), dat eindeloos kon doorzaniken over trivialiteiten, en de goeiige sul (Piet Muyselaar), die over een engelengeduld beschikte dat uiteindelijk toch opraakte. Telkens weer werd de goedzak, tot groot genoegen van de kleine zuiger met pretoogjes én het publiek, tot wanhoop gedreven. Een klassiek voorbeeld van een aangever en een afmaker.

Het travestie-nummer van de twee juffrouwen was in 1937 ontstaan als noodgreep. René Sleeswijk, de grote revueproducent in die dagen, liet regelmatig sterren uit zijn stal optreden in De Bonte Dinsdagavondtrein, het befaamde amusementsprogramma van de AVRO-radio. Met name de uitzendingen met zijn grote coryfee Louis Davids waren een gegarandeerd succes. Toen Davids weer eens last van astma had, moest hij een radio-optreden afzeggen. Sleeswijk riep de hulp in van Willy Walden, een 32-jarige komiek die bescheiden rolletjes speelde in de Bouwmeester-revue (de show van de grote clown Johan Buziau). Walden haalde Piet Muyselaar erbij, met wie hij tijdens de 'stilleg' in de zomer wel eens wat sketches in elkaar had gedraaid.

De B-keuzekomieken grepen de kans in De Bonte Dinsdagavondtrein met beide handen aan. Met hun eigen materiaal kwamen ze een heel eind. En om de laatste minuten van de uitzending te vullen, greep Sleeswijk naar Het Revueboek, een bundel met sketches van Jacques van Tol, de belangrijkste tekstschrijver van Louis Davids.

Walden en Muyselaar zagen weinig in het Snip & Snap-nummer, dat Van Tol als pure bladvulling in het boek had opgenomen. Ze hadden geen trek in jurken, en wilden niet verder gaan dan een hoedje, een handtasje en een marmerbontje.

Het werd een hit: de volgende dag was het duo beroemd, en had tekstschrijver Van Tol er twee vaste klanten bij.

Muyselaar en Walden bleven bij Van Tol. Ze lieten hem niet vallen toen hij na de oorlog in de gevangenis verdween omdat hij zijn talent in dienst had gesteld van het NSB-cabaret van Paulus de Ruiter. De teksten werden Snip & Snap gewoon door de tralies aangereikt. Belangrijkste reden voor deze loyaliteit: er was in Nederland domweg geen betere tekstdichter in dit genre.

Van Tol was ook de auteur van Als op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan, dat Willy Walden aan het eind van de oorlog zong. Het werd door het publiek beschouwd als een protestlied tegen de Duitsers. Had de tekstschrijver spijt van zijn NSB-sympathieën, of was hij een regelrechte opportunist? Natuurlijk beweerden Walden en Muyselaar het eerste.

Walden en Muyselaar en producent Sleeswijk brachten pretentieloos vermaak. Doorspelen tijdens de oorlog kon alleen met een apolitiek repertoire. Maar ook na de oorlog had het tweetal er geen enkele behoefte aan zich maatschappelijk uit te spreken.

Willy Walden verwoordde het heel duidelijk: 'Ik bemoei me niet met politiek, ik vind het een onbehoorlijk bedrijf. Mijn tijd is te kostbaar om me erin te verdiepen waarom meneer Aantjes zus en meneer Beentjes zo denkt.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden