Loop naar de Mookerhei - ja graag!

De moslaag noodt tot aaien en kinderen zoeken naar sterrenmos. Niks zwaarmoedigheid op de Mookerhei. In dit vriendelijke stukje land grazen Schotse hooglanders en Drentse schapen....

NIKS NAARGEESTIG. Niks somber. En ook niks unheimlich.

Maar dat wist de chef niet. (Net zo min als ik trouwens.)

Loop naar de Mookerhei, zei ze sardonisch.

Het eerste wat ik dacht: schrijf je dat met één o of twee o's? (Eén, zegt Van Dale. Twee, zeggen de toegangsborden.)

Het tweede wat ik dacht: wat moet ik in hemelsnaam in de winter op de Mookerhei? Erger kan niet.

Fout gedacht dus.

De moslaag noodt tot aaien en heeft de kleur van heldergroen fluweel, bestikt met waterdruppeltjes die net ontdooid zijn. De rijp staat op het punt te bezwijken voor de laaghangende zon, die zich door de nevels boven de lager gelegen Maas boort en de kerktoren van Cuijk, ginds beneden, laat blikkeren. Paars kleurt uiteraard de heide en geel het pijpenstrootje. En naar alle kanten is er uitzicht, en naar alle kanten is het heuvelachtig.

Vooraf had ik er geld op durven zetten dat ik met zo'n alinea nooit zou terugkeren van de Mookerhei. Nee, het zou gaan over zompigheid en zwaarmoedigheid en misschien over zwampen en over een stukje vervloekt land dat op het laatst nog net aan de hand van de Schepper was ontglipt.

Loop naar de Mookerhei, dat is toch een verwensing? Dat had iets van doen met een heksensabbat vroeger, waar je natuurlijk als sterveling niet tussen moest geraken. Maar dat kan toch dit vriendelijke stukje land niet zijn, waar het wapengekletter van De Slag al lang is verstomd en de enige vreemdelingen Schotse Hooglanders blijken? Waar pikzwarte konijnenkeuteljes scherp afsteken tegen de gelige zandgrond. Waar grootouders hun kleinkinderen onder de bejaarde eiken naar sterrenmos laten zoeken.

En waar de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten zich al zeventig jaar - sinds 1927 - inspant om de vergrassing buiten de hekken te houden.

Het vergt net geen uur om de Mookerhei rond te lopen, inclusief wat rustpauzes op banken, die met namen en data zijn volgekerfd. Ik heb het heiderijk nagenoeg voor mezelf. De Hooglanders, die als grasmaaiers dienen, staan waarschijnlijk op stal, de Drentse schapen hebben blijkbaar bezigheden elders.

In de zomer krioelt en wriemelt het hier van levende wezentjes zoals de rode bosmier, de mestkever, de zandhagedis en de hazelworm. (Lees ik in het IVN-gidsje Natuurwandeling Mookerheide.) Dan vliegen de veldleeuwerik, de zwarte specht en de wielewaal rond. Nu moet ik me behelpen met het schorre lied van wat kraaien en met een piepklein vogeltje dat als vastgeplakt aan een dennenstam hangt en dat ik daarom ter plekke boomklevertje doop.

De rest is stilte en ver weg kijken; als het niet zo nevelig was zelfs tot diep in het Brabantse land, tot de torenspitsen van Uden en Volkel. Uit die verte waaien kinderstemmen aan, en de eentonige dreun van de Rijksweg. Zestig meter onder me ligt de Mookerplas roerloos te spiegelen. Het is het domein van aalscholvers, nijlganzen en kuifeenden, maar niemand geeft thuis.

Aan een stukje vaderlandse geschiedenis, hoe triest van afloop ook, is op de Mookerhei niet te ontkomen. Op 14 april 1574 was de Tachtigjarige Oorlog zes jaar oud. Het rommelde danig in de Nederlanden, waar prins Willem van Oranje (de Zwijger) verwoede pogingen deed de Spaanse overheersers van Filips II te verdrijven. Vanuit zuidelijk Limburg kwamen in die aprilmaand Lodewijk en Hendrik van Nassau met een leger van 'slechtbewapende rabauwen en gelukszoekers' hun opstandige broer te hulp.

Bij Mook stuitten zij op de Spaanse armee van Sancho d'Avila, de man die ooit de graven van Egmond en Hoorne gevangen nam. In de vroege ochtend van 14 april maakten zijn elitetroepen korte metten met het ongeregelde zootje van de Nassau-broers, die beiden sneuvelden. Hun lichamen zijn nooit teruggevonden; vermoedelijk lagen ze in het massagraf dat in 1870 langs de Groesbeekseweg in Mook werd ontdekt. Als blauwe vlammetjes dwaalden nog lang de zielen van de verslagen soldaten over de heide. Wisten destijds de bijgelovige omwoners te vertellen.

In het hervormde kerkje van Heumen is voor het adellijke duo een herdenkingsmonument opgericht. De lege tombe draagt de Franse tekst: Plutot mort que vaincu, généreux sang de Nassau - Liever dood dan overwonnen, edel bloed van Nassau.

(Overigens zijn lang niet alle historici het eens over de plaats van De Slag. Een aantal houdt het op de Heumense Schans, ten noordwesten van de Mookerhei. Maar dat is een ander verhaal.)

IDDEN IN DE glooiingen, gevuld met hei en buntgras, staat als een eenzame, knoestige wachtpost een grove den. De wind heeft hem in de loop der jaren het uiterlijk van een Libanonceder bezorgd, die naar het oosten neigt.

Veel bomen lijden hier een solitair bestaan en proberen dat leven toch nog te veraangenamen door aan stammensplitsing te doen. Zo levert dat een veelstammige zomereik op, en een vijfstammige ruwe berk, en al of niet toevallig staan die twee tegenover elkaar en voert het wandelpad tussen al die stammen door.

De nog lager hangende zon ontlokt een gele gloed aan dat wandelpad, dat over de zoom van de hei rondloopt. Er zijn vanzelfsprekend méér paden, kriskras door het centrum. Maar Natuurmonumenten heeft liever niet dat we die betreden en vraagt dat op vriendelijke toon, zonder in dat barse van Verboden Toegang te vallen. Dat binnenste van de Mookerhei is natuurlijk voor de grasgrazers en voor de natuur, die er nieuwe hei moet aanmaken en er mostapijten moet leggen.

Als het je nooit eerder was opgevallen, kun je aan het wandelpad hier zien dat het veel regent in Nederland. Omlaag stromend water slijpt er bij voortduring grillige sporen in. Kloven op Madurodam-formaat, Grand Canyons in het klein, waarin de afdrukken van hondenpoten opeens buiten proportie zijn, en de flinke lappen uitgedampte runderpoep buitenaards.

Waar trouwens een pad tot manshoogte is uitgeslepen, heet het geen pad, maar smeltwaterdal. Waarvoor de geschiedenis 200 duizend jaar teruggaat toen de Mookerhei tot een reusachtige stuwwal uit de voorlaatste ijstijd behoorde. Daarna deed het smeltende water zijn landschapsvormende werk.

(Bommen voegden tijdens de Tweede Wereldoorlog nog wat kraters toe, die inmiddels door de vergevingsgezinde heide zijn bedekt met begroeiing.)

Of ik de deur achter me wil sluiten wanneer ik de Mookerhei (met tegenzin) verlaat.

Of die verwensing zo gauw mogelijk uit het Nederlandse taalgebruik kan worden verwijderd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden