Londen: slangenkuil en addergebroed

'UITSTEKENDE FAISANT gegeten, het lieve dier smeekte om met bourgogne te worden overgoten en alleen lieden, hardvochtiger dan wij, zouden aan die smeekbede geen gehoor hebben gegeven.'..

Uit het dagboek van een Nederlander in Londen, 29 november 1940.

De grote, definitieve, allesomvattende studie naar de lotgevallen van de tien-, of twintig-, of hooguit dertigduizend Nederlanders die tussen 1940 en 1945 als ballingen in Engeland hebben geleefd, gewoond en gewerkt - die moet nog altijd geschreven worden.

Bouwstoffen zijn er in overvloed. Soldaten van Oranje, secretaresses, ambtenaren, hovelingen, schrijvers, journalisten, ministers en leden van de geheime dienst hebben hun herinneringen later allemaal op hun eigen manier opgehaald en openbaar gemaakt. Velen van hen verschenen na de oorlog trouwens al meteen als getuigen voor de parlementaire enquête-commissie. Voor de twee 'Londense' delen van z'n koninkrijksgeschiedenis heeft Loe de Jong hun verhalen nog eens aangehoord en verwerkt. En in recente deelstudies - Fasseur over Wilhelmina bijvoorbeeld - komen we ze in diverse varianten opnieuw tegen.

Genoeg schriftelijk bewijs dus, nog gezwegen van tot dusver onontsloten gebleven materiaal uit privé-collecties en institutionele archieven.

Maar de optelsom van al die onderscheiden belevenissen is nog steeds niet gemaakt, het 'integrale' beeld van wat zich aan lief, leed, haat, nijd, dromen en angstvisioenen, illusies en depressies, heimwee, eenzaamheid, carrièrezucht, rivaliteit, gevoelens van onmacht, loze besluitvaardigheid en copieuze etentjes allemaal moet hebben voorgedaan binnen die onvrijwillige, aan zichzelf overgeleverde Hollandse kolonie in de grote, vreemde wereldstad, wacht nog op z'n voltooiing.

Een behoorlijk grote stap op weg naar dat einddoel is de publicatie van de Londense dagboeken van jhr. ir.O. C. A. van Lidth de Jeude, de fazantenkenner.

Niet dat in de bijna zestienhonderd pagina druks sprake zou zijn van opzienbarende onthullingen over bijvoorbeeld het beleid van de kabinetten-Gerbrandy waarin Van Lidth tussen 1942 en 1944 de post Defensie bekleedde. Daar kenden we de essentie al van, onder andere dankzij De Jong, die de dagboekmanuscripten al in 1978 mocht raadplegen bij de voorbereiding van zijn deel 9 (en die in de lectuur geen aanleiding zag om de bewindsman een hoger rapportcijfer te gunnen dan het magere vijfje dat hij al in gedachten had).

Dat Van Lidth een poosje heeft vertoefd in het centrum van de Londense 'macht' (zoals hij in de jaren dertig een betrekkelijk blauwe maandag Waterstaat had gedaan in Colijn-III) levert uiteraard pikante inside-informatie op over met name het voortdurend wankele evenwicht tussen de onschendbare Wilhelmina en haar verantwoordelijke ministers. Maar voor de betekenis van zijn zorgvuldig bijgehouden dagboek is dat eigenlijk nauwelijks relevant.

De ware betekenis zit in een paar andere dingen. Van Lidth is om te beginnen de enige Londense Nederlander geweest wiens aantekeningen de hele oorlogsperiode bestrijken: vanaf het moment dat hij in mei 1940 de gevluchte ministers van het kabinet-De Geer aantrof 'als een stelletje duiven op een rijtje in den dakgoot op een regenachtige namiddag', via dagen en maanden en jaren van ijdel optimisme (hij blijft heel lang koppig geloven dat de oorlog eind 1942 gewonnen zal zijn) tot aan het moment dat hij als afgedankt bewindspersoon z'n laatste Londense 'faisant' verorbert, z'n laatste Londense zaken regelt, z'n laatste rondje Londens roulette speelt en z'n laatste Londense kruik jenever aanspreekt, alvorens terug te vliegen naar het geheel bevrijde vaderland. Het is dan 25 mei 1945 geworden, en hij lijkt een stuk minder kordaat en goedgemutst dan vijf jaar tevoren.

Z'n tweede betekenis ontleent het reusachtige dagboek aan het feit dat Van Lidth in veel opzichten een buitenstaander was, en zich in ieder geval graag zo gedroeg, ook toen bij ambtshalve tot de ingewijden moest worden gerekend. Telg uit een oude (Tielse) regentenfamilie bewoog hij zich met patriciërsgemak - en met nauwelijks verholen patriciërsdédain jegens minder volk, ook als het om collega-ministers ging - in de grote wereld. Als ingenieur had hij zich al vóór de oorlog (hij was van 1881) een zekere reputatie verworven in de internationale ondernemerswereld, als ondogmatisch liberaal telde hij bescheiden mee in de nationale politiek. Z'n netwerk was wijd en stevig: commissariaten bij zulke uiteenlopende instellingen en instituten als de Billiton Maatschappij, de Java China Japanlijn, de Armsterdamsche Bank en het Koloniaal Instituut.

IN FEBRUARI 1940 vertrok hij naar Indië met een gemengde opdrachtenportefeuille: hij zou er niet alleen de tin-zaken voor Billiton en de ingenieursbelangen van de Maatschappij voor Havenwerken behartigen, maar namens de minister van Koloniën ook de gouverneur-generaal (Tjarda van Starkenborgh) polsen over een nieuwe ambtstermijn. Het bericht van de Duitse inval bereikte hem toen hij al bijna weer huiswaarts zou gaan. In de verwachting dat de Waterlinie het zou houden, ging hij ervan uit dat hij Tiel zou halen. Het werd Londen.

Daar zocht de nog onwennige Nederlandse kolonie ter gelegenheid van de eerste Koninginnedag in diaspora een voorzitter voor een nationaal comité dat alvast geld moest inzamelen voor de bevrijding(!). 'Het geheel lijkt mij wat gezwollen en kunstmatig opgezet', noteerde Van Lidth in zijn prille dagboek, en hij bedankte voor de eer: 'want ik ben niet de aangewezen aanvoerder van de in Engeland gevestigde Nederlanders, ik ben slechts op den doorreis, als strandeling op weg naar huis'.

Z'n behoefte om zich op de vlakte te houden bleek overigens maar betrekkelijk. Feestcomités waren hem waarschijnlijk te min, maar hij liet zich zonder aarzelen benoemen tot voorzitter van het London Committee of the Netherlands Red Cross Society en tot regeringscommissaris voor de vluchtelingen: de netwerkerij functioneerde ook in Londen, of juist in Londen, waar mensen met de nodige bestuurservaring uiteraard niet voor het opscheppen lagen.

De functies verschaften hem snel entree in regeerkringen, en ook bij Hare Majesteit ('Mevrouw' in de aantekeningen) en prins Bernhard, tegenover welke laatsten hij niet aarzelde zich te beklagen - of zeg maar gerust kwaad te spreken - over de defaitistische 'verregende duiven' van het kabinet-De Geer. Zo verwierf hij, als '100-procenter' (geen spoor van twijfel aan de eindoverwinning) al snel Wilhelmina's vorstengunst, en had hij met de prins zelfs wekelijkse vergaderlunches, waar behalve de toestand in de wereld ook de Nederlandse politiek op de agenda stond.

Op die manier moet hij zich in z'n element hebben gevoeld: kritikaster langs de zijlijn, meedenker over de toekomst (hij had al vroeg een paar nota's klaar over naoorlogs Nederland waarin de partijschappen vrijwel moesten verdwijnen en het parlement een toontje lager zou zingen: grote instemming van de kant van Mevrouw en Haar schoonzoon), en zo nu en dan ongegeneerde stokebrand.

Na etentjes met de sociaal-democratische ministers Albarda en Van den Tempel, die vermoedelijk toch heel hoffelijk en aimabel moeten zijn verlopen, vertrouwde hij aan z'n dagboek toe welke overwegend miserabele indruk de twee andermaal op hem gemaakt hadden. Maar ook over andere bewindslieden met wie hij graag de maaltijd gebruikte, inclusief 'de kleine man' Gerbrandy, werden achteraf op schrift vaak genadeloze vonnissen geveld.

Aan de periferie van de macht moet Van Lidth zich prettig thuis hebben gevoeld. Keer op keer meldde hij na thuiskomst van een gezellig restaurant dat deze of gene disgenoot hem een ministerschap had willen aanpraten, en telkens noteerde hij er met grote stelligheid achteraan dat hij voor geen goud de medeverantwoordelijkheid in het mediocre gezelschap zou willen dragen. Tenzij misschien. . .

IN DE zomer van 1941, toen Dijxhoorns positie op Defensie wankelde, leek een aap uit de mouw te komen. 'Er loopt een hardnekkig gerucht', schreef hij, 'dat ik Dijxhoorn zal opvolgen, zulks onder pressie van Hare Majesteit. Gelukkig heeft men mij daarvoor nog niet benaderd, doch als dit gebeurt, zal ik mij met hand en tand verzetten. President van een geheel nieuw kabinet is de eenige functie die ik aanvaardbaar acht.'

Hij zal het begeerd hebben, en ook werkelijk hebben gedacht dat hij ervoor geknipt was, maar het is er niet van gekomen.

Leed hij aan zelfoverschatting?

Ook natuurlijk. Maar de parmantigheid waarmee hij zichzelf als heer van stand tamelijk verheven voelde boven z'n Londense 'soortgenoten', wordt in de dagboeken aanzienlijk vergoed door de gezellige roddeltoon, z'n onmiskenbaar stilistisch talent en het vermogen om z'n eigen zwakheden even scherp onder woorden te brengen als die van z'n collega's.

Hij is (ondanks z'n hogere ambities!) minister van Defensie geworden, en verantwoordelijk voor de instelling van het Militair Gezag, als hij daarover een lelijke aanvaring met 'Mevrouw' oploopt, die weigert de kapitein Kruls als bevelhebber te benoemen. Van Lidth delft het onderspit, en schrijft na afloop: 'Een zeer onbevredigend verloop! En van mij een slappe houding als van een jongen, die een onverdiend standje krijgt en zijn mond moet houden.'

Hij was allerminst een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout, het tegendeel van een Nurks - eerder een gemoedelijke (zij het in z'n politieke opvattingen hoogst autoritaire) bon-vivant, een genoegelijke, beetje ijdele dikkerd, met een oppervlakkige mensenkennis, en dus een snel oordeel, dat hij overigens ook bereid was telkens weer royaal te herzien. En niet zelden heel geestig in z'n observatie.

'De koningin verschijnt in een hemelsblauw gewaad', beschreef hij een dineetje op Maidenhead. 'Naar het ritselen daarvan te oordelen van zijde. Ik heb niets geen verstand van vrouwenkleedij - zegt mijn vrouw - maar ik geloof toch, dat deze japon geen staaltje is van vaardigheid met de naald. De japon 'valt' niet, maar 'hangt' in onsympathieke plooien.'

Zijn oog voor vrouwen was scherp, en vervuld van licht veroveraarsverlangen. Het dagboek onthult niet of hij zich ooit op vrijersvoeten heeft gewaagd, maar sommige cryptische verwijzingen naar ene Gwen, ene Odette en ene miss Prattley (volgens de ingetogen index 'een kennisje') roepen de verdenking op dat hij zich op z'n minst soms aan overspelige gedachten heeft overgegeven. Niet voor niets was de 'sexy' Zarah Leander zijn lievelingszangeres. Voor duizenden van huis en haard en vrouw gescheiden 'Londense' mannen is het gedwongen celibaat een probleem geweest - en Van Lidth was weliswaar al op leeftijd, maar voor een enkele vluchtige liaison zal hij niet meteen zijn teruggeschrokken. Wie wil kan tussen de regels veel verborgen erotiek of zelfs 'avontuur' vermoeden.

Hier zijn we trouwens aan de derde reden waarom de publicatie van de dagboeken zo'n grote stap betekent in de richting van een waarheidsgetrouw beeld van het Londense Nederland. Bij andere memoire-schrijvers en aantekeninghouders op het niveau van Van Lidth blijft de blik haast altijd beperkt tot het einde van de ambtelijke of professionele horizon. Van Lidth, de 'strandeling', had zich in Londen van meet af aan genesteld, hij richtte zich er in, hij besloot er te leven.

Hij was er nog niet, of hij schafte zich een Engels kostuum aan, en vervolgens een Engelse paraplu, en daarna een Engelse fiets, en toen een Engelse hengel-uitzet, en tenslotte een duur Engels radio-annex-televisie-apparaat. Bij hem geen spoor van de tobberigheid waarmee collega Van den Tempel wekelijks naar de moeilijke Berlitz-schoollessen ging om het Engels een beetje machtig te worden.

De borreltjes en etentjes met Jan en Alleman - zijn kennissenkring was al snel onafzienbaar groot, hij tafelde even vaak met Engelse vrienden als met Nederlandse relaties - zouden een afzonderlijke analyse verdienen. De eerbiedwaardige hoeveelheden eiergerechten, reebouten en gevogelteschotels die, steeds met een zekere nauwkeurigheid opgetekend, de revue passeren, zinken nog in het niet bij de honderden liters wijn, whisky, port, cognac en jenever die er in vijf jaar doorheengejaagd moeten zijn. 'Ik durf haast niet neer te schrijven', noteerde hij na oudejaarsavond 1943, 'wat wij hier alles gegeten en gedronken hebben! Het is bijna misdadig als ik denk aan de ellende thuis.'

De Jong spreekt van een drankprobleem dat in november 1944 tot openbare dronkenschap (compleet met ingrijpen door de politie) zou hebben geleid. Het dagboek zwijgt erover, maar de gewaarschuwde lezer kan vaststellen dat Van Lidth vanaf die tijd enige weken en maanden gedeprimeerd bleef.

'De publieke meening - maar wat een publiek en welk een mening!!', schreef hij in een kennelijke dip, 'is tegen mij gekant. Ik hoop deze malaise door te worstelen, maar ik zou veel lust hebben met een hartgrondig 'verrek' den boel neer te werpen.'

Misschien was zijn natuurlijke blijmoedigheid intussen te lang op de proef gesteld, en ook dat moet typerend zijn geweest voor de stemming in de hele Nederlandse kolonie: heimwee, de ondraaglijke verveling van de lange zondagen (Van Lidth probeerde ze te overleven met detectiveromannetjes en spelletjes patience; maar uitgaan was er niet bij), ongerustheid over hoe z'n familie in het bezette vaderland zich zou redden - zeker toen hij, met het hele kabinet overigens, moest aftreden, dreigde een treurig zwart gat.

E

R IS tenslotte nog één aspect aan de fascinerende uitgave die aandacht verdient - Van Lidths voortdurende blijken van wat we nu puur antisemitisme zouden noemen. Ze beginnen haast sluipsgewijs als hij, al in mei 1940, melding maakt van een joodse hotelmanager die op de vlucht zijn vrouw had achtergelaten, en waaraan bij toevoegt: 'Een jood - maar die loopen hard als gevaar dreigt.' Van den Bergh van Unilever heet in een bijzin 'een weldoorvoede Israeliet', bij de Zwanenbergs (met wie hij bevriend is geraakt) is het 'een heerlijke joodse bende', de bij de marine gepromoveerde zoon van Van Blankenstein krijgt de bijnaam 'smous-bij-nacht', de journalist Robert Kiek is in zijn ogen 'een parmantige jodenbengel'.

A.F. Kersten, die de dagboeken op voorbeeldige wijze annoteerde, vraagt in z'n inleiding de kwalificaties 'te plaatsen in hun context', en wijst erop dat Van Lidth als eerste bewindsman van het kabinet zijn stem verhief tegen de ook in Londen eindelijk doorgedrongen jodenvervolging. Dat is waar - in mei 1943 is hij in het openbaar uitvoerig, en met verontwaardiging, ingegaan op wat hij weet over 'Totungsanstalten in Polen'.

Maar nog geen maand later ontvangt hij een groepje Engelandvaarders (met wie hij het überhaupt nooit erg heeft op gehad), en schrijft: 'De grootste helft joden en de meesten nogal pretentieus.' In datzelfde jaar stoort hij zich aan een publicatie in het Londense Vrij Nederland, vermoedelijk afkomstig van 'een anonieme smous', en als in 1944 een door Jacques Gans geïnitieerd pamflet tot bestrijding van het neofascisme verschijnt, preciseert hij: 'Deze jood is een journalist die vele jaren in Montparnasse heeft gewoond.' Dan is het nog maar een kleine stap naar een 'joodsch-rood' perscomplot onder leiding van 'de handige jood' Meyer Sluyzer.

Van Lidth, blijft Kersten de mantel der liefde draperen, deed zijn uitspraken 'in situaties waarin hij zich persoonlijk benadeeld voelde. Het zou daarom ook te ver gaan hieraan de conclusie van antisemitisme te verbinden'.

Maar het Londen van de verbannen Nederlanders - dat is nou precies waarom de dagboeken zo relevant zijn - was een slangenkuil, en daar huisde ook veel giftig addergebroed.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden