Lof weg zwaaier

De Let Andris Nelsons ( 35 ) is een supermaestro. Deze maand dirigeert hij de topdrie van het mondiale orkestbedrijf. Wordt hij chef in Amsterdam?

Dirigent Andris Nelsons moet steeds vaker huilen. Als hij thuis in Riga met z'n vrouw naar een film kijkt, houdt hij het zelden droog. Naar muziek luisteren lukt ook steeds minder. Hij herkent die gevoeligheid uit zijn jeugd. De laatste tijd keert het terug en hij weet niet waarom. 'Als het maar geen teken is dat ik vroeg ga sterven.'


De fatalist die hier spreekt, is een robuuste vent van 35. Geen leeftijd waarop de dood achter elke lantaarnpaal loert. En aan zijn vak hoeft Andris Nelsons al helemaal geen morbide gedachten te wijden. Neem alleen al de instituten die hij deze decembermaand aaneen rijgt. De Wiener Philharmoniker. De Berliner Philharmoniker. Het Koninklijk Concertgebouworkest. Samen vormen ze de topdrie van het mondiale orkestbedrijf.


Het Concertgebouworkest dirigeert Andris Nelsons zelfs dubbel. Vanavond en morgen staat hij in de Grote Zaal met Debussy, Rachmaninov en Britten. Op 25 december keert de Let terug voor de Kerstmatinee. Sinds die traditie in 1975 werd ingesteld, is hij de eerste niet-chef (of oud-chef) die die prestigieuze klus mag klaren. Het concert met Wagner en Strauss wordt doorgestraald naar miljoenen tv-kijkers in 26 landen.


Andris Nelsons is een supermaestro. Hij doet dingen waarvan de beste dirigenten pas vanaf hun 50ste durven te dromen. Maar wrijf hem dat in een kale kleedkamer in Birmingham onder de neus en je ziet een beduusd gezicht. Ongeloof straalt uit zijn ogen. Gaat dit succesverhaal over hem?


'Andris is te bescheiden', zegt zijn beroemde vakgenoot Daniel Barenboim in een recente documentaire over Nelsons. Een verklaring voor het succes heeft Barenboim ook: Andris Nelsons bezit de gave een orkest met heel zijn lichaam te tonen wat hij denkt van elke frase, ja van elke noot. Hij is een geluksbrenger voor wie alle orkesten willen spelen.


Aan zijn achterkant lees je die vaardigheid niet af. Zie Nelsons stampen en maaien in de Symphony Hall van Birmingham, als een boze buurman met gebalde vuisten. Net zo vermakelijk is de pose van de vrijdagmiddagborrel: terwijl het City of Birmingham Symphony Orchestra zindert in Brahms, hangt Nelsons achterover tegen de verchroomde buizen van het dirigentenschavot. Proost, zegt zijn stokje.


Maar bekijk hem aan de voorkant en de lobbes verandert in een magiër. Zijn lijf is één groot communicatiemiddel. Uit zijn ogen, uit zijn mond, overal dampt muziek. Door Symphony Hall zweeft de Siegfried-Idyll, het tedere verjaarsgeschenk van Richard Wagner aan zijn vrouw Cosima. De strijkers fluisteren, de blazers neuriën intiem. Nelsons zal met dit stuk de Amsterdamse Kerstmatinee openen. Er geldt maar één luisteradvies. Zakdoek mee.


Nelsons was 5 toen de muziek hem greep. In het operahuis van Riga zat Andris klaar voor Wagners Tannhäuser. Een man stelde zich op voor het orkest: de dirigent. 'Ik werd op slag nerveus', zegt Nelsons. 'Die hele voorstelling rustte op zijn schouders. Stel je voor dat hij een fout maakte, dan liep alles in het honderd.'


Toen het doek viel, huilde hij tranen met tuiten. Tannhäuser do-hood! Nelsons was drie dagen van slag. Hij at weinig, sliep slecht en huilde veel. Zijn ouders troffen hem in het donker aan voor de stereo-installatie. Zo probeerde hij de magische theaterervaring opnieuw op te roepen.


Later zong hij mee in het oudemuziekensemble van zijn moeder. Nelsons herinnert zich Lasciatemi morire, laat me sterven, het beroemde madrigaal van Monteverdi. Of Weep, o mine eyes, de droevige tranentrekker van John Dowland. Als tegenwicht ging hij op de vechtsport taekwondo. Systematisch leerde de puber zich te concentreren en beheersen. Tot zijn voortanden eruitvlogen, wat slecht uitkwam voor de ambitieuze trompettist die hij inmiddels was geworden.


'Zeg maar gerust: fanatiek. Om 's nachts door te kunnen studeren, ritselde ik samen met een vriendje de sleutel van de muziekschool. Ons systeem: een uur spelen, een kwartier rust. Die sessies eindigden steevast met bloed aan de lippen.'


Het leren dirigeren deed hij er alvast naast. Toen zijn docent zich afmeldde voor een repetitie van het studentenorkest, stelde Nelsons zich op voor de troepen. 'De Eerste van Beethoven, ik voelde me meteen bevrijd. Als trompettist had ik snel een droge mond van de zenuwen, als dirigent drukte ik mezelf probleemloos uit.'


De daaropvolgende twintig jaar ging het van halleluja en hosanna, tot Andris Nelsons afgelopen zomer in Bayreuth z'n kop stootte tegen een deur. Zware hersenschudding, twee weken bedrust. Boeken en muziek kon hij niet velen, voor nadenken had hij eindelijk tijd.


In de Wagnerstad trok zijn loopbaan aan hem voorbij. Hoe zijn landgenoot Mariss Jansons in 1999 zijn talent had herkend en hem aannam als assistent. Hoe Jansons zijn toch al niet geringe arbeidsethos had bijgeschaafd. 'Als een stuk twintig keer goed gaat, kan het de 21ste keer nog beter.' 'Liever een goed concert te weinig, dan een slecht concert te veel.'


Hoe hij als begintwintiger zijn eerste baan kreeg aan de opera van Riga. Hoe hij zwaaiuren maakte bij een symfonieorkest in de Duitse provincie. Daarna de gekte in Birmingham: op 1 september 2007 debuteren als gast, drie dagen later gevraagd worden als chef.


Ten slotte de waanzin in Amerika. Vanaf 2014 zou hij als music director van het legendarische Boston Symphony Orchestra de voetstappen gaan drukken van Levine en Ozawa, van Leinsdorf, Munch, Koussevitzky, Monteux.


Woelend in het Bayreuthse bed kreeg Andris Nelsons het benauwd. Die deur, besefte hij, was misschien geen toeval. Iemand, hij dacht God, gaf hem een wenk. Stel orde op zaken. Kom tot jezelf. Je bent meer dan een dirigent om wie de toporkesten vechten. Je hebt ook nog een vrouw en een dochter van 1.


Daarom lopen ze er in Birmingham nu sipjes bij. Andris Nelsons stapt in 2015 op, heeft hij de 'Brummies' onlangs laten weten. Meteen begon in het muziekwereldje de geruchtenmachine te draaien, want niemand gelooft dat Nelsons zich tot het Boston Symphony Orchestra zal beperken. Traditioneel lopen de succesvolste carrières immers op twee benen: een in Amerika en een in Europa.


Zegt Simon Rattle in 2018 vaarwel tegen de Berliner Philharmoniker? De naam Nelsons is genoemd. Scout het Concertgebouworkest alvast opvolgers voor de met z'n gezondheid kwakkelende Jansons? Men fluistert over Andris.


Hij heeft het Amsterdamse orkest al eens vergeleken met een goede bordeaux: rijk en fruitig. In de Grote Zaal treft hij bovendien 'warme musici' en 'ontvankelijke artiesten'. Maar vraag hem op de man af of er een kans bestaat dat hij de zevende chef-dirigent wordt in de historie van het Concertgebouworkest en er volgt een ontwijkende manoeuvre.


'Mijn vak is zó onwerkelijk. Het draait om ongrijpbare zaken als chemie en magie. Die kun je niet plannen. Het mag belachelijk klinken, maar het enige waarmee ik bezig ben, is de volgende repetitie en het volgende concert.'


Met die kolossale deemoed weten de pr-afdelingen van grote platenmaatschappijen weinig te beginnen. Ze mijden Nelsons dan ook opzichtig. Doe hun van de aanstormende dertigers maar Yannick Nézet-Séguin, de kosmopolitische Canadees van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Favoriet is natuurlijk Gustavo Dudamel. Die heeft met de Venezolaanse sloppen op de achtergrond ten minste een verhaal.


De brave Nelsons levert zinnen af als: 'Afgezien van de muziek en mijn gezin gebeurt er in mijn leven niet veel.' Hij hoort het zichzelf zeggen en schiet in de lach. Dan kan hij er meteen wel met een vrolijke anekdote overheen. Kennen we Carlos Kleiber, de in 2004 overleden klanktovenaar voor wie alle collega's nederig buigen? Wanneer Kleiber de Berliner Philharmoniker dirigeerde, had hij per dag een vliegticket naar huis klaarliggen. Voor het geval ze hem niet meer moesten.


Soms denkt Andris Nelsons dat hij twee persoonlijkheden herbergt. 'In de concertzaal ben ik optimistisch en daadkrachtig, daarbuiten verlegen en onzeker. Ik kan niet eens een jas kopen.'


En wekelijks kijkt hij de dood in de ogen. 'Elke keer als ik in het vliegtuig de stoelriem dichtklik, denk ik: het moet een keer misgaan, waarom niet nu? En dan voel ik me een zondaar, want als katholiek zou ik me daar geen zorgen over hoeven maken.'


Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Andris Nelsons. Debussy, Britten, Rachmaninov (12/12, 13/12). Wagner, Strauss (25/12, Kerstmatinee, 15.00 uur, live op Radio 4 en Nederland 2).


Het Letse wonder


Met slechts twee miljoen inwoners heeft Letland twee wereldvermaarde maestro's voortgebracht: Mariss Jansons (70) en Andris Nelsons (35). Hoe de Letten dat flikken? Als buitengewest van de Sovjet-Unie profiteerden ze tot 1989 stevig van de culturele infrastructuur in Sint-Petersburg en Moskou, maar vooral is Letland een natie die zingt. Kleuterkoren, kinderkoren, jeugdkoren - elke Let groeit ermee op. Aan de top van de piramide zetelt het fenomenale Lets Radiokoor. Tot de huidige operasterren behoren Elina Garanca en Kristine Opolais (zij is getrouwd met Andris Nelsons).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden