Loges van verlichting tot onthaasting

De vrijmetselarij werd opgericht om haar leden verlichting te brengen. Met exclusieve rituelen was ze niet altijd vrij van geheimzinnigheid, maar openheid is nu troef....

Mat Herben bracht de vrijmetselarij voor het eerst sinds tijden weer eens in de belangstelling. Toen de LPF-leider na de moord op Pim Fortuyn steeds vaker in de media verscheen, gaf hij onbekommerd toe niet alleen goed katholiek te zijn, maar ook lid van een vrijmetselaarsloge in Den Haag. 'Broeder Herben' bleek een van de ruim zesduizend Nederlandse deelnemers aan het eeuwenoude, vaak nog altijd met geheimzinnigheid omgeven inwijdingsgenootschap.

Even leek het stereotiep bevestigd te worden dat vrijmetselaren elkaar in het geniep aan politieke baantjes helpen. Maar de openheid van Herben geeft juist aan dat de exclusieve, maar onschuldige club steeds gemakkelijker naar buiten treedt, zegt prof. dr. Anton van de Sande, buitengewoon hoogleraar 'vrijmetselarij als geestesstroming en sociaal-cultureel verschijnsel' aan de Universiteit Leiden. En ze moeten wel: 'Veel van hun geheime rituelen zijn gewoon op internet te vinden'.

De Nijmeegse cultuurhistoricus Van de Sande werd in 2001 aangesteld als hoogleraar door de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden, de overkoepelende vereniging van Nederlandse loges. Hij is zelf echter geen vrijmetselaar, en spreekt met afstand en humor over de beweging.

Vrijdag is hij een van de sprekers op het congres Vrijmetselarij in Nederland aan de Universiteit Leiden. Dat 'kennismakingscongres' voor het grote publiek is georganiseerd door enkele enthousiaste promovendi, zelf ook geen vrijmetselaars. Het vormt, zeggen ze, een uitvloeisel van de groeiende cultuur- en kunsthistorische belangstelling voor de vrijmetselarij.

Naast Van de Sande is prof. dr. Wouter Hanegraaff bijvoorbeeld sinds 1999 aan de Universiteit van Amsterdam hoogleraar 'geschiedenis van de hermetische filosofie en andere esoterische stromingen'. Verder zijn er promovendi die uiteenlopende onderwerpen bestuderen als de invloed van vrijmetselaren op de 18de-eeuwse muziekcultuur, en hun bemoeienis met de handelsbetrekkingen met Azië in de 18de en 19de eeuw.

Die aandacht, vindt Van de Sande, is alleszins gerechtvaardigd. In Den Haag bevindt zich een van de grootste vrijmetselaarsbibliotheken ter wereld. Die is in de 19de eeuw opgericht door de 'grootmeester nationaal' prins Frederik, broer van koning Willem II en een fervent vrijmetselaar. Het materiaal daar is nog lang niet uitputtend bestudeerd.

Nog belangrijker is dat de genootschappen in de 18de en 19de eeuw volgens hem echt belangrijk waren. Niet zozeer politiek, als wel cultureel. Van de Sande: 'Zij waren dragers van de idealen van de Verlichting. De vrijmetselarij verschafte een infrastructuur voor de intellectuele bovenlaag.'

De vrijmetselarij, legt Van de Sande uit, is in de 18de eeuw in Londen opgericht door ene John Theophilus Desaguliers (1683-1744), zoon van een uit Frankrijk verjaagde protestant. In de roerige hoofdstad uit die dagen, waarin grote vijandigheid heerste tussen aanhangers van de officiële Anglicaanse kerk en hun tegenstanders, waren gegoede burgers en adel gewoon elkaar in alle rust te ontmoeten in zogeheten 'clubs'.

De vrijmetselarij was aanvankelijk een van die vele clubs, exclusief voor mannen. Dat zij bleef bestaan, heeft ze volgens Van de Sande te danken aan de unieke combinatie van liberale ideeën en geheime, middeleeuwse inwijdingsrituelen.

De idealen ontleende Desaguliers aan een kennis van hem, de fameuze natuurkundige Isaac Newton. 'Van hem leerde de Fransman dat je door intensieve studie van de natuur en de kosmos doordrongen zou raken van je plek in de schepping. Het ging dus om het verkrijgen van zelfkennis. Je afkomst en geloof telden daarbij niet.'

Dit idee werd in de vorm gegoten van een middeleeuws bouwgilde. De vrijmetselaars waren oorspronkelijk kathedralenbouwers. 'Zij bouwden aan het huis van God, en hadden daarom een enorm beroepsethos. Ze trokken van stad tot stad en verbleven in een bouwloods bij de in aanbouw zijnde kerk. Ze onderscheidden zich met allerlei geheime tekens, zodat ze elkaar als leerling, gezel of meester konden herkennen.'

Het vrijmetselaarsgenootschap baseert zich op de tekens en rituelen van dit gilde, aangevuld met de nodige verwijzingen naar andere religieuze en esoterische stromingen. De leden binden metselaarsschorten voor, spelen met hamers en stenen, leren allerlei gebaren. Door geheime inwijdingsrituelen te doorstaan, kan een leerling, die altijd zichzelf aanmeldt, tot zelfinzicht komen en uiteindelijk meester worden. Met hun zelfkennis moeten de leden een waardevolle 'bouwsteen' van de samenleving worden.

Een meester, zegt Van de Sande, is dus een soort gepolijste steen. 'Hij leert de bouwplannen van de ''opperbouwmeester van het heelal'' kennen. Maar welke dat zijn, moet hij helemaal zelf invullen. Er is wat dat betreft geen vrijmetselaarsleer, er is alleen symboliek. Het is heel verdraagzaam, er zijn zelfs hindoe-loges.'

Het is een spel, zegt hij, dat heel serieus wordt gespeeld. Een aspirant-meester wordt bijvoorbeeld even in een doodkist gelegd, om daarna een soort wedergeboorte te beleven. De vrijmetselaars met wie de hoogleraar spreekt, hebben nog altijd 'hele mooie herinneringen' aan hun inwijding. 'Elke keer als er een nieuw lid wordt ingewijd, beleven ze die opnieuw, zeggen ze.'

De vrijmetselaars kregen in de 18de eeuw dankzij deze succesformule al snel een grote aanhang in vele landen, vertelt hij. Ze organiseerden zich in kleine clubs, de loges, elk met een eigen karakter, met soms vele verschillende graden die je kon verkrijgen, en met een overkoepelende nationale organisatie.

Naast een soort sociëteit voor heren met verlichte ideeën (Mozart was vrijmetselaar), waren de loges in die tijd ook vooral een drinkgelegenheid voor officieren die zich verveelden in garnizoenssteden als Nijmegen en Zwolle, zegt Van de Sande. 'Daarmee kwamen ze veelvuldig in de pers.'

Dat veranderde na de Franse Revolutie. Aan de ene kant werd de vrijmetselarij steeds meer een club van kunstenaars en denkers (zoals Goethe en Multatuli) die vrijelijk konden filosoferen over de onzekere tijden. Aan de andere kant raakte ze steeds meer in diskrediet.

In 1791 was in Beieren een loge-in-een-loge opgerold, de Illuminatenclub, die een heuse coup voorbereidde. Aan het eind van de eeuw verscheen een boek waarin de hele beweging werd beschuldigd van een samenzwering tegen de Franse koning. Het werd een bestseller.

D

aar komt bij, vertelt Van de Sande, dat de katholieke kerk in landen als België en Frankrijk de tolerante vrijmetselaars keihard begon te verketteren. Min of meer noodgedwongen begonnen die zich vervolgens, tegen de regels in, politiek en sociaal te organiseren. Ze richtten bijvoorbeeld verenigingen voor burgerlijke begrafenissen op. In de 20ste eeuw volgde een periode van vervolging: zowel onder Hitler als onder Stalin waren de vrijmetselaars vogelvrij.

Op dit moment bloeit de vrijmetselarij op vele plekken, zegt de hoogleraar. De Verenigde Staten kent zo'n vijf miljoen leden, die daar als vanouds vrij voor uitkomen. De vrijmetselarij heeft daar vooral een sociaal, filantropisch karakter. Veel presidenten, onder wie de oude Bush, waren vrijmetselaar. Ook in Groot-Brittannië zijn honderdduizenden vrijmetselaars.

In België vormen de vijftienduizend vrijmetselaars nog altijd een invloedrijk politiek netwerk. 'Daar is de 19de-eeuwse strijd uit de hand gelopen. Veel kabinetsleden zijn vrijmetselaar.' De Belgische loges zijn daarom door de Londense loge - 'nog altijd een soort morele zender' - zogezegd 'onregelmatig' verklaard. Andere loges mogen geen contact met ze hebben.

Dat geldt ook voor de fameuze P2-loge in Italië, die in de jaren zeventig een rechtse staatsgreep voorbereidde en het broederschap daarmee weer eens flink in diskrediet bracht. En ook de vele gemengde metselarijen, voor mannen en vrouwen, zijn ondanks de tolerante filosofie nog altijd 'onregelmatig'.

In Nederland is de vrijmetselarij vooral een praatclub voor ambtenaren, zakenlui, officieren en wetenschappers, zegt Van de Sande. 'Hoewel de echte opperbazen er bijna nooit lid van zijn.' Eens per één of twee weken komen ze bij elkaar. Als er geen rituelen worden uitgevoerd, houden ze lezingen, de zogeheten bouwstukken, over hun werk of over de geschiedenis van de loges.

Van de Sande: 'De laatste tijd zeggen ze dat je bij de vrijmetselarij tijd krijgt om bij jezelf stil te staan in een steeds drukkere, jachtigere wereld. Ze mikken op de onthaasting.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden